Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

Diabetes mellitusCijfers & ContextOorzaken en gevolgen

Cijfers & Context

Grote toename diabetespatiënten laatste 20 jaar

Regionaal & Internationaal

Prevalentie in NL gelijk aan prevalentie in EU

Kosten

Kosten van zorg bijna 1,6 miljard euro in 2015

Preventie & Zorg

Gemiddelde opnameduur in ziekenhuis 8,3 dagen

Oorzaken diabetes type 1

Type 1 diabetes door afbraak insuline-producerende cellen

Type 1 diabetes mellitus ontstaat als gevolg van de afbraak en het verlies van insuline-producerende cellen (bèta-cellen) van de alvleesklier (pancreas), waardoor een absoluut tekort van het hormoon insuline ontstaat. Vaak zijn er nog wel wat functionerende bèta-cellen over, maar de kleine hoeveelheid insuline die zij produceren is onvoldoende (Oram et al., 2014). Het immuunsysteem beschadigt de lichaamseigen bèta-cellen. Type 1 diabetes wordt daarom als een auto-immuunziekte beschouwd. De beschadiging wordt veroorzaakt door interacties tussen genetische en omgevingsfactoren (Pociot & Lernmark, 2016). Type 1 diabetes ontstaat in korte tijd en het meest frequent bij kinderen tussen 5 jaar en de puberteit. Ook bij volwassenen kan type 1 diabetes ontstaan. Bij volwassenen is het beloop minder acuut en is insuline soms niet direct nodig. 

Genen en omgevingsfactoren

Op elke lichaamscel is een eiwit met antigenen aanwezig. Deze antigenen helpen het immuunsysteem om lichaamseigen cellen te kunnen onderscheiden van niet-lichaamseigen cellen. Bij diabetes type 1 zorgt een combinatie van de aanwezige genen voor het ontstaan van afwijkende typen eiwitten en antigenen op de bèta-cellen. Het immuunssteem herkent de bèta-cellen niet als lichaamseigen, en gaat antistoffen vormen die tot de afbraak van de bèta-cellen leiden (Pociot & Lernmark, 2016). De omgeving kan echter ook een rol spelen in het ontstaan van diabetes type 1, zoals bepaalde virussen, voeding en de darmflora. Het verband tussen omgeving en diabetes type 1 wordt niet altijd even sterk gevonden (Butalia et al., 2016). 

 

Datum publicatie

15-05-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Oram RA, Jones AG, Besser REJ, Knight BA, Shields BM, Brown RJ, et al. The majority of patients with long-duration type 1 diabetes are insulin microsecretors and have functioning beta cells. Diabetologia. 2014;57(1):187-191. Bron | DOI
  2. Pociot F, Lernmark Å. Genetic risk factors for type 1 diabetes. The Lancet. 2016;387(10035):2331-2339. Bron | DOI
  3. Butalia S, Kaplan GG, Khokhar B, Rabi DM. Environmental Risk Factors and Type 1 Diabetes: Past, Present, and Future. Canadian Journal of Diabetes. 2016;40(6):586-593. Bron | DOI

Oorzaken diabetes type 2

Risicofactoren diabetes type 2

Risicofactoren  
Persoonsgebonden factoren
Genetische factoren Diverse genen, deels onbekend welke
Familiegeschiedenis Hoger risico bij 1e graads familielid met diabetes
Etniciteit Hoger risico in bepaalde etnische groepen
Overgewicht
Leefstijlfactoren
Beweeggedrag Lichamelijke inactiviteit
Voeding
  • Teveel verzadigd vet
  • Onvoldoende voedingsvezels
  • Bewerkt vlees
Roken  
Slaapduur Zie: Slapen

 

Type 2 diabetes kent twee verschillende oorzaken

Type 2 diabetes mellitus ontstaat als gevolg van stoornissen in de afscheiding van insuline en/of het niet optimaal benutten van de aanwezige insuline door weefsels door ongevoeligheid voor insuline (insulineresistentie). Dit leidt tot een relatief tekort aan insuline. Hierdoor ontstaat op den duur een te hoog glucosegehalte in het bloed (Zheng et al., 2017). Bij het ontstaan van diabetes type 2 spelen genetische en omgevingsfactoren een rol. Waar bij diabetes type 1 genetische factoren de grootste rol spelen in het ontstaan van de ziekte, zijn het bij diabetes type 2 met name de omgevingsfactoren. De genetische aanleg is wel altijd aanwezig, maar vaak ontstaat diabetes type 2 pas na interactie met omgevingsfactoren (Zheng et al., 2017). Veel mensen met diabetes type 2 hebben meerdere risicofactoren tegelijk. Interacties tussen risicofactoren spelen een rol bij het geleidelijk opbouwen van ongevoeligheid voor insuline (insulineresistentie) en bijbehorende hoge glucosegehalten in het bloed.

Genetische factoren

De genen die van invloed zijn op het ontstaan van type 2 diabetes spelen veelal een rol bij de vorming en het functioneren van bèta-cellen in de alvleesklier, maar zijn ook van invloed op 'nuchtere' glucosegehalten en het ontstaan van overgewicht. De bekende betrokken genetische variaties kunnen echter slechts 20% van het totale genetische risico op diabetes type 2 verklaren (Zheng et al., 2017).
Het risico op het ontwikkelen van diabetes type 2 is groter wanneer familieleden ook diabetes type 2 hebben. Wanneer één van beide ouders diabetes type 2 heeft, is dit risico 40%, en voor beide ouders zelfs 70%. Obesitas, een grote risicofactor voor diabetes type 2, speelt een rol bij de erfelijkheid van diabetes type 2 (Ali, 2013).

Verschillende leefstijlfactoren van invloed op ontstaan diabetes type 2

Verschillende leefstijlfactoren zijn risicofactoren voor diabetes type 2. Overgewicht is één van de grootste risicofactoren. Het risico op diabetes type 2 wordt groter naarmate het overgewicht toeneemt, maar ook naarmate het overgewicht langer duurt (Hu et al., 2014). De belangrijkste risicofactor voor diabetes type 2 is echter de hoeveelheid buikvet (Zheng et al., 2017). Het verband tussen overgewicht en/of te veel buikvet en diabetes type 2 wordt deels verklaard door vrije vetzuren die de bèta-cellen kunnen aantasten (Murea et al., 2012).
Andere leefstijlfactoren die van invloed zijn op het ontwikkelen van diabetes type 2 zijn: lichamelijke inactiviteit, ongezonde voeding (te veel verzadigd vet en onvoldoende voedingsvezels), roken en het eten van bewerkt vlees. Matig gebruik van alcohol lijkt daarentegen het risico op diabetes te verminderen (Zheng et al., 2017). Ook slaapduur kan invloed hebben op het ontwikkelen van diabetes type 2. Zowel te kort als te lang slapen wordt geassocieerd met een verhoogd risico op diabetes type 2 (Shan et al., 2015).

Zwangerschapsdiabetes risicofactor voor moeder en kind

Vrouwen die ooit zwangerschapsdiabetes hebben gehad hebben een hoger risico op het krijgen van type 2 diabetes later in het leven (Zheng et al., 2017). Ook kinderen van wie de moeder zwangerschapsdiabetes had, hebben een verhoogd risico op het ontwikkelen van diabetes type 2, net als kinderen met een hoog (meer dan 4.500 gram) of laag (minder dan 2.500 gram) geboortegewicht (Zheng et al., 2017).

 

 

Datum publicatie

15-05-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Zheng Y, Ley SH, Hu FB. Global aetiology and epidemiology of type 2 diabetes mellitus and its complications. Nature Reviews Endocrinology. 2017;14(2):88-98. Bron | DOI
  2. Ali O. Genetics of type 2 diabetes. World Journal of Diabetes. 2013;4(4):114. Bron | DOI
  3. Hu Y, Bhupathiraju SN, de Koning L, Hu FB. Duration of obesity and overweight and risk of type 2 diabetes among US women. Obesity. 2014;22(10):2267-2273. Bron | DOI
  4. Murea M, Ma L, Freedman BI. Genetic and environmental factors associated with type 2 diabetes and diabetic vascular complications. The Review of Diabetic Studies. 2012;9(1):6-22. Bron | DOI
  5. Shan Z, Ma H, Xie M, Yan P, Guo Y, Bao W, et al. Sleep Duration and Risk of Type 2 Diabetes: A Meta-analysis of Prospective Studies. Diabetes Care. 2015;38(3):529-537. Bron | DOI

Oorzaken zwangerschapsdiabetes

Verminderde gevoeligheid voor insuline tijdens zwangerschap

Tijdens de zwangerschap wordt onder invloed van zwangerschapshormonen de gevoeligheid van de cellen voor insuline minder. Normaal gesproken wordt deze verminderde gevoeligheid gecompenseerd door een hogere productie van insuline door de bèta-cellen. Als deze compensatie onvoldoende is, gaat het bloedglucosegehalte omhoog en is er sprake van zwangerschapsdiabetes (Kampmann, 2015).

Experts en redactie

Datum publicatie

15-05-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Kampmann U. Gestational diabetes: A clinical update. World Journal of Diabetes. 2015;6(8):1065. Bron | DOI

Gevolgen diabetes

Te lage en te hoge bloedglucosewaarden veroorzaken klachten

De last die mensen ervaren van diabetesgerelateerde ziekteverschijnselen hangt deels samen met te lage of te hoge bloedglucosewaarden. Lage bloedglucosewaarden (hypoglycaemie) gaan gepaard met ziekteverschijnselen en/of klachten zoals honger, zweten, hartkloppingen, tintelingen in handen, wazig of dubbelzien, hoofdpijn en een wisselend humeur. Extreem lage bloedglucosewaarden kunnen zelfs leiden tot een coma. Hoge bloedglucosewaarden (hyperglycaemie) veroorzaken klachten zoals dorst, veel plassen, vermoeidheid en infecties, vooral aan de urinewegen (Bilo et al., 2013).

Datum publicatie

15-05-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Bilo HJG, de WJCGra, Houweling ST, Janssen PHG, van der FALaar, Nijpels G, et al. NHG-Standaard Diabtes Mellitus type 2.; 2013. Bron

Gevolgen diabetes type 1

Vaak complicaties bij type 1 diabetes

Mensen met type 1 diabetes moeten dagelijks verschillende keren insuline spuiten om de bloedglucose laag genoeg te houden. Zonder toediening van insuline kunnen levensbedreigende situaties optreden. Langdurige blootstelling aan verhoogde bloedglucose leidt tot complicaties van de grote en kleine bloedvaten (macro- en microvasculaire complicaties). Hart- en vaatziekten zijn veel voorkomende macrovasculaire complicaties. De kans op het krijgen van complicaties als gevolg van doorbloedingsstoornissen in het hart (hartinfarct), hersenen (beroerte) en ledematen (pijn bij lopen) is bij type 1 diabetes tien maal zo groot als bij mensen zonder diabetes. Ook microvasculaire complicaties als gevolg van schade aan de kleine bloedvaatjes (micro-angiopathie) van de ogen (diabetische retinopathie, blindheid), nieren (nefropathie) en zenuwen (neuropathie) treden vaak op. De mate waarin deze complicaties optreden is afhankelijk van de duur van de diabetes mellitus en de kwaliteit van de bloedsuikerregulatie (Atkinson et al., 2014).

Zie ook: Sterfte diabetes

Datum publicatie

15-05-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Atkinson MA, Eisenbarth GS, Michels AW. Type 1 diabetes. The Lancet. 2014;383(9911):69-82. Bron | DOI

Gevolgen diabetes type 2

Ook bij type 2 diabetes vaak complicaties

Net als bij type 1 diabetes treden ook bij type 2 diabetes door schade aan bloedvaten en zenuwweefsel op den duur vaak macro- en microvasculaire complicaties op, zoals hart- en vaatziekten (hartinfarct, beroerte, doorbloedingsstoornissen van de benen), diabetische retinopathie, blindheid, nierziekten en gevoelloosheid en/of pijn in de ledematen (Zheng et al., 2017). Ook verhoogt diabetes type 2 de kans op sommige kankersoorten, zoals lever-, alvleesklier- en baarmoederhalskanker, en hangt het samen met een verminderde cognitieve functie en psychische stoornissen (Zheng et al., 2017). 

Bij prediabetes al complicaties

Type 2 diabetes ontstaat vaak geleidelijk door steeds stijgende glucosewaarden. Wanneer de glucosewaarden verhoogd zijn, maar nog niet zo hoog dat diabetes gediagnosticeerd wordt, noem je dit prediabetes. Prediabetes is dus een voorstadium van diabetes type 2. Bij prediabetes zijn er niet altijd klachten aanwezig, maar de hogere glucosewaarden kunnen al wel voor micro- en/of macrovasculaire complicaties zorgen (Perreault & Færch, 2014).

Zie ook: Sterfte diabetes

Datum publicatie

15-05-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Zheng Y, Ley SH, Hu FB. Global aetiology and epidemiology of type 2 diabetes mellitus and its complications. Nature Reviews Endocrinology. 2017;14(2):88-98. Bron | DOI
  2. Perreault L, Færch K. Approaching Pre-diabetes. Journal of Diabetes and its Complications. 2014;28(2):226-233. Bron | DOI

Gevolgen zwangerschapsdiabetes

Zwangerschapsdiabetes geeft een verhoogd risico op complicaties

Zwangerschapsdiabetes kan leiden tot een verhoogd risico op het krijgen van een zware baby (macrosomie) en complicaties rondom de bevalling. Er is een licht verhoogd risico op het overlijden van de baby (met name als de zwangerschapsdiabetes niet ontdekt wordt), zwangerschapsvergiftiging en een keizersnede. Het verhoogde bloedglucosegehalte van de moeder leidt vaak tot een sterk toegenomen groei van de baby, die daardoor bij de geboorte meer dan 4-4,5 kg kan wegen. De complicaties rondom de geboorte zijn vooral gerelateerd aan de grootte van het kind, zoals een verhoogde kans op een fractuur van het sleutelbeen of schouderblad van de baby tijdens de geboorte. Het kind heeft daarnaast een hogere kans om later diabetes type 2 te ontwikkelen (KC et al., 2015Kampmann, 2015). Meestal daalt het bloedglucosegehalte van de moeder snel na de bevalling. Vrouwen die ooit zwangerschapsdiabetes hebben gehad, hebben wel een hoger risico op het ontwikkelen van type 2 diabetes later in het leven (Zheng et al., 2017). 

Experts en redactie

Datum publicatie

15-05-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. KC K, Shakya S, Zhang H. Gestational Diabetes Mellitus and Macrosomia: A Literature Review. Annals of Nutrition and Metabolism. 2015;66(2):14-20. Bron | DOI
  2. Kampmann U. Gestational diabetes: A clinical update. World Journal of Diabetes. 2015;6(8):1065. Bron | DOI
  3. Zheng Y, Ley SH, Hu FB. Global aetiology and epidemiology of type 2 diabetes mellitus and its complications. Nature Reviews Endocrinology. 2017;14(2):88-98. Bron | DOI

Kwaliteit van leven diabetes

Bloedglucosewaarden beïnvloeden kwaliteit van leven

Diabetes vermindert de kwaliteit van leven van patiënten. De last die mensen ervaren van diabetesgerelateerde ziekteverschijnselen hangt deels samen met bloedglucosewaarden (Bilo et al., 2013). Mensen met diabetes kunnen angstig zijn voor te hoge of te lage waarden en de bijbehorende complicaties (Trikkalinou et al., 2017). 

Kwaliteit van leven hangt samen met andere aandoeningen

De kwaliteit van leven van mensen met diabetes daalt echter het meest door de aanwezigheid van comorbiditeit. Het aantal en de ernst van de aandoeningen bepaalt sterk de kwaliteit van leven. Comorbiditeit komt vaak voor bij mensen met diabetes. Met name hart- en vaatziekten, overgewicht en psychische stoornissen zorgen voor een sterke afname in kwaliteit van leven bij diabetespatiënten (Trikkalinou et al., 2017). 

Datum publicatie

15-05-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Bilo HJG, de WJCGra, Houweling ST, Janssen PHG, van der FALaar, Nijpels G, et al. NHG-Standaard Diabtes Mellitus type 2.; 2013. Bron
  2. Trikkalinou A, Papazafiropoulou AK, Melidonis A. Type 2 diabetes and quality of life. World Journal of Diabetes. 2017;8(4):120. Bron | DOI

Verantwoording

Definities
  • Wat is diabetes mellitus?

    Diabetes mellitus, ofwel suikerziekte, is een chronische stofwisselingsziekte die gepaard gaat met een te hoog glucosegehalte in het bloed. Bij diabetes mellitus is het lichaam niet meer in staat om glucose goed te verwerken. Dat komt omdat er te weinig of geen insuline wordt aangemaakt of omdat het lichaam ongevoelig is geworden voor de insuline. Insuline is nodig voor het transport van glucose uit het bloed naar de lichaamsweefsels. Bij geen of onvoldoende insuline heeft het lichaam moeite om de glucose uit het bloed te krijgen en stijgen de bloedglucosewaarden. Hierdoor ontstaan allerlei klachten en uiteindelijk complicaties van hart en vaten, ogen, nieren en zenuwen.

  • Diabetes type 1 en type 2 meest voorkomende vormen van diabetes

    De twee meest voorkomende vormen van diabetes mellitus met elk een eigen oorzaak zijn type 1 en type 2 diabetes. Zwangerschapsdiabetes kan als een aparte categorie aangeduid worden. Deze categorie wordt overigens ook beschouwd als een risicofactor voor type 2 diabetes. Vanwege de stijgende incidentie wereldwijd van deze vorm van diabetes, komt ook zwangerschapsdiabetes op VZinfo aan de orde.

  • Ziekteverschijnselen van diabetes

    Type 1

    De eerste tekenen van type 1 diabetes zijn veel drinken, vaak urineren en vermageren gedurende enkele weken. Type 1 diabetes kan ook geconstateerd worden naar aanleiding van een sterk verhoogd glucosegehalte in het bloed en de daarbij behorende verzuring van het bloed (keto-acidose).

    Type 2

    Type 2 diabetes ontstaat geleidelijker dan type 1 diabetes en de eerste klachten zijn vaak vaag. Daardoor wordt de diabetes vaak pas na jaren herkend en gediagnosticeerd. Deze klachten zijn veel drinken, veel eten, vaak urineren, moeheid en duizeligheid.

    Zwangerschapsdiabetes

    De eerste symptomen van zwangerschapsdiabetes zijn hetzelfde als van type 2 diabetes: veel dorst en vaak moeten plassen. Soms is er sprake van een versnelde groei van het ongeboren kind (begin van macrosomie: het gewicht van de pasgeborene is te hoog voor de duur van de zwangerschap). Versnelde groei is een indicatie voor een orale glucosetolerantietest (OGTT).

  • Behandeling van diabetes

    Prediabetes

    De kans dat mensen met prediabetes diabetes ontwikkelen is hoog, maar het is in principe mogelijk om die kans met preventieve maatregelen, zoals leefstijlinterventies, te verlagen en het ontstaan van diabetes uit te stellen of te voorkomen.

    Type 2

    Bij patiënten met type 2 diabetes en overgewicht is het soms mogelijk door middel van gewichtsreductie een verbetering te bewerkstelligen. Die verbetering wordt afgemeten aan een daling van het bloedglucosegehalte. Deze personen zullen echter ondanks het (tijdelijk) herstel in zekere mate bij de huisarts onder controle blijven. Als afvallen niet lukt of het bloedglucosegehalte onvoldoende daalt, wordt de behandeling uitgebreid met medicatie, meestal pillen, om de bloedglucose te verlagen. Bij een deel van de patiënten met type 2 diabetes is uiteindelijk ook behandeling met insuline nodig om de bloedglucose voldoende te verlagen.

    Zwangerschapsdiabetes

    De behandeling van zwangerschapsdiabetes bestaat uit leefstijladviezen of medicatie zoals insuline, afhankelijk van het bloedglucosegehalte en de daling na behandeling (Waugh et al., 2010; NVOG, 2010). Glucoseverlagende pillen worden meestal pas vanaf het tweede trimester van de zwangerschap voorgeschreven (NVOG, 2010).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Waugh N, Royle P, Clar C, Henderson R, Cummins E, Hadden D, et al. Screening for hyperglycaemia in pregnancy: a rapid update for the National Screening Committee. Health Technol Assess. 2010;14(45):1-183. Pubmed | DOI
    2. NVOG. Diabetes Mellitus en Zwangerschap. Versie 2.0. Utrecht: Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie; 2010. Bron
  • Gebruiker geneesmiddelen

    Een gebruiker is in de GIP databank gedefinieerd als een patiënt die gedurende een kalenderjaar minstens één voorschrift voor het betreffende geneesmiddel heeft ontvangen. Omdat iemand in een jaar verschillende geneesmiddelen kan gebruiken, kunnen gebruikersaantallen niet zomaar worden opgeteld. Een patiënt die een voorschrift voor zowel simvastatine als atorvastatine heeft ontvangen, telt mee als gebruiker van simvastatine én als gebruiker van atorvastatine; op het niveau van de cholesterolverlagers telt hij maar eenmaal mee.

  • Standaarddagdosering (DDD)

    Het aantal gebruikers zegt niets over de gebruikte hoeveelheid van geneesmiddelen: de hoeveelheid geneesmiddelen kan per gebruiker variëren. Voor het meten en vergelijken van de gebruikte hoeveelheid wordt daarom gebruik gemaakt van het aantal standaarddagdoseringen. Een standaarddagdosering (DDD, Defined Daily Dose) is de hoeveelheid werkzame stof die een volwassene per dag krijgt voor de onderhoudsbehandeling van een ziekte of een aandoening. De standaarddagdosering wordt jaarlijks vastgesteld door het Collaborating Centre for Drug Statistics Methodology.  

  • ATC-codes

    Het classificatiesysteem van de World Health Organization deelt een geneesmiddel in door aan elke werkzame stof of combinaties daarvan een eigen code toe te kennen. Het antidepressivum Fluoxetine (Merknaam: Prozac®) heeft bijvoorbeeld de ATC-code: N 06 AB 03. De eerste letter (N) staat voor de anatomische hoofdgroep, in dit geval die van het zenuwstelsel (Nervous system). In combinatie met het tweecijferige getal (06) achter de N ontstaat de code voor de therapeutische subgroep. N06 is de code voor de therapeutische subgroep van de psychoanaleptica. De tweede letter (A) staat voor de farmacologische subgroep, de farmacologische subgroep N06A is die van de antidepressiva. In combinatie met de derde letter (B) onstaat de code voor de chemische subgroep. N06AB is de code voor de chemische subgroep van selectieve serotonine heropnameremmers (SSRI's). Het laatste getal staat uiteindelijk voor de specifieke werkzame stof binnen de chemische subgroep. In dit geval dus fluoxetine. Op de GIP databank wordt het ATC-classificatiesysteem gebruikt dat door de WHO is vastgesteld in het meest recente rapportagejaar. Deze indeling is toegepast op alle voorgaande jaren, zodat de gegevens over alle jaren op dezelfde wijze zijn geclassificeerd.

     

    Geneesmiddelgroep

    ATC-codes

    Maagmiddelen

    A02BA01, A02BA02, A02BA03, A02BA04, A02BB01, A02BC01, A02BC02, A02BC03, A02BC04, A02BC05, A02BD04, A02BX02, A02BX05

    Cholesterolverlagers

    C10AA01, C10AA03, C10AA04, C10AA05, C10AA07, C10AB02, C10AB04, C10AB08, C10AC01, C10AC04, C10AD06, C10AX09, C10AX12, C10AX13, C10AX14, C10BA02, C10BA05

    Diabetesmiddelen totaal

    A10AB01, A10AB04, A10AB05, A10AB06, A10AC01, A10AD01, A10AD04, A10AD05, A10AD06, A10AE, A10AE04, A10AE05, A10AE06, A10AE56, A10BA02, A10BB01, A10BB03, A10BB09, A10BB12, A10BD02, 10BD05, A10BD07, A10BD08, A10BD10, A10BD11, A10BD15, A10BD16, A10BD20, A10BF01, A10BG03, A10BH01, A10BH02, A10BH03, A10BH05, A10BJ01, A10BJ02, A10BJ03, A10BJ05, A10BK01, A10BK02, A10BK03, A10BX02

    Diabetesmiddelen, oraal

    A10BA02, A10BB01, A10BB03, A10BB09, A10BB12, A10BD02, 10BD05, A10BD07, A10BD08, A10BD10, A10BD11, A10BD15, A10BD16, A10BD20, A10BF01, A10BG03, A10BH01, A10BH02, A10BH03, A10BH05, A10BJ01, A10BJ02, A10BJ03, A10BJ05, A10BK01, A10BK02, A10BK03, A10BX02

    Diabetesmiddelen, insuline

    A10AB01, A10AB04, A10AB05, A10AB06, A10AC01, A10AD01, A10AD04, A10AD05, A10AD06, A10AE, A10AE04, A10AE05, A10AE06, A10AE56

    Astma- en COPD-middelen

    R03AC02, R03AC03, R03AC12, R03AC13, R03AC18, R03AC19, R03AK06, R03AK07, R03AK08, R03AK10, R03AK11, R03AK12, R03AL, R03AL01, R03AL02, R03AL03, R03AL04, R03AL05, R03AL06, R03BA01, R03BA02, R03BA05, R03BA08, R03BB01, R03BB04, R03BB05, R03BB06, R03BB07, R03BC01, R03BC03, R03CC02, R03DA04, R03DC03, R05CB13

    Antidepressiva

    N06AA02, N06AA04, N06AA09, N06AA10, N06AA12, N06AA16, N06AA21, N06AB03, N06AB04, N06AB05, N06AB06, N06AB08, N06AB10, N06AF03, N06AF04, N06AG02, N06AX03, N06AX05, N06AX11, N06AX12, N06AX16, N06AX21, N06AX22, N06AX26

    Antipsychotica

    N05AA01, N05AB02, N05AB03, N05AC01, N05AD01, N05AD05, N05AD06, N05AD08, N05AE03, N05AE05, N05AF01, N05AF03, N05AF05, N05AG01, N05AG02, N05AG03, N05AH02, N05AH03, N05AH04, N05AL01, N05AL03, N05AN01, N05AX08, N05AX12, N05AX13

    Slaap- en kalmeringsmiddelen

    N05BA01, N05BA02, N05BA04, N05BA05, N05BA06, N05BA08, N05BA09, N05BA11, N05BA12, N05CD01, N05CD02, N05CD03, N05CD06, N05CD07, N05CD08, N05CD09, N05CD11, N05CF01, N05CF02

    ADHD-middelen

    N06BA02, N06BA04, N06BA09

Bronverantwoording
  • Tabel: Bronnen bij de cijfers over diabetes mellitus

    Bron Indicator in VZinfo Gepresenteerde populatie VZinfo Meer informatie
    Nivel Zorgregistraties eerste lijn

    Jaarprevalentie; Aantal nieuwe gevallen

    Nederlandse bevolking NZR
    FaMe-net

    Jaarprevalentie; Aantal nieuwe gevallen; Aandeel diabetes 1 van totaal

    Nederlandse bevolking FaMe-net 
    RNH-Limburg Jaarprevalentie; Aantal nieuwe gevallen Nederlandse bevolking RNH-Limburg
    Nederland de Maat genomen

    Niet-gediagnosticeerde patiënten

    Nederlandse bevolking van 30 tot 70 jaar Nederland de Maat genomen
    Gezondheidsenquête, voorheen POLS, gezondheid en welzijn

    Prevalentie (zelfgerapporteerd)

    Nederlandse bevolking vanaf 25 jaar Gezondheidsenquête
    Gezondheidsmonitor Volwassenen GGD-en, CBS en RIVM

    Prevalentie (zelfgerapporteerd)

    Nederlandse bevolking vanaf 25 jaar Gezondheidsmonitor GGD'en, CBS en RIVM
    CBS Doodsoorzakenstatistiek

    Aantal sterfgevallen

    Nederlandse bevolking CBS Doodsoorzakenstatistiek
    Landelijke Medische Registratie (LMR)

    Klinische opnamedagen; Klinische opnamen; Gemiddelde opnameduur
    met Diabetes als hoofdontslagdiagnose

    Nederlandse bevolking LMR
    Kosten van Ziektenstudie Kosten van zorg voor diabetes Nederlandse bevolking Kosten van Ziekten database
    GIP-databank Gebruikers diabetes middelen Nederlandse verzekerden volgens de Zorgverzekringswet GIP-databank
    FIS & BASIC Gebruikers diabetes middelen Nederlandse bevolking FIS & BASIC
    ECHIM Prevalentie Europese bevolking vanaf 15 jaar Thelen et al., 2012

     

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Thelen J, Kirsch NH, Finger J, von der Lippe E, Ryl L. ECHIM Pilot Data Collection, Analyses and Dissemination. Berlin: Robert Koch Institute; 2012. Bron
Methoden
  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.