Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

DrugsverslavingPreventie & ZorgZorg

Cijfers & Context

14.000 probleemgebruikers van opiaten

Regionaal & Internationaal

Weinig probleemgebruikers vergeleken met EU

Kosten

Zorguitgaven drugs-, alcoholverslaving 820 miljoen

Preventie & Zorg

Ruim 30.000 mensen in de verslavingszorg

Aantal mensen in behandeling in verslavingszorg

Aantal cliënten in verslavingszorg naar primaire problematiek 2015

Primaire problematiek

Aantal

Cannabis

10.816

Opiaten

   9.093

Cocaïne

7.295

 Amfetamine

1.794

GHB

837

Slaap- en kalmeringsmiddelen

581

Ecstasy

122

Ruim 30 duizend mensen in behandeling wegens drugsprobleem

In 2015 hebben ruim 30 duizend mensen zich in de verslavingszorg laten behandelen wegens problemen met drugs of medicijnen. Van hen vormen cannabisgebruikers de grootste groep, gevolgd door opiaatgebruikers en cocaïnegebruikers. Het aandeel van amfetamine, GHB en ecstasy is gering (van Laar & van Ooyen-Houben, 2016). Het gaat om het aantal mensen waarbij het betreffende middel het primaire probleem vormt.

Meer informatie

 

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. van Laar MW, van Ooyen-Houben MMJ. Nationale Drug Monitor Jaarbericht 2016. Utrecht: Trimbos-instituut; 2016. Bron

Trend in aantal mensen in behandeling in verslavingszorg

Trend in aantal mensen in behandeling in verslavingszorg 2006-2015

Cliënten in verslavingszorg naar primaire en secundaire problematiek
JaarAmfetamine primairAmfetamine secundairCannabis primairCannabis secundairGHB primairGHB secundairCocaine primairCocaine secundairOpiaten primairOpiaten secundairEcstacy primairEcstacy secundair
200610827246156495387367488134681610188669
2007136083878565264604990667560131151809183592
20081473906884958221828195037657124921918162550
200915169829546590236010391327802122841770111419
201015629541065757685531408636768412315175695404
2011160194411246557569116683127934116832065117388
2012156077710650500377516779927200108862164125360
2013169871211359482679615582776766102022248123346
201418067431149047758051398069646396512145103340
201517947421081645018371677295613890932053122359
  • Primair = primaire problematiek
  • Secundair = secundaire problematiek

Stijging hulpvraag voor cannabis, daling voor opiaatgebruik

De hulpvraag voor opiaatgebruik is gedaald van bijna 13.500 in 2006 naar zo'n 9.000 in 2015, terwijl de hulpvraag voor cannabis fors is gestegen (van ruim 6.000 in 2006 naar bijna 11.000 in 2015. Wel is er vanaf 2011 sprake van een stabilisatie in de hulpvraag voor cannabis. In 2013 was het aandeel in de hulpvraag voor cannabis voor het eerst groter dan voor opiaten. De hulpvraag voor cocaïne nam toe tussen eind jaren negentig en 2008 en daalde tussen 2009 en 2015. De hulpvraag voor GHB steeg sterk tussen 2007 en 2012,en bleef daarna licht stijgen. De hulpvraag voor amfetamine is ook gestegen, terwijl de hulpvraag voor ecstasy is gedaald (van Laar & van Ooyen-Houben, 2016).

Mogelijk meer probleemgebruikers van cannabis of verbeterd hulpaanbod

De sterke toename in de hulpvraag van cannabisgebruikers bij de verslavingszorg zou kunnen wijzen op een toename in het aantal probleemgebruikers van cannabis. Er zijn echter ook andere verklaringen mogelijk, zoals een verbeterd hulpaanbod, sneller doorverwijzen door de eerste lijn en jeugdzorg, en groeiende bewustwording van de risico’s van cannabis, waardoor sneller hulp wordt gezocht (van Laar et al., 2012; Ouwehand et al., 2010; Ouwehand et al., 2011). Na 2012 is de hulpvraag voor cannabis min of meer gestabiliseerd. Dit kan een stabilisering in problematisch gebruik reflecteren, maar ook samenhangen met de (tijdelijke) invoering van een eigen bijdrage voor verslavingszorg, bezuinigingen, of een toename van anonieme e-health interventies, behandelingen in de eerste lijn of in de particuliere verslavingszorg (van Laar & van Ooyen-Houben, 2015).

Meer informatie 

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. van Laar MW, van Ooyen-Houben MMJ. Nationale Drug Monitor Jaarbericht 2016. Utrecht: Trimbos-instituut; 2016. Bron
  2. van Laar MW, Cruts AAN, van Ooyen-Houben MMJ, Meijer SA, Croes EA, Ketelaars APM. Nationale Drug Monitor. Jaarbericht 2011. Utrecht: Trimbos-instituut; 2012. Bron
  3. Ouwehand AW, Kuijpers WGT, Wisselink DJ, van Delden EB. Kerncijfers verslavingszorg 2009. LADIS, Landelijk alcohol en drugs informatie systeem. Houten: Stichting Informatie Voorziening Zorg (IVZ); 2010. Bron
  4. Ouwehand AW, Wisselink DJ, Kuijpers WGT, van Delden EB. Kerncijfers verslavingszorg 2010. Houten: Stichting Informatie Voorziening Zorg (IVZ); 2011. Bron
  5. van Laar MW, van Ooyen-Houben MMJ. Nationale Drug Monitor. Jaarbericht 2015. Utrecht: Trimbos-instituut; 2015. Bron

Aantal ziekenhuisopnamen voor drugsverslaving naar hoofddiagnose

Drugsverslaving bijna 2.500 keer per jaar hoofddiagnose

In 2014 werd drugsverslaving bij ziekenhuisopname 2.476 maal als hoofddiagnose gesteld. Hierbij ging het 146 keer om opiaten, 100 keer om cannabis, 150 keer om cocaïne en 339 keer om psychostimulantia (amfetaminen, ecstasy). 

Meer informatie 

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. van Laar MW, van Ooyen-Houben MMJ. Nationale Drug Monitor Jaarbericht 2016. Utrecht: Trimbos-instituut; 2016. Bron

Aantal ziekenhuisopnamen voor drugsverslaving naar nevendiagnose

Verslaving ruim 4.000 keer per jaar nevendiagnose bij ziekenhuisopname

Drugsverslaving speelt bij ziekenhuisopnamen vaker een rol als nevendiagnose dan als hoofddiagnose. In 2014 was drugsverslaving 4313 maal nevendiagnose: 1210 keer voor slaap- en kalmeringsmiddelen, 995 keer voor cannabis, 813 keer voor cocaïne, 906 keer voor opiaten en 388 keer voor psychostimulantia (van Laar & van Ooyen-Houben, 2016).

Meer informatie 

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. van Laar MW, van Ooyen-Houben MMJ. Nationale Drug Monitor Jaarbericht 2016. Utrecht: Trimbos-instituut; 2016. Bron

Verantwoording

Definities
  • Definities van drugs

    Onder drugs vallen:

    • Cannabis
    • Cocaïne
    • Clubdrugs (zoals ecstasy, amfetamine en GHB)
    • Hallucinerende middelen (zoals LSD, mescaline, PCP, paddo’s)
    • Opiaten (zoals heroïne, opium en buprenorfine)
    • Oplos- en snuifmiddelen (lijm, benzine)
    • Slaap- en kalmeringsmiddelen (zoals librium, valium, diazepam, oxazepam, seresta)
    • Stimulerende middelen (zoals amfetamine, efedrine, ritalin)
    • Pijnbestrijders (zoals codeïne, methadon, morfine)

    Verschil tussen softdrugs en harddrugs

    Cannabis (hasj en wiet/marihuana) en hallucinogene paddenstoelen staan bekend als ‘softdrugs’. Deze middelen staan op lijst II van de Opiumwet. Middelen zoals heroïne, cocaïne, amfetamine, LSD, XTC en GHB worden ‘harddrugs’ genoemd en staan op lijst I van de Opiumwet. Omdat deze middelen in de Opiumwet staan zijn ze illegaal. Middelen op lijst I zijn volgens de wet gevaarlijker dan middelen op lijst II. In de werkelijkheid is de grens tussen harddrugs en softdrugs niet zo gemakkelijk te trekken. Er zijn gebruikers van softdrugs die zoveel gebruiken dat het ‘hard’ gebruik genoemd zou kunnen worden. Het omgekeerde komt ook voor, hoewel ‘soft’ gebruiken van harddrugs voor de meeste mensen moeilijk vol te houden is.

  • Definities van drugsgebruik

    In dit onderwerp gebruiken we verschillende indicatoren. In navolging van de Nationale Drug Monitor geven we cijfers over problematisch gebruik van opiaten en cijfers over misbruik/schadelijk gebruik en verslaving volgens de internationale classificatiesystemen DSM en ICD.

    Schadelijk gebruik (harmful use): Schadelijk gebruik duidt erop dat er al lichamelijke of geestelijke schade is opgetreden (bijvoorbeeld een psychose, een spuitabces).

    Probleemgebruik van opiaten: Een problematisch opiatengebruiker is iemand die in de afgelopen maand op minimaal drie dagen in de week opiaten heeft gebruikt. Bij opiaten kan het gaan om heroïne, maar ook om methadon of buprenorfine (Cruts et al., 2013).  

    Misbruik (abuse): Er is een patroon van onaangepast gebruik van een middel waardoor er herhaaldelijk problemen op het werk, op school of thuis ontstaan, er herhaaldelijk problemen met politie of justitie ontstaan, er voortdurend problemen op sociaal of relationeel gebied ontstaan of waarbij het middel in situaties waarin dat gevaarlijk is of kan zijn, gebruikt wordt (autorijden). Er is geen sprake van verslaving.

    • ICD-9 code: 305.2-3, 305.5-7, 305.9 
    • ICD-10 code: F11-F12, F14-F16, F19:.1       
    • DSM-IV: 305.20-305.90

    Opiaten: Bij opiaten kan het gaan om heroïne, maar ook om methadon of buprenorfine.

    Overdosis: vergiftiging door een dodelijke hoeveelheid drugs. ICD-10 codes: F11-F12, F14-F16, F19, X42**, X41**, X62**, X61**, Y12**, Y11**  
    (** betekent in combinatie met de T-codes T40.0-9, T43.6).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Cruts G, van Laar MW, Buster M. Aantal en kenmerken van problematische opiatengebruikers in Nederland. Utrecht / Amsterdam: Trimbos-instituut / GGD; 2013. Bron
  • Definitie van drugsverslaving

    In Nederland vindt de classificatie van psychische stoornissen plaats met behulp van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders-5 (American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014). Wat betreft drugsverslaving zijn er in de DSM-5 criteria opgenomen voor stoornissen in het gebruik van verschillende soorten drugs. Zo zijn criteria opgenomen voor stoornissen in het gebruik van cannabis, hallucinogenen, inhalantia, opioïden, bewustzijnsverlagende en angstverminderende middelen en stimulerende middelen. De gemeenschappelijke criteria van de stoornissen in het gebruik van deze middelen staan hieronder. Daarnaast is een bijkomend symptoom wat bij verslaving aan sommige, maar niet alle middelen voorkomt het optreden van onthoudingsverschijnselen. 

    Criteria ter classificatie drugsverslaving 

    A Een problematisch patroon van het middel dat leidt tot hevige beperkingen of lijden, zoals blijkt uit twee of meer van de volgende symptomen, die binnen een periode van een jaar optreden:
    1 Het middel wordt gebruikt in grotere hoeveelheden of langduriger dan de bedoeling was
    2 Een sterke wens of vergeefse pogingen om het drugsgebruik te verminderen en in de hand te houden
    3 Er wordt veel tijd besteed aan activiteiten die nodig zijn om het middel te komen, het middel te gebruiken, of te herstellen van de effecten ervan
    4 Hunkering, of een sterke wens of drang tot drugsgebruik
    5 Terugkerend drugsgebruik, met als gevolg dat belangrijke verplichtingen niet worden nagekomen
    6 Aanhoudend drugsgebruik ondanks problemen die veroorzaakt of verergerd worden door de effecten van het middel
    7 Belangrijke activiteiten zijn opgegeven of verminderd vanwege het drugsgebruik
    8 Terugkerend drugsgebruik in situaties waarin dit fysiek gevaar oplevert
    9 Het drugsgebruik wordt voortgezet ondanks weet te hebben dat een lichamelijk of psychisch probleem wordt veroorzaakt of verergerd door het middel
    10 Grotere hoeveelheden nodig hebben om hetzelfde effect te bereiken (tolerantie)

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. Diagnostic and statistical manual of mental disorders: DSM-5. Washington, D.C.: American Psychiatric Publishing; 2014. Bron
  • Verandering in classificatiesysteem voor psychische stoornissen

    In 2013 is het vernieuwde handboek voor de classificatie van psychische stoornissen (DSM-5) uitgegeven en is een overgang in gang gezet naar het werken met dit classificatiesysteem. Vanaf januari 2017 is de DSM-5 in gebruik genomen en is deze versie het nieuwe uitgangspunt bij de beoordeling of er sprake is van een psychische stoornis. Vóór de uitgave van de DSM-5 werd gebruik gemaakt van de oudere versie, de DSM-IV. Om deze reden is veel onderzoek naar psychische stoornissen nog gebaseerd op DSM-IV. In VZinfo zijn de diagnoses van drugsverslaving in de meeste gevallen nog gesteld op basis van de criteria van de DSM-IV. Er zijn een aantal verschillen tussen de criteria van drugsverslaving in de DSM-5 en die in de DSM-IV. In de DSM-5 wordt geen onderscheid meer gemaakt wordt tussen drugsmisbruik en drugsafhankelijkheid. Dit waren in de DSM-IV afzonderlijke diagnoses, maar deze zijn in de DSM-5 samengenomen als ‘stoornis in het drugsgebruik’. In VZinfo duiden we dit aan met 'drugsverslaving'. Andere veranderingen zijn het toevoegen van het nieuwe criterium ‘hunkering’ en het vaststellen van het minimum aantal benodigde criteria op twee. In Amerikaans onderzoek waarin het stellen van diagnoses met de DSM-IV en DSM-5 met elkaar is vergeleken, worden kleine verschillen gevonden in prevalentie. Met de DSM-5 wordt een iets hogere prevalentie van drugsverslaving gevonden dan met de DSM-IV (Goldstein et al., 2015). Het stellen van diagnoses volgens de DSM-5 heeft mogelijk gevolgen voor nieuwe cijfers over het vóórkomen van drugsverslaving in Nederland.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Goldstein RB, S Chou P, Smith SM, Jung J, Zhang H, Saha TD, et al. Nosologic Comparisons of DSM-IV and DSM-5 Alcohol and Drug Use Disorders: Results From the National Epidemiologic Survey on Alcohol and Related Conditions-III. J Stud Alcohol Drugs. 2015;76(3):378-88. Bron | Pubmed
Bronverantwoording
  • Tabel: Bronnen bij de cijfers over drugsverslaving

    Bron Indicator in VZinfo Gepresenteerde populatie VZinfo Meer informatie
    Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study-2 (NEMESIS-2) Jaarprevalentie drugsafhankelijkheid en -misbruik op basis van DSM-IV Nederlandse bevolking van 18-65 jaar NEMESIS-2,  de Graaf et al., 2010
    CBS Doodsoorzakenstatistiek Aantal overledenen door overdosis drugs Nederlandse bevolking CBS Doodsoorzakenstatistiek, Nationale Drug Monitor (van Laar & van Ooyen-Houben, 2014van Laar & van Ooyen-Houben, 2015)
    Landelijk Alcohol en Drugs Informatie Systeem (LADIS) Aantal ingeschreven cliënten in de verslavingszorg  met drugs als primair probleem Nederlandse bevolking LADIS, Nationale Drug Monitor (van Laar & van Ooyen-Houben, 2016)
    Kosten van Ziektenstudie Kosten van zorg voor afhankelijkheid van drugs en alcohol Nederlandse bevolking Kosten van Ziekten
    Landelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg (LBZ, voormalig LMR) Ziekenhuisopname voor drugsafhankelijkheid en -misbruik Nederlandse bevolking LBZ, Nationale Drug Monitor (van Laar & van Ooyen-Houben, 2014van Laar & van Ooyen-Houben, 2016)
    European Monitoring Centre for Drugs and Drug Addiction (EMCDDA) Relatieve sterfte door overdosis drugs Europese bevolking van 15-64 jaar  EMCDDA, 2011EMCDDA, 2014

     

     

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. EMCDDA. Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving. Jaarverslag 2011. Stand van de drugs problematiek in Europa. Lissabon: Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving; 2011. Bron
    2. EMCDDA. Europees Drugs Rapport. Trends en ontwikkelingen 2014. Lissabon: Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving; 2014. Bron