Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

DementieCijfers & ContextTrends

Cijfers & Context

Aantal mensen met dementie stijgt

Regionaal & Internationaal

Laagste sterfte aan dementie in Friesland

Kosten

Zorgkosten dementie 6,6 miljard euro in 2015

Preventie & Zorg

Helft van de patienten ontvangt thuiszorg

Trend in aantal mensen met dementie

Jaarprevalentie van dementie, 1990-2015

MannenVrouwen
1991100100
1992104102
1993104107
1994106112
1995108112
1996120114
1997126113
1998132114
1999143116
2000152121
2001162123
2002164127
2003168130
2004170138
2005173139
2006172145
2007186153
2008190161
2009201165
2010195163
2011197163
2012197165
2013195167
2014196165

Bron: RNH-Limburg

  • De percentages zijn 3-jarig voortschrijdend gemiddelden
  • ​Gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 2010
  • Geïndexeerd (1991 = 100)
  • ICPC-code P70

Meer mensen met dementie

In de periode 1990-2015 is het aantal patienten met dementie flink gestegen. Voor mannen is het aantal patienten in deze periode bijna verdubbeld (96%) en voor vrouwen is het aantal met 65% gestegen (RNH-Limburg). De weergegeven trend is gecorrigeerd voor veranderingen in de omvang en leeftijdssamenstelling van de bevolking (standaardisatie).

Trend in aantal nieuwe gevallen van dementie

Trend in aantal nieuwe gevallen dementie, 1990-2015

MannenVrouwen
1991100100
1992113111
1993109124
1994116135
1995106134
1996150136
1997169128
1998181124
1999173132
2000174141
2001171151
2002173162
2003165165
2004180173
2005193172
2006194192
2007217208
2008195205
2009199191
2010174166
2011181167
2012188180
2013169187
2014157167

Bron: RNH-Limburg

  • De percentages zijn 3-jarig voortschrijdend gemiddelden
  • ​Gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 2010
  • Geïndexeerd (1991 = 100)
  • ICPC-code P70

Stijging in aantal nieuwe gevallen van dementie

In de periode 1990-2015 is een stijging te zien in het aantal nieuwe patiënten met dementie voor zowel mannen (57%) als vrouwen (67%). Met name tot 2008 is een sterke stijging zichtbaar, daarna neemt het aantal nieuwe gevallen iets af (RNH-Limburg). De weergegeven trend is gecorrigeerd voor veranderingen in de omvang en leeftijdssamenstelling van de bevolking (standaardisatie).  

Verklaring voor trend

Verklaring voor trend: Steeds meer vroegtijdige herkenning van dementie

Vroegtijdige opsporing en herkenning van dementie in de huisartspraktijk is steeds beter mogelijk. Dat komt voor een groot deel doordat (huis)artsen meer alert zijn op dementie, door de beschikbaarheid van korte screeningsinstrumenten, het standaardiseren van de diagnostische criteria en de ontwikkeling van diagnostische protocollen. Deze ontwikkelingen verklaren dat - ook na correctie voor de veranderende bevolkingsomvang en -samenstelling - het aantal bij de huisarts bekende patiënten met dementie flink is gestegen.

Trend in sterfte door dementie

Sterfte aan dementie 1996-2017

JaarMannen (vóór 2013)Vrouwen (vóór 2013)Mannen (vanaf 2013)Vrouwen (vanaf 2013)Mannen (absoluut)Vrouwen (absoluut)
19961001001.1413.310
1997981041.1433.499
1998991031.1823.534
19991071131.2863.970
20001101141.3564.049
20011161221.4594.431
20021401391.8185.085
20031461401.9355.173
20041381371.8705.179
20051391321.9475.118
20061441422.0975.650
20071321311.9995.325
20081431432.2435.948
20091401402.2945.981
20101491492.5406.519
20111441472.5776.641
20121561632.9087.573
20132111894.0998.924
20141991834.0338.840
20152191984.6159.769
20162342045.13310.276
20172302095.25910.719

Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek (gedownload van CBS StatLine in juli 2018)

  • ICD-10-codes F00-F03 en G30-G31
  • Gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 2010
  • Geïndexeerd (1996 is 100)
  • De sterftecijfers vanaf 2013 zijn niet goed vergelijkbaar met eerdere jaren, omdat het CBS is overgestapt van handmatig naar automatisch coderen (zie tekst en Verantwoording).

Sterfte door dementie gestegen

In de periode 1996-2012 is de sterfte als gevolg van dementie voor zowel mannen als vrouwen met ruim de helft toegenomen. In de periode 2013-2017 lijkt de sterfte verder te zijn toegenomen. De weergegeven trends zijn gecorrigeerd voor veranderingen in de omvang en leeftijdssamenstelling van de bevolking (standaardisatie). De toename in de absolute sterfte (niet gestandaardiseerd) is veel groter. Voor mannen is de absolute sterfte ruim 2,5 keer toegenomen, van 1.141 in 1996 naar 2.908 in 2012. Voor vrouwen is de absolute sterfte iets minder dan 2,5 keer toegenomen, van 3.310 in 1996 naar 7.573 in 2012. In de periode 2013-2017 is de absolute sterfte verder toegenomen.

Trend beïnvloed door gewijzigde codering doodsoorzaak 

Vanwege veranderingen in de codeerregels in de CBS Doodsoorzakenstatistiek zijn geen cijfers van vóór 1996 opgenomen. Door deze veranderingen in de codeerregels is mogelijk ook de stijging te verklaren tussen 1998 en 2002. Een andere mogelijke verklaring is dat de aandacht voor dementie in deze jaren toenam en het daarom ook vaker als doodsoorzaak werd genoemd.
In 2013 is het CBS is overgestapt van handmatig naar automatisch coderen. De invoer van automatisch coderen ging gepaard met de invoer van een ICD-10-update. Vóór 2013 werden longontstekingen en urineweginfecties als onderliggende doodsoorzaak gecodeerd, tenzij er op het doodsoorzakenformulier expliciet een relatie werd gelegd met een andere doodsoorzaak. Vanaf 2013 worden longontsteking en urineweginfecties gezien als het gevolg van een andere aandoening (zoals dementie), tenzij het doodsoorzakenformulier anders vermeldt. De update heeft geleid tot een verschuiving ten gunste van dementie als doodsoorzaak.

Percentage mensen dat met dementie thuis overlijdt is gestegen

Van de mensen die ten gevolge van dementie overlijden, is het aandeel dat in een zorginstelling overlijdt sinds 2003 afgenomen. In 2003 was dit 92,5% en in 2016 89,8%. Het percentage dat thuis overlijdt is gestegen van 3,9% in 2003 tot 6,5% in 2016 en het percentage dat overlijdt in een ziekenhuis is ongeveer gelijk gebleven (Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek). Opgemerkt moet worden dat het hier gaat om personen met als onderliggende doodsoorzaak dementie. Personen met dementie bij wie als onderliggende doodsoorzaak een andere aandoening is geregistreerd, zijn hier niet meegenomen.

Meer informatie

Toekomstige trend dementie door demografische ontwikkelingen

Verwachte stijging aantal mensen met dementie door alleen demografie

Op basis van uitsluitend demografisch ontwikkelingen zal het absoluut aantal mensen met dementie (jaarprevalentie) in de periode 2015-2040 naar verwachting met 115% stijgen. De verwachte stijging bedraagt 150% voor mannen en 94% voor vrouwen. Omdat dementie een ziekte is die vooral bij ouderen voorkomt, leidt vergrijzing van de bevolking tot een toename van het absoluut aantal mensen met dementie. De toename zal groter of kleiner kunnen zijn door veranderingen in factoren die de kans op het ontstaan van dementie beïnvloeden (epidemiologische ontwikkelingen). De toekomstige trend op basis van epidemiologische ontwikkelingen is niet gekwantificeerd.

Meer informatie

Verantwoording

Definities
  • Dementie is een hersenaandoening

    Dementie is een hersenaandoening met cognitieve stoornissen als gevolg. Het belangrijkste symptoom van dementie is dat het cognitieve functioneren achteruitgaat. De meest voorkomende vorm van dementie is de ziekte van Alzheimer (ongeveer 60-70% van alle gevallen). Andere vormen zijn onder andere vasculaire dementie, frontotemporale dementie en Lewy-body-dementie. Naast cognitieve beperkingen kunnen personen met dementie last hebben van stemmings- en/of gedragsveranderingen, zoals depressie- en/of angstklachten, apathie, hyperactiviteit, rusteloos gedrag en agitatie, wanen en hallucinaties. De behandeling is vaak ook gericht op deze symptomen (Alzheimer Nederland). Zorgverleners zijn het er over eens dat psychosociale interventies moeten worden uitgeprobeerd voordat medicijnen worden voorgeschreven (bepaalde indicaties zoals hallucinaties daargelaten) (Zwijsen et al., 2013). Voorbeelden van psychosociale interventies zijn psychotherapie, ondersteuningsgroepen, realiteitsoriëntatietraining en gedragstherapie. 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Zwijsen S, de Lange J, Pot AM, Mahler M, Minkman M. Omgaan met onbegrepen gedrag bij dementie. Inventarisatie richtlijnen en inzichten rondom onbegrepen gedrag bij ouderen met dementie. Utrecht / Utrecht: Trimbos-instituut / Vilans; 2013. Bron
  • DSM-5 heeft de term dementie vervangen door neurocognitieve stoornis

    In de DSM-5 is de term 'dementie' vervangen door de term 'neurocognitieve stoornis (zie tabel). Met deze nieuwe terminologie wil men duidelijk maken dat de cognitieve stoornissen (uitval van hersenfuncties) die bij dementie horen een gevolg zijn van een hersenaandoening of hersenziekte (van Assche et al., 2014). In de praktijk wordt de term dementie echter nog veel gebruikt, daarom hanteren we deze ook nog in VZInfo.

    Onderverdeling van dementie volgens de DSM-IV en de DSM-5

    DSM-IV

    DSM-5

    Ziekte van Alzheimer, inclusief dementie door:

    • Ziekte van Pick
    • Ziekte van Creutzfeldt-Jacob

    Neurocognitieve stoornis door de ziekte van Alzheimer

    Vasculaire dementie

    Vasculaire neurocognitieve stoornis

    Dementie door andere somatische aandoeningen

    Neurocognitieve stoornis door:

    • Frontotemporale afwijkingen
    • Aanwezigheid Lewy-lichaampjes (in hersencellen zich ophopende eiwitten)
    • Traumatisch hersenletsel
    • HIV-infectie
    • Prion ziekte (infectie met een misvormd eiwit)
    • Ziekte van Parkinson
    • Ziekte van Huntington
    • Andere aandoening
    • Meerdere oorzaken

    Persisterendea dementie door middelen

    Neurocognitieve stoornis door middelen/medicatie

    Amnestische stoornis door middelen (syndroom van Korsakoff)

    Neurocognitieve stoornis door middelen/medicatie

    Dementie niet anderszins omschreven

    Niet-gespecificeerde neurocognitieve stoornis

    a. In de DSM-5 is de aanwezigheid van geheugenproblemen geen vereiste meer om de diagnose neurocognitieve stoornis te kunnen stellen. Dit omdat het geheugen niet bij alle vormen van dementie (direct) aangetast wordt.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. van Assche L, Persoons P, Vandenbulcke M. Neurocognitive disorders in DSM-5: a critical review. Tijdschr Psychiatr. 2014;56(3):211-6. Pubmed
Bronverantwoording
  • Dementie: ERGO-onderzoek (Epidemiologisch bevolkingsonderzoek)

    ERGO: Erasmus Rotterdam Gezondheid en Ouderen-onderzoek

    In het ERGO (Erasmus Rotterdam Gezondheid en Ouderen)-onderzoek werden tussen midden 1989 en midden 1993 7.528 personen van 55 jaar en ouder (inclusief verzorgingshuisbewoners) gescreend op dementie. Degenen die positief scoorden, werden verder onderzocht (Ott et al., 1996). Er werd gescreend door middel van een ‘Mini Mental State Examination’ (MMSE) en de ‘Geriatric Mental State Schedule’ (GMS). Bij personen met een positieve screeningstest (MMSE <26 en/of GMS >0) werd de ‘Cambridge mental disorders of the elderly examination’ (CAMDEX) afgenomen. De CAMDEX bestaat uit een cognitietest (CAMCOG) en een gestandaardiseerde neurologische en psychiatrische anamnese. Daarnaast werd een bekende van personen die positief op de screeningstest scoorden, geïnterviewd. Personen met een CAMCOG-score < 80 of bij wie de arts dementie vermoedde, werden door een neuroloog onderzocht. Op basis daarvan werd eventueel aanvullend onderzoek verricht (neuropsychologisch onderzoek, MRI-scan). Van de bewoners van verzorgingshuizen die al bekend waren met dementie en de personen die na screening medewerking weigerden, werden via huisarts, specialist en RIAGG aanvullende gegevens achterhaald. Bij het stellen van de diagnose dementie werden de DSM-III-R criteria gebruikt. De volgende indeling werd gemaakt:

    • Ziekte van Alzheimer: diagnose gesteld op basis van NINCDS-ADRDA-criteria (criteria voor Alzheimer dementie die veel toegepast worden in epidemiologisch onderzoek, gepubliceerd in 1984). Er werd onderscheid gemaakt in ‘mogelijk’ en ‘waarschijnlijk’ ziekte van Alzheimer. Patiënten met volgens deze criteria ‘mogelijke’ ziekte van Alzheimer die (nog) niet voldeden aan de DSM-III-R criteria van dementie, werden toch meegeteld.
    • Vasculaire dementie: patiënten die voldeden aan criteria van multi-infarct dementie volgens de DSM-III-R of na een beroerte voldeden aan de NINDS-AIREN-criteria (criteria voor vasculaire dementie, gepubliceerd in 1993).
    • Dementie bij de ziekte van Parkinson: als de dementie ontstond bij een patiënt die al bekend was met idiopathisch parkinsonisme.
    • Overige dementie: dementie op basis van alcoholmisbruik, tumor cerebri of ‘normal pressure hydrocephalus’.

    Tussen midden 1993 en eind 1994 werden op dezelfde wijze 5.571 personen die bij het hiervoor beschreven onderdeel geen dementie hadden, opnieuw gescreend en bij een positieve uitslag verder onderzocht. Hierdoor kon de incidentie vastgesteld worden (Ott et al., 1997).

    Alzheimer Nederland

    In de tekst over het aantal mensen met dementie maken we ook gebruik van cijfers die door Alzheimer Nederland zijn geschat op basis van onder meer het ERGO-onderzoek. 

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. ERGO, Erasmus Rotterdam Gezondheidsonderzoek (of Rotterdam Study). zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. Ott A, Breteler MMB, Birkenhäger-Gillesse EB, van Harskamp F, de Koning I, Hofman A. De prevalentie bij ouderen van de ziekte van Alzheimer, vasculaire dementie en dementie bij de ziekte van Parkinson; het ERGO-onderzoek. Ned Tijdschr Geneeskd. 1996;140. Bron
    2. Ott A, Breteler MMB, van Harskamp F, Grobbee DE, Hofman A. The incidence of dementia in the Rotterdam Study. In: Alzheimer's disease: biology, diagnosis and therapeutics. Chichester: John Wiley & Sons Ltd.; 1997. Bron
  • Huisartsenregistratie van dementie

    Voor bepaling van de prevalentie en het aantal nieuwe gevallen van dementie (huidige situatie) zijn gegevens gebruikt van de NIVEL Zorgregistraties eerste lijn. Voor de beschrijving van de trend in prevalentie en het aantal nieuwe gevallen van dementie is gebruikgemaakt van een andere huisartsenregistratie: RNH-Limburg. De registratie over het voorkomen van ziekten in de huisartsenpraktijk van RNH-Limburg gaat terug tot 1987. NIVEL Zorgregistraties eerste lijn heeft gegevens over een kortere periode en wordt daarom niet gebruikt voor de beschrijving van de trends.

    De gebruikte ICPC-code is P70.

    Meer informatie over het schatten van de morbiditeit op basis van gegevens uit huisartsenregistraties is te vinden in Gebruik van huisartsenregistraties voor schattingen morbiditeit.

    Kenmerken van dementie in de huisartspraktijk
    Kenmerken van dementie in het vroege stadium kunnen leiden tot overregistratie van dementie in de huisartspraktijk. Soms vormt het dementeringsproces een uiting van een lichamelijke aandoening of van andere oorzaken (bijvoorbeeld sociaal isolement). Ook wordt depressie op oudere leeftijd nogal eens aangezien voor dementie. Enig goedaardig geheugenverlies waarbij het dagelijks functioneren niet is gestoord, is bovendien een normaal verschijnsel van de veroudering.

    Tegelijkertijd is er ook sprake van onderregistratie. De omgeving van de patiënt onderkent de verschijnselen lang niet altijd, of denkt dat er toch niets aan te doen is. Daardoor komt de aandoening niet of pas laat onder de ogen van de huisarts. Ook zal een huisarts niet altijd de lichtere gevallen van dementie signaleren, maar pas een diagnose stellen als sprake is van een duidelijke achteruitgang in het cognitief functioneren. Bovendien worden patiënten met dementie die naar een verpleeghuis gaan uitgeschreven bij de huisartspraktijk. De verpleeghuisarts wordt dan de arts van deze mensen. Ook bewoners van een verzorgingshuis vallen niet meer onder de zorg van hun ‘eigen’ huisarts, maar hebben vaak een gezamenlijke huisarts. Door bovengenoemde kenmerken lijkt de omvang van dementie in de huisartsenpraktijk lager dan in bevolkingsonderzoek.

    Schattingen uit huisartsenregistraties en epidemiologische bevolkingsonderzoeken verschillen
    Schattingen uit huisartsenregistraties zijn op minder objectiveerbare (gestandaardiseerde) wijze tot stand gekomen dan cijfers uit epidemiologische bevolkingsonderzoeken zoals het ERGO-onderzoek. Ook zal een huisarts niet altijd de lichtere gevallen van dementie detecteren, maar pas een diagnose stellen als sprake is van een duidelijke achteruitgang in het cognitief functioneren (beloopscriterium). Een belangrijk voordeel van deze werkwijze is dat het aantal ten onrechte gediagnosticeerden laag is (hoge specificiteit). Hoewel een minder sensitief instrument, geven huisartsregistraties een betrouwbare ondergrens aan voor (de veranderingen in) het aantal personen in de bevolking in Nederland waarbij (in de loop der jaren) de diagnose dementie is gesteld.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. NIVEL Zorgregistraties eerste lijn, NIVEL Zorgregistraties. zorggegevens.nl
    2. RNH, Registratienet Huisartspraktijken Limburg / Research Network Family Medicine (RNFM) Maastricht. zorggegevens.nl
  • Dementie: Sterftestatistiek

    CBS Doodsoorzakenstatistiek

    De sterftecijfers hebben betrekking op sterfte met dementie als onderliggende doodsoorzaak. In 1990 werd dementie weinig als doodsoorzaak gecodeerd door het CBS. Door veranderingen in de codeerregels werd het na 1990 veel gebruikelijker dementie als onderliggende doodsoorzaak te coderen (CBS, persoonlijke mededeling). De gebruikte ICD-10-codes zijn: F00-F03 en G30. Code G31 'overige degeneratieve ziekten van zenuwstelsel, niet elders geclassificeerd' is niet geïncludeerd.

  • Automatisch coderen bij CBS-doodsoorzakenstatistiek

    Met ingang van het statistiekjaar 2013 codeert het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) doodsoorzakenformulieren automatisch met behulp van het softwarepakket IRIS. Dit is een verschil met voorgaande jaren waarin doodsoorzakenformulieren handmatig werden verwerkt. Automatische codering brengt een betere internationale vergelijkbaarheid en reproduceerbaarheid van de gegevens met zich mee. Het veroorzaakt echter ook verschuivingen in doodsoorzaken. Daardoor zijn de sterftecijfers vanaf het jaar 2013 niet altijd goed vergelijkbaar met sterftecijfers uit eerdere jaren. Voor meer informatie over het automatisch coderen verwijzen wij naar vier artikelen van het CBS:

    • Het automatisch coderen van doodsoorzaken. Een nieuwe werkwijze bij de doodsoorzakenstatistiek (Harteloh et al., 2014)
    • Verschuivingen in de doodsoorzakenstatistiek bij de introductie van het automatisch coderen (Harteloh, 2014)
    • Van handmatig naar automatisch coderen van doodsoorzaken. Een bridge coding study (Harteloh, 2015)
    • Veranderingen in de doodsoorzakenstatistiek 2012-2013 (Harteloh, 2016)

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Harteloh PPM, van Hilten O, Kardaun JWPF. Het automatisch coderen van doodsoorzaken. Een nieuwe werkwijze bij de doodsoorzakenstatistiek. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2014. Bron
    2. Harteloh PPM. Verschuivingen in de doodsoorzakenstatistiek bij de introductie van het automatisch coderen. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2014. Bron
    3. Harteloh PPM. Van handmatig naar automatisch coderen van doodsoorzaken. Een bridge coding study. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2015. Bron
    4. Harteloh PPM. Veranderingen in de doodsoorzakenstatistiek 2012-2013. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2016. Bron
  • Dementie: Internationaal

    Alzheimer Europe

    Internationaal vergelijkbare gegevens over dementie zijn schaars. Schattingen over de prevalentie van dementie in verschillende landen van de Europese Unie zijn beschikbaar uit het EuroCoDe project (European Collaboration on Dementia) dat werd geleid door Alzheimer Europe. ’De landenspecifieke schattingen uit EuroCoDe zijn gebaseerd op gegevens over de leeftijdsverdeling van Eurostat en op de geschatte gemiddelde prevalentie van diabetes afkomstig van de EURODEM groep en een studie van Ferri en collega’s uit 2005 (Alzheimer Europe, 2006). De EURODEM groep heeft gegevens over de prevalentie van matige tot ernstige dementie in verschillende Europese landen gepooled om een gemiddelde Europese prevalentie te verkrijgen voor negen leeftijdsgroepen (Hofman et al., 1991). Ferri en collega’s ontwikkelden hun prevalentiecijfers met een zogeheten DELPHI benadering. Dit houdt in dat de cijfers zijn gebaseerd op consensus onder dementie-experts en niet op epidemiologische studies (Ferri et al., 2005).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Alzheimer Europe. Dementia in Europe Yearbook 2006. Including the Alzheimer Europe Annual Report 2005. Luxemburg: Alzheimer Europe; 2006. Bron
    2. Hofman A, Rocca WA, Brayne C, Breteler MMB, Clarke M, Cooper B, et al. The prevalence of dementia in Europe: a collaborative study of 1980-1990 findings. Eurodem Prevalence Research Group. Int J Epidemiol. 1991;20(3):736-48. Pubmed
    3. Ferri CP, Prince M, Brayne C, Brodaty H, Fratiglioni L, Ganguli M, et al. Global prevalence of dementia: a Delphi consensus study. Lancet. 2005;366(9503):2112-7. Pubmed | DOI
Methoden
  • Nadelen schattingen aantal personen met dementie

    De schatting in het onderzoek van Prince e.a. is gebaseerd op een samenvoeging van een groot aantal internationale studies, en heeft daarom een grote totale onderzoekspopulatie. De afzonderlijke studies (ingedeeld naar een aantal grotere regio’s waaronder West-Europa) vonden echter plaats in veel verschillende landen, met verschillen in het vóórkomen van dementie. Bovendien is een deel van de studies alweer enige jaren geleden uitgevoerd, en is het de vraag of de schattingen van toen nog steeds gelden. De schatting van Alzheimer Nederland is gebaseerd op het ERGO-onderzoek, dat 25 jaar geleden werd uitgevoerd in de wijk Ommoord in Rotterdam. Het is de vraag of deze oude cijfers uit één bepaalde wijk representatief zijn voor heel Nederland. Bovendien is het niet zeker of de leeftijdsspecifieke prevalentiecijfers van destijds nu nog steeds gelden. Veranderingen in het aantal nieuwe gevallen van dementie en de overlevingsduur van mensen met dementie kunnen ervoor gezorgd hebben dat de prevalentiecijfers in de loop van de tijd zijn gewijzigd (Haaksma et al., 2017).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Haaksma M.L., Claassen J.A.H., Rikkert M.GMOl, Melis R.J.F. Dementie: groeiende ramp of afnemende epidemie? Ned Tijdschr Geneeskd. 2017;(161). Bron
  • Regionale vergelijkingen/CMF’s

    In de kaart is de gestandaardiseerde sterfte weergegeven waarbij gecorrigeerd is voor verschillen in leeftijd en geslacht. De zo verkregen waarden worden CMF's genoemd (Comparitive Mortality Figures). De sterfte in heel Nederland is gesteld op 100. Een gestandaardiseerde sterfte boven of onder de 100 duidt op respectievelijk een hogere of lagere sterfte dan in Nederland. 

    Omdat we ook willen weten welke waarde we aan een verschil mogen hechten, hebben we ook een kaart met significantieniveaus opgenomen. De regio's die ver onder en ver boven het Nederlands gemiddelde liggen, zijn vrijwel altijd significant. Scoort een regio onder de 0,05, dan is de kans dat de afwijking van het Nederlands gemiddelde toeval is, kleiner dan 5%. Scoort een regio 0,01, dan is die kans 1%.

  • Schatting van het aantal mensen met dementie in verpleeghuizen

    Het aantal personen met dementie in verpleeghuizen is geschat met:

    1. cijfers over zorg met verblijf (ZMV) voor personen met een psychogeriatrische aandoening als grondslag (Bron: CBS-StatLine; data afkomstig van Registratie CIZ en iWlz, voorheen het CAK);
    2. cijfers over het aantal personen met behandeling gebaseerd op de bekostiging per zorgzwaartepakket (Bron: NZa-ciifers uit de Monitor Langdurige Zorg (MLZ).

    Bekend is hoeveel mensen in een instelling verblijven. Onbekend is of iemand in een verpleeghuis of een verzorgingshuis verblijft. Wel is bekend dat iemand die in een verzorgingshuis verblijft, zorg zonder behandeling ontvangt. Personen die in een verzorgingshuis verblijven hebben nog een eigen huisarts door wie zij worden behandeld. Personen die in een verpleeghuis verblijven, ontvangen zorg met behandeling door het verpleeghuis.

    Het aantal mensen met een psychogeriatrische aandoening dat in een verpleeghuis verblijft, is als volgt geschat:

    Het aantal personen dat zorg met verblijf (gebruik ZMV) heeft met een psychogeriatrische aandoening als grondslag, was 65.220 in 2013. Op basis van de gegevens over het zorgzwaartepakket (zzp), was voor 50.000 van deze personen sprake van zorg  met behandeling. Dit betekent dat zij in een verpleeghuis verbleven.

    We nemen aan dat het aantal personen met een dominante (eerste) grondslag PG (psychogeriatrische) in een verpleeghuis een goede schatting is van het aantal mensen met dementie in een verpleeghuis. Niet iedereen met een dominante grondslag PG heeft dementie. Er zijn echter ook personen in een verpleeghuis die wel dementie hebben, maar die met een andere dominante grondslag dan een psychogeriatrische aandoening in het verpleeghuis verblijven.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. Registratie CIZ, Registratie Centrum Indicatiestelling Zorg. zorggegevens.nl
    2. iWlz, Informatiestandaard Wet langdurige zorg. zorggegevens.nl
    3. MLZ, Monitor Langdurige Zorg. zorggegevens.nl
  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.