Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

DementieCijfers & ContextTrends

Cijfers & Context

Aantal mensen met dementie neemt toe

Regionaal & Internationaal

Laagste sterfte aan dementie in Friesland

Kosten

Zorguitgaven dementie 9,1 miljard euro

Preventie & Zorg

Helft van de patienten ontvangt thuiszorg

Trend voorkomen dementie

Jaarprevalentie en aantal nieuwe gevallen dementie 2011-2018

JaarNieuwe gevallen, mannenNieuwe gevallen, vrouwenPrevalentie, mannenPrevalentie, vrouwenNieuwe gevallen, mannen (absoluut)Nieuwe gevallen, vrouwen (absoluut)Prevalentie, mannen (absoluut)Prevalentie, vrouwen (absoluut)
20111001001001008.90016.70035.00064.700
201293891031028.60015.20037.20066.900
2013817792937.70013.30034.50062.200
2014727691937.10013.40035.60063.100
2015797995978.20014.20038.30067.300
2016868590949.30015.50038.00066.400
2017706694967.90012.20041.20069.400
2018726598958.40012.40044.40069.800
  • ICPC-code P70
  • Gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 2011
  • Geïndexeerd (2011 is 100)
  • De absolute cijfers (niet-gestandaardiseerd) zijn zichtbaar in de tabelweergave.

Aantal nieuwe gevallen dementie afgenomen

Het aantal nieuwe gevallen van dementie is over de gehele periode 2011-2018 voor zowel mannen als vrouwen met ongeveer 30% gedaald. De weergegeven trend is gecorrigeerd voor veranderingen in de omvang en leeftijdsopbouw van de bevolking (standaardisatie).
Het per jaar geschatte en ongecorrigeerde aantal nieuwe gevallen van dementie is over de gehele periode 2011-2018 eveneens afgenomen. Voor mannen nam het aantal af van 8.900 in 2011 naar 8.400 in 2018. Voor vrouwen is het aantal afgenomen van 16.700 in 2011 naar 12.400 in 2018 (absolute aantallen zichtbaar in de tabelweergave).

Prevalentie dementie vrijwel constant

In de periode 2011-2018 was het aantal mensen met dementie dat bekend was bij de huisarts (jaarprevalentie) vrijwel constant, voor zowel mannen als vrouwen. Deze trend is gecorrigeerd voor veranderingen in de omvang en leeftijdsopbouw van de bevolking (standaardisatie).
Het per jaar geschatte en ongecorrigeerde aantal mensen met dementie dat bekend was bij de huisarts is voor mannen toegenomen van 35.000 in 2011 naar 44.400 in 2018. Voor vrouwen is dit aantal toegenomen van 64.700 in 2011 naar 69.800 in 2018 (absolute aantal zichtbaar in de tabelweergave).

Prevalentie dementie tussen 1991 en 2014 gestegen

De gestandaardiseerde jaarprevalentie van dementie is in de periode 1991-2014 voor mannen bijna verdubbeld en voor vrouwen met ongeveer 65% gestegen. Deze trend is gebaseerd op de huisartsenregistratie RNH-Limburg (zie: Trend jaarprevalentie en nieuwe gevallen dementie 1991-2014 (PDF; 97 KB)).

Meer informatie

Datum publicatie

10-04-2020

Trend in sterfte door dementie

Sterfte aan dementie 1996-2018

JaarMannen (vóór 2013)Vrouwen (vóór 2013)Mannen (vanaf 2013)Vrouwen (vanaf 2013)Mannen (absoluut)Vrouwen (absoluut)
19961001001.1413.310
1997981031.1433.499
19981001031.1823.534
19991071131.2863.970
20001101141.3564.049
20011161221.4594.431
20021411381.8185.085
20031471391.9355.173
20041391371.8705.179
20051391321.9475.118
20061451422.0975.650
20071321311.9995.325
20081441432.2435.948
20091401402.2945.981
20101501492.5406.519
20111451472.5776.641
20121571632.9087.573
20132131894.0998.924
20142011834.0338.840
20152201984.6159.769
20162352045.13310.276
20172322105.26410.737
20182412155.69511.135

Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek (gedownload van CBS StatLine in augustus 2019)

  • ICD-10-codes F00-F03 en G30-G31
  • Gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 2018
  • Geïndexeerd (1996 is 100)
  • De sterftecijfers vanaf 2013 zijn niet goed vergelijkbaar met eerdere jaren, omdat het CBS is overgestapt van handmatig naar automatisch coderen (zie tekst en Verantwoording).

Sterfte door dementie gestegen

In de periode 1996-2012 is de sterfte als gevolg van dementie voor zowel mannen als vrouwen met ruim de helft toegenomen. In de periode 2013-2018 is de sterfte verder toegenomen. De weergegeven trends zijn gecorrigeerd voor veranderingen in de omvang en leeftijdssamenstelling van de bevolking (standaardisatie). De toename in de absolute sterfte (niet gestandaardiseerd) is veel groter. Voor mannen is de absolute sterfte ruim 2,5 keer toegenomen, van 1.141 in 1996 naar 2.908 in 2012. Voor vrouwen is de absolute sterfte iets minder dan 2,5 keer toegenomen, van 3.310 in 1996 naar 7.573 in 2012. In de periode 2013-2018 is de absolute sterfte verder toegenomen. In 2018 overleden 5.695 mannen en 11.135 vrouwen als gevolg van dementie.

Trend beïnvloed door gewijzigde codering doodsoorzaak 

Vanwege veranderingen in de codeerregels in de CBS Doodsoorzakenstatistiek zijn geen cijfers van vóór 1996 opgenomen. Door deze veranderingen in de codeerregels is mogelijk ook de stijging te verklaren tussen 1998 en 2002. Een andere mogelijke verklaring is dat de aandacht voor dementie in deze jaren toenam en het daarom ook vaker als doodsoorzaak werd genoemd.
In 2013 is het CBS is overgestapt van handmatig naar automatisch coderen. De invoer van automatisch coderen ging gepaard met de invoer van een ICD-10-update. Vóór 2013 werden longontstekingen en urineweginfecties als onderliggende doodsoorzaak gecodeerd, tenzij er op het doodsoorzakenformulier expliciet een relatie werd gelegd met een andere doodsoorzaak. Vanaf 2013 worden longontsteking en urineweginfecties gezien als het gevolg van een andere aandoening (zoals dementie), tenzij het doodsoorzakenformulier anders vermeldt. De update heeft geleid tot een verschuiving ten gunste van dementie als doodsoorzaak.

Percentage mensen dat met dementie thuis overlijdt is gestegen

Van de mensen die ten gevolge van dementie overlijden, is het aandeel dat in een zorginstelling overlijdt sinds 2003 afgenomen. In 2003 was dit 92,5% en in 2016 89,8%. Het percentage dat thuis overlijdt is gestegen van 3,9% in 2003 tot 6,5% in 2016 en het percentage dat overlijdt in een ziekenhuis is ongeveer gelijk gebleven (Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek). Opgemerkt moet worden dat het hier gaat om personen met als onderliggende doodsoorzaak dementie. Personen met dementie bij wie als onderliggende doodsoorzaak een andere aandoening is geregistreerd, zijn hier niet meegenomen.

Meer informatie

Toekomstige trend dementie door demografische ontwikkelingen

Verwachte stijging aantal mensen met dementie door alleen demografie

Op basis van uitsluitend demografisch ontwikkelingen zal het absoluut aantal mensen met dementie (jaarprevalentie) in de periode 2015-2040 naar verwachting met 115% stijgen. De verwachte stijging bedraagt 150% voor mannen en 94% voor vrouwen. Omdat dementie een ziekte is die vooral bij ouderen voorkomt, leidt vergrijzing van de bevolking tot een toename van het absoluut aantal mensen met dementie. De toename zal groter of kleiner kunnen zijn door veranderingen in factoren die de kans op het ontstaan van dementie beïnvloeden (epidemiologische ontwikkelingen). De toekomstige trend op basis van epidemiologische ontwikkelingen is niet gekwantificeerd.

Meer informatie

Verantwoording

Definities
  • Dementie is een hersenaandoening

    Dementie is een verzamelnaam voor hersenaandoeningen met neurocognitieve stoornissen als belangrijkste symptoom. Het cognitieve functioneren gaat in de loop van de tijd achteruit, soms snel, soms langzamer. Patiënten met dementie kunnen hierdoor niet meer zelfstandig functioneren. Er zijn ruim vijftig verschillende hersenaandoeningen die dementie kunnen veroorzaken. De meest voorkomende oorzaken van dementie zijn de ziekte van Alzheimer (ongeveer 65% van alle dementie) vasculaire dementie (ongeveer 22% van alle dementie), frontotemporale dementie (ongeveer 4% van alle dementie) en Lewy body dementie  (ongeveer 2% van alle dementie) (Francke et al., 2018). Naast cognitieve beperkingen kunnen personen met dementie last hebben van stemmings- en/of gedragsveranderingen, zoals depressie en/of angstklachten, apathie, hyperactiviteit, rusteloos gedrag en agitatie, wanen en hallucinaties. De behandeling is vaak ook gericht op deze symptomen (Alzheimer Nederland, 2019). Zorgverleners zijn het er over eens dat psychosociale interventies moeten worden uitgeprobeerd voordat medicijnen worden voorgeschreven (bepaalde indicaties zoals hallucinaties daargelaten) (Zwijsen et al., 2013). Voorbeelden van psychosociale interventies zijn psychotherapie, ondersteuningsgroepen, realiteitsoriëntatietraining en gedragstherapie.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Francke AL, van der Heide I, de Bruin S, Gijsen R, Poos R, Verbeek M, et al. Een samenhangend beeld van dementie en dementiezorg: kerncijfers, behoeften, aanbod en impact. Themarapportage van de Staat van Volksgezondheid en Zorg. . Utrecht: Nivel; 2018. Bron
    2. Zwijsen S, de Lange J, Pot AM, Mahler M, Minkman M. Omgaan met onbegrepen gedrag bij dementie. Inventarisatie richtlijnen en inzichten rondom onbegrepen gedrag bij ouderen met dementie. Utrecht / Utrecht: Trimbos-instituut / Vilans; 2013. Bron
  • DSM-5 heeft de term dementie vervangen door neurocognitieve stoornis

    In de DSM-5 is de term 'dementie' vervangen door de term 'neurocognitieve stoornis (zie tabel). Met deze nieuwe terminologie wil men duidelijk maken dat de cognitieve stoornissen (uitval van hersenfuncties) die bij dementie horen een gevolg zijn van een hersenaandoening of hersenziekte (van Assche et al., 2014). In de praktijk wordt de term dementie echter nog veel gebruikt, daarom hanteren we deze ook nog in VZInfo.

    Onderverdeling van dementie volgens de DSM-IV en de DSM-5

    DSM-IV

    DSM-5

    Ziekte van Alzheimer, inclusief dementie door:

    • Ziekte van Pick
    • Ziekte van Creutzfeldt-Jacob

    Neurocognitieve stoornis door de ziekte van Alzheimer

    Vasculaire dementie

    Vasculaire neurocognitieve stoornis

    Dementie door andere somatische aandoeningen

    Neurocognitieve stoornis door:

    • Frontotemporale afwijkingen
    • Aanwezigheid Lewy-lichaampjes (in hersencellen zich ophopende eiwitten)
    • Traumatisch hersenletsel
    • HIV-infectie
    • Prion ziekte (infectie met een misvormd eiwit)
    • Ziekte van Parkinson
    • Ziekte van Huntington
    • Andere aandoening
    • Meerdere oorzaken

    Persisterendea dementie door middelen

    Neurocognitieve stoornis door middelen/medicatie

    Amnestische stoornis door middelen (syndroom van Korsakoff)

    Neurocognitieve stoornis door middelen/medicatie

    Dementie niet anderszins omschreven

    Niet-gespecificeerde neurocognitieve stoornis

    a. In de DSM-5 is de aanwezigheid van geheugenproblemen geen vereiste meer om de diagnose neurocognitieve stoornis te kunnen stellen. Dit omdat het geheugen niet bij alle vormen van dementie (direct) aangetast wordt.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. van Assche L, Persoons P, Vandenbulcke M. Neurocognitive disorders in DSM-5: a critical review. Tijdschr Psychiatr. 2014;56(3):211-6. Pubmed
Bronverantwoording
  • Dementie: ERGO-onderzoek (Epidemiologisch bevolkingsonderzoek)

    ERGO: Erasmus Rotterdam Gezondheid en Ouderen-onderzoek

    In het ERGO (Erasmus Rotterdam Gezondheid en Ouderen)-onderzoek werden tussen midden 1989 en midden 1993 7.528 personen van 55 jaar en ouder (inclusief verzorgingshuisbewoners) gescreend op dementie. Degenen die positief scoorden, werden verder onderzocht (Ott et al., 1996). Er werd gescreend door middel van een ‘Mini Mental State Examination’ (MMSE) en de ‘Geriatric Mental State Schedule’ (GMS). Bij personen met een positieve screeningstest (MMSE <26 en/of GMS >0) werd de ‘Cambridge mental disorders of the elderly examination’ (CAMDEX) afgenomen. De CAMDEX bestaat uit een cognitietest (CAMCOG) en een gestandaardiseerde neurologische en psychiatrische anamnese. Daarnaast werd een bekende van personen die positief op de screeningstest scoorden, geïnterviewd. Personen met een CAMCOG-score < 80 of bij wie de arts dementie vermoedde, werden door een neuroloog onderzocht. Op basis daarvan werd eventueel aanvullend onderzoek verricht (neuropsychologisch onderzoek, MRI-scan). Van de bewoners van verzorgingshuizen die al bekend waren met dementie en de personen die na screening medewerking weigerden, werden via huisarts, specialist en RIAGG aanvullende gegevens achterhaald. Bij het stellen van de diagnose dementie werden de DSM-III-R criteria gebruikt. De volgende indeling werd gemaakt:

    • Ziekte van Alzheimer: diagnose gesteld op basis van NINCDS-ADRDA-criteria (criteria voor Alzheimer dementie die veel toegepast worden in epidemiologisch onderzoek, gepubliceerd in 1984). Er werd onderscheid gemaakt in ‘mogelijk’ en ‘waarschijnlijk’ ziekte van Alzheimer. Patiënten met volgens deze criteria ‘mogelijke’ ziekte van Alzheimer die (nog) niet voldeden aan de DSM-III-R criteria van dementie, werden toch meegeteld.
    • Vasculaire dementie: patiënten die voldeden aan criteria van multi-infarct dementie volgens de DSM-III-R of na een beroerte voldeden aan de NINDS-AIREN-criteria (criteria voor vasculaire dementie, gepubliceerd in 1993).
    • Dementie bij de ziekte van Parkinson: als de dementie ontstond bij een patiënt die al bekend was met idiopathisch parkinsonisme.
    • Overige dementie: dementie op basis van alcoholmisbruik, tumor cerebri of ‘normal pressure hydrocephalus’.

    Tussen midden 1993 en eind 1994 werden op dezelfde wijze 5.571 personen die bij het hiervoor beschreven onderdeel geen dementie hadden, opnieuw gescreend en bij een positieve uitslag verder onderzocht. Hierdoor kon de incidentie vastgesteld worden (Ott et al., 1997).

    Alzheimer Nederland

    In de tekst over het aantal mensen met dementie maken we ook gebruik van cijfers die door Alzheimer Nederland zijn geschat op basis van onder meer het ERGO-onderzoek. 

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. ERGO, Erasmus Rotterdam Gezondheidsonderzoek (of Rotterdam Study). zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. Ott A, Breteler MMB, Birkenhäger-Gillesse EB, van Harskamp F, de Koning I, Hofman A. De prevalentie bij ouderen van de ziekte van Alzheimer, vasculaire dementie en dementie bij de ziekte van Parkinson; het ERGO-onderzoek. Ned Tijdschr Geneeskd. 1996;140. Bron
    2. Ott A, Breteler MMB, van Harskamp F, Grobbee DE, Hofman A. The incidence of dementia in the Rotterdam Study. In: Alzheimer's disease: biology, diagnosis and therapeutics. Chichester: John Wiley & Sons Ltd.; 1997. Bron
  • Huisartsenregistratie van dementie

    Voor bepaling van de prevalentie, het aantal nieuwe gevallen van dementie (huidige situatie en trends) zijn gegevens gebruikt van de Nivel Zorgregistraties eerste lijn. De gebruikte ICPC-code is P70. Meer informatie over het schatten van de morbiditeit op basis van gegevens uit huisartsenregistraties is te vinden in Gebruik van huisartsenregistraties voor schattingen morbiditeit.


    Kenmerken van dementie in de huisartspraktijk
    Kenmerken van dementie in het vroege stadium kunnen leiden tot overregistratie van dementie in de huisartspraktijk. Soms vormt het dementeringsproces een uiting van een lichamelijke aandoening of van andere oorzaken (bijvoorbeeld sociaal isolement). Ook wordt depressie op oudere leeftijd nogal eens aangezien voor dementie. Enig goedaardig geheugenverlies waarbij het dagelijks functioneren niet is gestoord, is bovendien een normaal verschijnsel van de veroudering.

    Tegelijkertijd is er ook sprake van onderregistratie. De omgeving van de patiënt onderkent de verschijnselen lang niet altijd, of denkt dat er toch niets aan te doen is. Daardoor komt de aandoening niet of pas laat onder de ogen van de huisarts. Ook zal een huisarts niet altijd de lichtere gevallen van dementie signaleren, maar pas een diagnose stellen als sprake is van een duidelijke achteruitgang in het cognitief functioneren. Bovendien worden patiënten met dementie die naar een verpleeghuis gaan uitgeschreven bij de huisartspraktijk. De verpleeghuisarts wordt dan de arts van deze mensen. Ook bewoners van een verzorgingshuis vallen niet meer onder de zorg van hun ‘eigen’ huisarts, maar hebben vaak een gezamenlijke huisarts. Door bovengenoemde kenmerken lijkt de omvang van dementie in de huisartsenpraktijk lager dan in bevolkingsonderzoek.

    Schattingen uit huisartsenregistraties en epidemiologische bevolkingsonderzoeken verschillen
    Schattingen uit huisartsenregistraties zijn op minder objectiveerbare (gestandaardiseerde) wijze tot stand gekomen dan cijfers uit epidemiologische bevolkingsonderzoeken zoals het ERGO-onderzoek. Ook zal een huisarts niet altijd de lichtere gevallen van dementie detecteren, maar pas een diagnose stellen als sprake is van een duidelijke achteruitgang in het cognitief functioneren (beloopscriterium). Een belangrijk voordeel van deze werkwijze is dat het aantal ten onrechte gediagnosticeerden laag is (hoge specificiteit). Hoewel een minder sensitief instrument, geven huisartsregistraties een betrouwbare ondergrens aan voor (de veranderingen in) het aantal personen in de bevolking in Nederland waarbij (in de loop der jaren) de diagnose dementie is gesteld.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. Nivel Zorgregistraties eerste lijn, Nivel Zorgregistraties. zorggegevens.nl
  • Dementie: Sterftestatistiek

    CBS Doodsoorzakenstatistiek

    De sterftecijfers hebben betrekking op sterfte met dementie als onderliggende doodsoorzaak. In 1990 werd dementie weinig als doodsoorzaak gecodeerd door het CBS. Door veranderingen in de codeerregels werd het na 1990 veel gebruikelijker dementie als onderliggende doodsoorzaak te coderen (CBS, persoonlijke mededeling). De gebruikte ICD-10-codes zijn: F00-F03 en G30. Code G31 'overige degeneratieve ziekten van zenuwstelsel, niet elders geclassificeerd' is niet geïncludeerd.

  • Automatisch coderen bij CBS-doodsoorzakenstatistiek

    Met ingang van het statistiekjaar 2013 codeert het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) doodsoorzakenformulieren automatisch met behulp van het softwarepakket IRIS. Dit is een verschil met voorgaande jaren waarin doodsoorzakenformulieren handmatig werden verwerkt. Automatische codering brengt een betere internationale vergelijkbaarheid en reproduceerbaarheid van de gegevens met zich mee. Het veroorzaakt echter ook verschuivingen in doodsoorzaken. Daardoor zijn de sterftecijfers vanaf het jaar 2013 niet altijd goed vergelijkbaar met sterftecijfers uit eerdere jaren. Voor meer informatie over het automatisch coderen verwijzen wij naar vier artikelen van het CBS:

    • Het automatisch coderen van doodsoorzaken. Een nieuwe werkwijze bij de doodsoorzakenstatistiek (Harteloh et al., 2014)
    • Verschuivingen in de doodsoorzakenstatistiek bij de introductie van het automatisch coderen (Harteloh, 2014)
    • Van handmatig naar automatisch coderen van doodsoorzaken. Een bridge coding study (Harteloh, 2015)
    • Veranderingen in de doodsoorzakenstatistiek 2012-2013 (Harteloh, 2016)

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Harteloh PPM, van Hilten O, Kardaun JWPF. Het automatisch coderen van doodsoorzaken. Een nieuwe werkwijze bij de doodsoorzakenstatistiek. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2014. Bron
    2. Harteloh PPM. Verschuivingen in de doodsoorzakenstatistiek bij de introductie van het automatisch coderen. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2014. Bron
    3. Harteloh PPM. Van handmatig naar automatisch coderen van doodsoorzaken. Een bridge coding study. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2015. Bron
    4. Harteloh PPM. Veranderingen in de doodsoorzakenstatistiek 2012-2013. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2016. Bron
  • Dementie: Internationaal

    Alzheimer Europe

    Internationaal vergelijkbare gegevens over dementie zijn schaars. Schattingen over de prevalentie van dementie in verschillende landen van de Europese Unie zijn beschikbaar uit het EuroCoDe project (European Collaboration on Dementia) dat werd geleid door Alzheimer Europe. ’De landenspecifieke schattingen uit EuroCoDe zijn gebaseerd op gegevens over de leeftijdsverdeling van Eurostat en op de geschatte gemiddelde prevalentie van diabetes afkomstig van de EURODEM groep en een studie van Ferri en collega’s uit 2005 (Alzheimer Europe, 2006). De EURODEM groep heeft gegevens over de prevalentie van matige tot ernstige dementie in verschillende Europese landen gepooled om een gemiddelde Europese prevalentie te verkrijgen voor negen leeftijdsgroepen (Hofman et al., 1991). Ferri en collega’s ontwikkelden hun prevalentiecijfers met een zogeheten DELPHI benadering. Dit houdt in dat de cijfers zijn gebaseerd op consensus onder dementie-experts en niet op epidemiologische studies (Ferri et al., 2005).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Alzheimer Europe. Dementia in Europe Yearbook 2006. Including the Alzheimer Europe Annual Report 2005. Luxemburg: Alzheimer Europe; 2006. Bron
    2. Hofman A, Rocca WA, Brayne C, Breteler MMB, Clarke M, Cooper B, et al. The prevalence of dementia in Europe: a collaborative study of 1980-1990 findings. Eurodem Prevalence Research Group. Int J Epidemiol. 1991;20(3):736-48. Pubmed
    3. Ferri CP, Prince M, Brayne C, Brodaty H, Fratiglioni L, Ganguli M, et al. Global prevalence of dementia: a Delphi consensus study. Lancet. 2005;366(9503):2112-7. Pubmed | DOI
Methoden
  • Kanttekeningen bij schattingen aantal personen met dementie

    De schatting in het onderzoek van Prince e.a. is gebaseerd op een samenvoeging van een groot aantal internationale studies, en heeft daarom een grote totale onderzoekspopulatie. De afzonderlijke studies (ingedeeld naar een aantal grotere regio’s waaronder West-Europa) vonden echter plaats in veel verschillende landen, met verschillen in het vóórkomen van dementie. Bovendien is een deel van de studies alweer enige jaren geleden uitgevoerd, en is het de vraag of de schattingen van toen nog steeds gelden. De schatting van Alzheimer Nederland is gebaseerd op het ERGO-onderzoek, dat 25 jaar geleden werd uitgevoerd in de wijk Ommoord in Rotterdam. Het is de vraag of deze oude cijfers uit één bepaalde wijk representatief zijn voor heel Nederland. Bovendien is het niet zeker of de leeftijdsspecifieke prevalentiecijfers van destijds nu nog steeds gelden. Veranderingen in het aantal nieuwe gevallen van dementie en de overlevingsduur van mensen met dementie kunnen ervoor gezorgd hebben dat de prevalentiecijfers in de loop van de tijd zijn gewijzigd (Haaksma et al., 2017).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Haaksma M.L., Claassen J.A.H., Rikkert M.GMOl, Melis R.J.F. Dementie: groeiende ramp of afnemende epidemie? Ned Tijdschr Geneeskd. 2017;(161). Bron
  • Regionale vergelijkingen/CMF’s

    In de kaart is de gestandaardiseerde sterfte weergegeven waarbij gecorrigeerd is voor verschillen in leeftijd en geslacht. De zo verkregen waarden worden CMF's genoemd (Comparitive Mortality Figures). De sterfte in heel Nederland is gesteld op 100. Een gestandaardiseerde sterfte boven of onder de 100 duidt op respectievelijk een hogere of lagere sterfte dan in Nederland. 

    Omdat we ook willen weten welke waarde we aan een verschil mogen hechten, hebben we ook een kaart met significantieniveaus opgenomen. De regio's die ver onder en ver boven het Nederlands gemiddelde liggen, zijn vrijwel altijd significant. Scoort een regio onder de 0,05, dan is de kans dat de afwijking van het Nederlands gemiddelde toeval is, kleiner dan 5%. Scoort een regio 0,01, dan is die kans 1%.

  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.