Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

EenzaamheidCijfers & ContextOorzaken en gevolgen

Cijfers & Context

Meer dan 40% voelt zich eenzaam

Regionaal & Internationaal

Meeste mensen eenzaam in het zuidwesten

Kosten

Preventie & Zorg

Terugdringen van eenzaamheid is maatwerk

Risicofactoren van eenzaamheid

Eenzaamheid ontstaat vaak door combinatie van risicofactoren

Veel factoren kunnen leiden tot gevoelens van eenzaamheid. Een verandering in of het verlies van sociale contacten, activiteiten of werk spelen vaak een rol. Ook gezondheidsproblemen, kenmerken van de persoonlijkheid en verwachtingen van sociale contacten kunnen bijdragen aan eenzaamheid. Daarnaast hebben genetische factoren een invloed. In veel gevallen wordt eenzaamheid veroorzaakt door een opeenstapeling van meerdere factoren.

Sociale eenzaamheid vooral door beperkt sociaal netwerk

Sociale eenzaamheid is vooral toe te schrijven aan een te beperkt sociaal netwerk. Emotionele eenzaamheid hangt juist meer samen met de afwezigheid van een partner. (Dykstra & Fokkema, 2007; de Jong-Gierveld & van Tilburg, 2010). Het soort relatie dat iemand mist, bepaalt dus in hoge mate welke soort eenzaamheid iemand ervaart.

Kwaliteit van contacten bepalend voor eenzaamheid

Goede sociale contacten verminderen eenzaamheid (Stevens & Westerhof, 2006Gierveld-de Jong & van Tilburg, 2007). Echter, 'hoe meer contacten hoe beter' geldt niet voor vermindering van eenzaamheid. Een aantal van vier of vijf personen met wie iemand goed contact heeft, beschermt voldoende tegen eenzaamheid. De toegevoegde waarde van extra sociale relaties neemt af naarmate het aantal relaties stijgt (Gierveld-de Jong & van Tilburg, 2007). Variatie in sociale relaties beschermen tegen eenzaamheid. Oude mensen met uitsluitend goede contacten met kinderen en overige familie hebben meer kans op eenzaamheid dan ouderen met een gevarieerder netwerk van relaties. Een aantal intieme relaties met daarnaast een aantal andere relaties zoals met buren en kennissen, biedt een goede bescherming tegen eenzaamheid (Gierveld-de Jong & van Tilburg, 2007). Wanneer een belangrijke sociale relatie wegvalt, bijvoorbeeld na het overlijden van de partner, bestaat een verhoogde kans op eenzaamheid (Luanaigh & Lawlor, 2008; Utz et al., 2014). 

Bepaalde persoonlijke eigenschappen kunnen bijdragen aan eenzaamheid

Persoonlijke eigenschappen die gevoelig kunnen maken voor eenzaamheid zijn een gebrek aan sociale vaardigheden, een negatief zelfbeeld, weinig zelfvertrouwen, gevoelens van sociale angst, sterke verlegenheid, neuroticisme en introversie (het tegengestelde van extraversie) (Gierveld-de Jong & van Tilburg, 2007; Luanaigh & Lawlor, 2008). Zie ook: Angststoornissen.

Eenzaamheid wordt beïnvloed door genen

Eenzaamheid is voor 48% erfelijk bepaald (Boomsma et al., 2005). Dit blijkt uit een Nederlands onderzoek onder adolescente en volwassen tweelingen die over meerdere jaren gevolgd werden. De overeenkomst in eenzaamheid onder de tweelingen kon niet worden verklaard door gemeenschappelijke invloeden uit de omgeving, zoals sociale contacten. In eerder tweelingonderzoek onder kinderen werd een vergelijkbaar percentage gevonden (McGuire & Clifford, 2000). Dit betekent dat bijna de helft van de verschillen tussen mensen in eenzaamheidsgevoelens, wordt bepaald door genetische factoren. Wat precies die genetische factoren zijn, is moeilijk te bepalen. Op dit moment is onduidelijk of het de gevoelens van eenzaamheid zelf zijn die genetisch bepaald worden, of dat het gaat om andere gerelateerde kenmerken zoals temperament of het ervaren van negatieve emoties (Boomsma et al., 2005). 

Meer informatie

Datum publicatie

16-02-2018

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Dykstra PA, Fokkema T. Social and emotional loneliness among divorced and married men and women: comparing the deficit and cognitive perspectives. Basic Appl Soc Psych. 2007;29((1)):1-12. Bron
  2. de Jong-Gierveld J, van Tilburg T. The De Jong Gierveld short scales for emotional and social loneliness: tested on data from 7 countries in the UN generations and gender surveys. Eur J Ageing. 2010;7(2):121-130. Pubmed | DOI
  3. Stevens N, Westerhof GJ. Partners and others: Social provisions and loneliness among married Dutch men and women in the second half of life. Journal of Social and Personal Relationships. 2006;23(6):921-941. Bron | DOI
  4. J Gierveld-de Jong J, van Tilburg T. Uitwerking en definitie van het begrip eenzaamheid. In: Zicht op eenzaamheid: achtergronden, oorzaken en aanpak. Assen: van Gorcum; 2007. 7. p. 7-14p. Bron
  5. Luanaigh Ó, Lawlor BA. Loneliness and the health of older people. International Journal of Geriatric Psychiatry. 2008;23(12):1213-1221. Bron | DOI
  6. Utz R.L, Swenson K.L, Caserta M., Lund D., de Vries B. Feeling Lonely Versus Being Alone: Loneliness and Social Support Among Recently Bereaved Persons. The Journals of Gerontology Series B: Psychological Sciences and Social Sciences. 2014;69(1):85-94. Bron | DOI
  7. Luanaigh CO, Lawlor BA. Loneliness and the health of older people. Int J Geriatr Psychiatry. 2008;23(12):1213-21. Pubmed | DOI
  8. Boomsma DI, Willemsen G, Dolan CV, Hawkley LC, Cacioppo JT. Genetic and Environmental Contributions to Loneliness in Adults: The Netherlands Twin Register Study. Behavior Genetics. 2005;35(6):745-752. Bron | DOI
  9. McGuire S, Clifford J. Genetic and Environmental Contributions to Loneliness in Children. Psychological Science. 2000;11(6):487-491. Bron | DOI

Gevolgen van eenzaamheid

Eenzaamheid verhoogt mogelijk risico op ziekte van Alzheimer

Eenzaamheid vergroot mogelijk de kans op de ziekte van Alzheimer (zie: Dementie). In een Nederlands onderzoek werden Amsterdamse ouderen zonder dementie gedurende drie jaar gevolgd. Na drie jaar hadden ouderen met gevoelens van eenzaamheid 1,64 keer zo vaak dementie ontwikkeld dan de niet-eenzame ouderen (Holwerda et al., 2014). Hierbij werd gecorrigeerd voor de invloed van andere determinanten van dementie. Dit risico is vergelijkbaar met schattingen uit internationaal onderzoek (Wilson et al., 2007; Mushtaq, 2014).

Verhoogde kans op coronaire hartziekten en beroerte door eenzaamheid

Er zijn aanwijzingen dat eenzaamheid de kans op het krijgen van hartaandoeningen vergroot, ook na correctie voor andere risicofactoren van coronaire hartziekten (Valtorta et al., 2016; Thurston & Kubzansky, 2009; Sorkin et al., 2002). Uit een integratie van internationale onderzoeken bleken eenzaamheid en sociale isolatie het risico op coronaire hartziekten met 29% te verhogen. Daarbij is gecorrigeerd voor andere risicofactoren van coronaire hartziekten. Voor beroertes werd het risico met 32% verhoogd (Valtorta et al., 2016). Eenzaamheid verhoogt ook het risico op andere gezondheidsproblemen zoals slaapproblemen, stress en ontstekingen (Boss et al., 2015; Cacioppo et al., 2010). 

Eenzaamheid kan leiden tot depressie en suïcide

Eenzaamheid kan tot een depressie leiden. Dit blijkt uit verschillende onderzoeken bij mensen van middelbare leeftijd en ouderen. Het gaat hierbij om studies die mensen gedurende enkele jaren volgden en waaruit blijkt dat mensen met eenzaamheidsgevoelens vaker een depressie krijgen (Cacioppo et al., 2010; Cacioppo et al., 2006; Heinrich & Gullone, 2006). Deze invloed van eenzaamheid op het later ontstaan van een depressie is onafhankelijk van andere risicofactoren zoals leeftijd, geslacht, etniciteit, opleiding, inkomen, burgerlijke staat, sociale steun en ervaren stress (Cacioppo et al., 2006). Daarnaast zijn er in diverse onderzoeken verbanden gevonden tussen eenzaamheid en (poging tot) suïcide (Heinrich & Gullone, 2006). Dit wordt mogelijk verklaard door het verband tussen eenzaamheid en depressie. 

Hogere kans op overlijden door eenzaamheid

Eenzaamheid verhoogt de kans op overlijden. In een Nederlands onderzoek werden 65- tot en met 84-jarigen gedurende een periode van tien jaar gevolgd. Na tien jaar, hadden eenzame mannen 30% meer kans te zijn overleden. Voor de vrouwen was het risico met 4% verhoogd. Er werd gecorrigeerd voor andere risicofactoren van vroegtijdig overlijden zoals demografische kenmerken, medische aandoeningen, cognitief functioneren en functionele beperkingen (Holwerda et al., 2012). In een integratie van 70 internationale onderzoeken waarbij mensen over langere tijd zijn gevolgd, verhoogde eenzaamheid de kans op overlijden met 26% (Holt-Lunstad et al., 2015). Om tot dit percentage te komen werden ook hier andere voorspellers van overlijden constant gehouden. Het verschil in de kans op overlijden tussen mannen en vrouwen werd hier niet gevonden. Ook in ander langlopend onderzoek in de Verenigde Staten bleek eenzaamheid de kans op overlijden te verhogen, maar ook hier werd het verschil tussen mannen en vrouwen niet gevonden (Patterson & Veenstra, 2010). Waarom in Nederlands onderzoek wel een verschil wordt gevonden en in internationaal onderzoek niet, is onduidelijk.

Meer informatie 

Datum publicatie

16-02-2018

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Holwerda T.J, Deeg D.JH, Beekman A.TF, van Tilburg T.G, Stek M.L, Jonker C., et al. Feelings of loneliness, but not social isolation, predict dementia onset: results from the Amsterdam Study of the Elderly (AMSTEL). Journal of Neurology, Neurosurgery & Psychiatry. 2014;85(2):135-142. Bron | DOI
  2. Wilson RS, Krueger KR, Arnold SE, Schneider JA, Kelly JF, Barnes LL, et al. Loneliness and Risk of Alzheimer Disease. Archives of General Psychiatry. 2007;64(2):234. Bron | DOI
  3. Mushtaq R. Relationship Between Loneliness, Psychiatric Disorders and Physical Health ? A Review on the Psychological Aspects of Loneliness. Journal of Clinical and Diagnostic Research. 2014. Bron | DOI
  4. Valtorta NK, Kanaan M, Gilbody S, Ronzi S, Hanratty B. Loneliness and social isolation as risk factors for coronary heart disease and stroke: systematic review and meta-analysis of longitudinal observational studies. Heart. 2016;102(13):1009-1016. Bron | DOI
  5. Thurston RC, Kubzansky LD. Women, loneliness, and incident coronary heart disease. Psychosom Med. 2009;71(8):836-42. Pubmed | DOI
  6. Sorkin D, Rook KS, Lu JL. Loneliness, lack of emotional support, lack of companionship, and the likelihood of having a heart condition in an elderly sample. Ann Behav Med. 2002;24(4):290-8. Pubmed
  7. Boss L, Kang D-H, Branson S. Loneliness and cognitive function in the older adult: a systematic review. International Psychogeriatrics. 2015;27(4):541-553. Bron | DOI
  8. Cacioppo JT, Hawkley LC, Thisted RA. Perceived social isolation makes me sad: 5-year cross-lagged analyses of loneliness and depressive symptomatology in the Chicago Health, Aging, and Social Relations Study. Psychology and Aging. 2010;25(2):453-463. Bron | DOI
  9. Cacioppo JT, Hughes ME, Waite LJ, Hawkley LC, Thisted RA. Loneliness as a specific risk factor for depressive symptoms: cross-sectional and longitudinal analyses. Psychol Aging. 2006;21(1):140-51. Pubmed | DOI
  10. Heinrich LM, Gullone E. The clinical significance of loneliness: a literature review. Clin Psychol Rev. 2006;26(6):695-718. Pubmed | DOI
  11. Holwerda T.J, Beekman A.TF, Deeg D.JH, Stek M.L, van Tilburg T.G, Visser P.J, et al. Increased risk of mortality associated with social isolation in older men: only when feeling lonely? Results from the Amsterdam Study of the Elderly (AMSTEL). Psychological Medicine. 2012;42(4):843-853. Bron | DOI
  12. Holt-Lunstad J, Smith TB, Baker M, Harris T, Stephenson D. Loneliness and Social Isolation as Risk Factors for Mortality. Perspectives on Psychological Science. 2015;10(2):227-237. Bron | DOI
  13. Patterson AC, Veenstra G. Loneliness and risk of mortality: A longitudinal investigation in Alameda County, California. Social Science & Medicine. 2010;71(1):181-186. Bron | DOI

Factoren die samenhangen met eenzaamheid

Gezondheidsproblemen en eenzaamheid gaan vaak samen 

Eigen gezondheidsproblemen maar ook gezondheidsproblemen van de partner gaan vaak samen met eenzaamheid. Uit Nederlands onderzoek bij getrouwde 65-plussers blijken zowel eigen lichamelijke beperkingen als lichamelijke beperkingen van de partner een grotere kans op emotionele eenzaamheid te geven (Korporaal et al., 2008). Lichamelijke beperkingen in deze studie zijn moeilijkheden met algemene dagelijkse levensverrichtingen als trappen lopen, vijf minuten buiten wandelen zonder te rusten, gaan zitten en weer opstaan van een stoel en zelf aan- en uitkleden. Voor sociale eenzaamheid verschilt de samenhang met lichamelijke beperkingen tussen mannen en vrouwen. Bij mannen is alleen een toename in lichamelijke beperkingen van hun partner verbonden met meer sociale eenzaamheid; als lichamelijke beperkingen bij mannen zelf toenemen dan worden zij niet meer of minder sociaal eenzaam. Voor vrouwen geldt juist dat meer eigen lichamelijke beperkingen samengaan met meer sociale eenzaamheid. Lichamelijke beperkingen van hun partner hangen bij de onderzochte vrouwen niet samen met sociale eenzaamheid (Korporaal et al., 2008). 

Mensen met partner minder eenzaam dan mensen zonder partner

De mate van eenzaamheid is over het algemeen lager onder mensen met een partner dan onder mensen zonder een partner (van Tilburg, 2007). Vooral mensen die na overlijden of scheiden van hun partner alleen blijven, hebben een grote kans op eenzaamheid (Gierveld-de Jong & van Tilburg, 2007). Een partner biedt overigens niet altijd bescherming tegen eenzaamheid. Wanneer een partner niet daadwerkelijk hulp en ondersteuning geeft, kan eenzaamheid zeer ernstig zijn. Hieruit blijkt dat de kwaliteit van de relatie belangrijk is voor het al dan niet ervaren van eenzaamheid (van Tilburg, 2007). Dit geldt vooral voor vrouwen (Stevens & Westerhof, 2006).

Eenzame adolescenten en jongvolwassenen beoordelen eigen gezondheid lager

Uit verschillende onderzoeken in de Verenigde Staten blijkt dat eenzame adolescenten en eenzame jongvolwassenen (12 tot 32 jaar) hun gezondheidstoestand als minder goed beoordelen dan niet-eenzame leeftijdsgenoten (Yarcheski et al., 2004). Deze samenhang tussen eenzaamheid en het lagere oordeel over de gezondheid is groter bij jonge adolescenten (12 tot 14 jaar) dan bij de adolescenten van 14 tot 21 jaar en ook groter dan bij de jongvolwassenen (22 tot 32 jaar; zie ook: Ervaren gezondheid).

Meer informatie

Datum publicatie

16-02-2018

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Korporaal M, van Groenou MIBroe, van Tilburg T. Effects of own and spousal disability on loneliness among older adults. J Aging Health. 2008;20(3):306-25. Pubmed | DOI
  2. van Tilburg T. De partner. In: Zicht op eenzaamheid: achtergronden, oorzaken en aanpak. Assen: van Gorcum; 2007. 4. p. 41-50p. Bron
  3. J Gierveld-de Jong J, van Tilburg T. Het vaststellen van eenzaamheid. In: Zicht op eenzaamheid: achtergronden, oorzaken en aanpak. Assen: van Gorcum; 2007. 1. p. 15-23p. Bron
  4. Stevens N, Westerhof GJ. Partners and others: Social provisions and loneliness among married Dutch men and women in the second half of life. Journal of Social and Personal Relationships. 2006;23(6):921-941. Bron | DOI
  5. Yarcheski A, Mahon NE, Yarcheski TJ, Cannella BL. A meta-analysis of predictors of positive health practices. J Nurs Scholarsh. 2004;36(2):102-8. Pubmed

Verantwoording

Definities
  • Wat is eenzaamheid?

    Eenzaamheid kenmerkt zich door gemis en teleurstelling

    Eenzaamheid is een negatieve situatie, gekenmerkt door gemis en teleurstelling. Het is de uitkomst van een persoonlijke waardering van een situatie waarin iemand zijn bestaande relaties afweegt tegen zijn eigen wensen of verwachtingen ten aanzien van relaties. Eenzaamheid is dus een persoonlijke, subjectieve ervaring. Gevoelens van eenzaamheid hebben vooral betrekking op gebreken in de kwaliteit van relaties. Maar iemand kan zich ook eenzaam voelen doordat het aantal contacten lager is dan gewenst (Gierveld-de Jong & van Tilburg, 2007).

    Eenzaamheid kan emotioneel of sociaal zijn

    Er zijn twee soorten eenzaamheid (van Tilburg, 2007):

    Emotionele eenzaamheid
    Als iemand een sterk gemis ervaart van een intieme relatie, een emotioneel hechte band met een partner of vriend(in).

    Sociale eenzaamheid
    Als iemand betekenisvolle relaties mist met een bredere groep mensen zoals kennissen, collega’s, buurtgenoten of mensen met dezelfde belangstelling. Een intieme partnerrelatie kan sociale eenzaamheid niet opheffen.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. J Gierveld-de Jong J, van Tilburg T. Uitwerking en definitie van het begrip eenzaamheid. In: Zicht op eenzaamheid: achtergronden, oorzaken en aanpak. Assen: van Gorcum; 2007. 7. p. 7-14p. Bron
    2. van Tilburg T. Typen van eenzaamheid. In: Zicht op eenzaamheid: achtergronden, oorzaken en aanpak. Assen: van Gorcum; 2007. 3. p. 31-37p. Bron
Bronverantwoording
  • Aanvragen data voor wetenschappelijk onderzoek

    De Gezondheidsmonitor (doelgroep Volwassenen en Ouderen) is voor het eerst uitgevoerd in 2012. De Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012 en de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 bevatten informatie over de gezondheid, sociale situatie en leefstijl van de Nederlandse bevolking van negentien jaar en ouder. De Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012 en de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 zijn uitgevoerd door de GGD’en, CBS en RIVM. In 2012 en 2016 deden respectievelijk ruim 387.000 personen en 457.000 personen mee aan het grootschalige vragenlijstonderzoek. De Gezondheidsmonitor Jeugd 2015 bevat informatie over de gezondheid, sociale situatie en leefstijl van leerlingen in klas 2 en klas 4 van het voortgezet onderwijs. De Gezondheidsmonitor Jeugd is uitgevoerd door de GGD’en en RIVM. In totaal hebben bijna 97.000 leerlingen en 377 scholen deelgenomen aan deze monitor.

    Meer informatie over de Gezondheidsmonitors vind u hier. Bij het digitale loket Gezondheidsmonitors kunt u data of cijfers aanvragen uit de Gezondheidsmonitors voor onderzoek en beleid op zowel lokaal als landelijk niveau. Momenteel zijn de data en cijfers beschikbaar uit de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2012, Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 en uit de Gezondheidsmonitor Jeugd 2015. Heeft u vragen of wilt u graag meer informatie over de aanvraag van cijfers of data uit de Gezondheidsmonitors? Stuur dan een e-mail.

Methoden
  • Regionale verschillen: verschil in wijkcijfers

    Verschillende GGD’en hebben voor de Gezondheidsmonitor 2016 de steekproef opgehoogd om voldoende respondenten te hebben om cijfers op wijkniveau te kunnen presenteren. Omdat deze cijfers op een andere manier zijn berekend, kunnen ze afwijken van de cijfers die hier worden gepresenteerd. Niet alleen het onderliggende model is anders, ook het aantal achtergrondkenmerken dat wordt gebruikt verschilt; bij de RIVM schattingen wordt meer informatie over de bevolking gebruikt. Over het algemeen leiden de RIVM schattingen tot kleinere verschillen tussen gebieden dan de cijfers die verkregen zijn door middel van weegmethoden.

    Hieronder vindt u een lijstje van GGD'en met eigen wijkcijfers:

  • Regionale verschillen: Schattingen per wijk

    Aanleiding
    Vanwege de decentralisaties in het sociaal domein is steeds meer informatie nodig over gezondheid gerelateerde indicatoren op kleinere geografische niveaus. Daarom heeft het RIVM een model ontwikkeld om cijfers te kunnen berekenen op wijk- en buurtniveau op basis van de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen van GGD’en, CBS en RIVM. Ondanks dat de Gezondheidsmonitor een enorm databestand is, bevat het onvoldoende respondenten om met behulp van weegmethoden cijfers te berekenen voor alle wijken en buurten in Nederland. In 2012 zijn de eerste wijk- en buurtcijfers gepresenteerd. Op basis van de Gezondheidsmonitor 2016 zijn nieuwe cijfers berekend.

    Methode
    In het kader van de Gezondheidsmonitor zijn via vragenlijsten gegevens over gezondheid en leefstijl verzameld over volwassenen van 19 jaar en ouder. De ruim 457.000 deelnemers aan de Gezondheidsmonitor zijn anoniem in een beveiligde omgeving gekoppeld aan registratiebestanden van het CBS. Deze bestanden bevatten informatie over een reeks achtergrondkenmerken, zoals leeftijd, geslacht, herkomst, huishoudsamenstelling, opleidingsniveau, inkomen en woningtype. Er is een statistisch model gebruikt om de gezondheid en leefstijl te relateren aan deze achtergrondkenmerken. Ook wordt informatie uit de naastgelegen gebieden meegenomen. Door middel van deze relatie is het daarna mogelijk om voor alle volwassenen hun verwachte gezondheid en leefstijl te berekenen. De uitkomsten worden vervolgens gemiddeld over de betreffende wijk of buurt.

    Schattingen
    De cijfers op wijk- en buurtniveau moeten met voorzichtigheid worden gebruikt. Met het model wordt de werkelijkheid zo goed mogelijk benaderd, maar de cijfers blijven schattingen van de werkelijkheid. Daarom worden de uitkomsten ook als hele cijfers (dus zonder decimalen) gepresenteerd. 
    De cijfers uit de Gezondheidsmonitor die zijn verkregen met behulp van weegmethoden zijn echter ook een benadering van de werkelijkheid. De weging is nodig vanwege o.a. selectieve non-respons. Net zoals bij de berekeningen van de wijk- en buurtcijfers zijn de weegfactoren van het CBS ook gebaseerd op achtergrondkenmerken van de respondenten. 

    Verschil tussen cijfers
    Verschillende GGD’en hebben voor de Gezondheidsmonitor 2016 de steekproef opgehoogd om voldoende respondenten te hebben om cijfers op wijkniveau te kunnen presenteren. Omdat deze cijfers op een andere manier zijn berekend, kunnen ze afwijken van de cijfers die hier worden gepresenteerd. Niet alleen het onderliggende model is anders, ook het aantal achtergrondkenmerken dat wordt gebruikt verschilt; bij de RIVM schattingen wordt meer informatie over de bevolking gebruikt. Over het algemeen leiden de RIVM schattingen tot kleinere verschillen tussen gebieden dan de cijfers die verkregen zijn door middel van weegmethoden. 

    Let op: de gepresenteerde gemeentecijfers zijn berekend via de weegmethode van het CBS. De gepresenteerde wijk- en buurtcijfers zijn daardoor niet direct vergelijkbaar met deze gemeentecijfers.

    Grote aantallen nodig

    Voor het doen van dit soort schattingen zijn grote aantallen respondenten nodig. Het is dus niet zo dat het ontwikkelde model de Gezondheidsmonitors kan vervangen. Hoe meer respondenten er zijn, hoe minder er geschat hoeft te worden en hoe beter de cijfers zijn.

    Samenwerking
    De cijfers zijn berekend in het kader van het Strategisch Programma RIVM (SPR), een programma voor onderzoek, innovatie en kennisontwikkeling. Een werkgroep van epidemiologen van GGD’en en GGD GHOR NL is er bij betrokken. 

    Meer weten?
    Een uitgebreide toelichting op de gebruikte methode is beschreven in een artikel (van de Kassteele et al., 2017). Voor de cijfers van 2016 zijn enkele aanpassingen gedaan aan het model.

    Voor vragen kunt u contact opnemen met carolien.van.den.brink@rivm.nl.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. van de Kassteele J, Zwakhals L, Breugelmans O, Ameling C, van den Brink C. Estimating the prevalence of 26 health-related indicators at neighbourhood level in the Netherlands using structured additive regression. International Journal of Health Geographics. 2017;(1). Bron | DOI
  • Vragenlijsten om eenzaamheid te meten

    De eenzaamheidsschaal is de meest bekende vragenlijst over eenzaamheid

    De eenzaamheidsschaal die gebruikt is in VZinfo is de meest bekende Nederlandse vragenlijst om eenzaamheid te meten. Ook buiten Nederland gebruiken onderzoekers in meer dan twintig andere landen de eenzaamheidsschaal (Gierveld-de Jong & van Tilburg, 2007).
    De eenzaamheidsschaal bestaat uit 11 uitspraken over emotionele eenzaamheid en sociale eenzaamheid. Voorafgaand aan de uitspraken staat de vraag: 'Wilt u van elk van de volgende uitspraken aangeven in hoeverre die op u, zoals u de laatste tijd bent, van toepassing is?', met de toelichting 'U kunt antwoorden met nee, min of meer, ja'. Een uitspraak voor het meten van emotionele eenzaamheid is bijvoorbeeld ‘Ik mis een echte goede vriend of vriendin’. Sociale eenzaamheid wordt gemeten met onder andere de uitspraak: ‘Wanneer ik daar behoefte aan heb, kan ik altijd bij mijn vrienden terecht’.
    Iemand is sociaal of emotioneel eenzaam als diegene op minstens twee van de bijbehorende items ongunstig scoort. Iemand is eenzaam bij minstens drie ongunstige scores op alle items:

    Niet eenzaam: score 0-2
    Matig eenzaam: score 3-8
    Ernstig eenzaam: score 9-10
    Zeer ernstig eenzaam: score 11

    De vragenlijst is bedoeld voor onderzoek onder grote groepen mensen. Het is niet bekend of de eenzaamheidsschaal ook toepasbaar is voor het meten van eenzaamheid van afzonderlijke personen.


     

     

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. J Gierveld-de Jong J, van Tilburg T. Uitwerking en definitie van het begrip eenzaamheid. In: Zicht op eenzaamheid: achtergronden, oorzaken en aanpak. Assen: van Gorcum; 2007. 7. p. 7-14p. Bron