Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

DementieCijfers & ContextTrends

Cijfers & Context

Aantal mensen met dementie neemt toe

Regionaal & Internationaal

Laagste sterfte aan dementie in Friesland

Kosten

Zorguitgaven dementie 9,1 miljard euro

Preventie & Zorg

Trend voorkomen dementie

Jaarprevalentie en aantal nieuwe gevallen dementie 2011-2019

JaarNieuwe gevallen, mannenNieuwe gevallen, vrouwenPrevalentie, mannenPrevalentie, vrouwenNieuwe gevallen, mannen (absoluut)Nieuwe gevallen, vrouwen (absoluut)Prevalentie, mannen (absoluut)Prevalentie, vrouwen (absoluut)
20111001001001008.90016.70035.00064.700
201293891031028.60015.20037.20066.900
2013817792937.70013.30034.50062.200
2014727691937.10013.40035.60063.100
2015797995978.20014.20038.30067.300
2016868590949.30015.50038.00066.400
2017706694967.90012.20041.20069.400
2018726598958.40012.40044.40069.800
2019676495948.00012.40044.40069.600
  • ICPC-code P70
  • Gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 2011
  • Geïndexeerd (2011 is 100)
  • De absolute cijfers (niet-gestandaardiseerd) zijn zichtbaar in de tabelweergave.

Aantal nieuwe gevallen dementie afgenomen

Het aantal nieuwe gevallen van dementie is over de gehele periode 2011-2019 voor zowel mannen als vrouwen met ongeveer 35% gedaald. Het gaat hier om het aantal nieuwe diagnoses bij de huisarts. De weergegeven trend is gecorrigeerd voor veranderingen in de omvang en leeftijdsopbouw van de bevolking (standaardisatie).
Het per jaar geschatte en ongecorrigeerde aantal nieuwe gevallen van dementie is over de gehele periode 2011-2019 eveneens afgenomen. Voor mannen nam het aantal af van 8.900 in 2011 naar 8.000 in 2019. Voor vrouwen is het aantal afgenomen van 16.700 in 2011 naar 12.400 in 2019 (absolute aantallen zichtbaar in de tabelweergave).

Prevalentie dementie vrijwel constant

In de periode 2011-2019 was het aantal mensen met dementie dat bekend was bij de huisarts (jaarprevalentie) vrijwel constant, voor zowel mannen als vrouwen. Deze trend is gecorrigeerd voor veranderingen in de omvang en leeftijdsopbouw van de bevolking (standaardisatie).
Het per jaar geschatte en ongecorrigeerde aantal mensen met dementie dat bekend was bij de huisarts is voor mannen toegenomen van 35.000 in 2011 naar 44.400 in 2019. Voor vrouwen is dit aantal toegenomen van 64.700 in 2011 naar 69.600 in 2019 (absolute aantal zichtbaar in de tabelweergave).

Prevalentie dementie tussen 1991 en 2014 gestegen

De gestandaardiseerde jaarprevalentie van dementie is in de periode 1991-2014 voor mannen bijna verdubbeld en voor vrouwen met ongeveer 65% gestegen. Deze trend is gebaseerd op de huisartsenregistratie RNH-Limburg (zie: Trend jaarprevalentie en nieuwe gevallen dementie 1991-2014 (PDF; 97 KB)).

Meer informatie

Trend in sterfte door dementie

Sterfte aan dementie 1996-2019

JaarMannen (vóór 2013)Vrouwen (vóór 2013)Mannen (vanaf 2013)Vrouwen (vanaf 2013)Mannen (absoluut)Vrouwen (absoluut)
19961001001.1413.310
1997981031.1433.499
19981001031.1823.534
19991071131.2863.970
20001101141.3564.049
20011161221.4594.431
20021411381.8185.085
20031471391.9355.173
20041391371.8705.179
20051391331.9475.118
20061451422.0975.650
20071321311.9995.325
20081441432.2435.948
20091401402.2945.981
20101501492.5406.519
20111461472.5776.641
20121571642.9087.573
20132131894.0998.924
20142011834.0338.840
20152201984.6159.769
20162352045.13310.275
20172322105.26410.737
20182422155.70211.141
20192312015.66710.602

Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek (gedownload van CBS StatLine in juli 2020)

  • ICD-10-codes F00-F03 en G30-G31
  • Gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 2019
  • Geïndexeerd (1996 is 100)
  • De sterftecijfers vanaf 2013 zijn niet goed vergelijkbaar met eerdere jaren, omdat het CBS is overgestapt van handmatig naar automatisch coderen (zie tekst en Verantwoording).

Sterfte door dementie gestegen

In de periode 1996-2012 is de sterfte als gevolg van dementie voor zowel mannen als vrouwen met ruim de helft toegenomen. In de periode 2013-2018 is de sterfte verder toegenomen. In 2019 lijkt er een lichte daling te zijn (voorlopige cijfers)De weergegeven trends zijn gecorrigeerd voor veranderingen in de omvang en leeftijdssamenstelling van de bevolking (standaardisatie). De toename in de absolute sterfte (niet gestandaardiseerd) is veel groter. Voor mannen is de absolute sterfte ruim 2,5 keer toegenomen, van 1.141 in 1996 naar 2.908 in 2012. Voor vrouwen is de absolute sterfte iets minder dan 2,5 keer toegenomen, van 3.310 in 1996 naar 7.573 in 2012. In de periode 2013-2018 is de absolute sterfte verder toegenomen, gevolgd door een lichte daling in 2019 (voorlopige cijfers). In 2019 overleden 5.667 mannen en 10.602 vrouwen als gevolg van dementie.

Trend beïnvloed door gewijzigde codering doodsoorzaak 

Vanwege veranderingen in de codeerregels in de CBS Doodsoorzakenstatistiek zijn geen cijfers van vóór 1996 opgenomen. Door deze veranderingen in de codeerregels is mogelijk ook de stijging te verklaren tussen 1998 en 2002. Een andere mogelijke verklaring is dat de aandacht voor dementie in deze jaren toenam en het daarom ook vaker als doodsoorzaak werd genoemd.
In 2013 is het CBS is overgestapt van handmatig naar automatisch coderen. De invoer van automatisch coderen ging gepaard met de invoer van een ICD-10-update. Vóór 2013 werden longontstekingen en urineweginfecties als onderliggende doodsoorzaak gecodeerd, tenzij er op het doodsoorzakenformulier expliciet een relatie werd gelegd met een andere doodsoorzaak. Vanaf 2013 worden longontsteking en urineweginfecties gezien als het gevolg van een andere aandoening (zoals dementie), tenzij het doodsoorzakenformulier anders vermeldt. De update heeft geleid tot een verschuiving ten gunste van dementie als doodsoorzaak.

Percentage mensen dat met dementie thuis overlijdt is gestegen

Van de mensen die ten gevolge van dementie overlijden, is het aandeel dat in een zorginstelling overlijdt sinds 2003 afgenomen. In 2003 was dit 92,5% en in 2016 89,8%. Het percentage dat thuis overlijdt is gestegen van 3,9% in 2003 tot 6,5% in 2016 en het percentage dat overlijdt in een ziekenhuis is ongeveer gelijk gebleven (Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek). Opgemerkt moet worden dat het hier gaat om personen met als onderliggende doodsoorzaak dementie. Personen met dementie bij wie als onderliggende doodsoorzaak een andere aandoening is geregistreerd, zijn hier niet meegenomen.

Meer informatie

Toekomstige trend dementie door demografische ontwikkelingen

Verwachte stijging aantal mensen met dementie door alleen demografie

Op basis van uitsluitend demografische ontwikkelingen zal het absoluut aantal mensen met dementie (jaarprevalentie) in de periode 2018-2040 naar verwachting met 94% stijgen. De verwachte stijging bedraagt 116% voor mannen en 81% voor vrouwen. Omdat dementie een aandoening is die vooral bij ouderen voorkomt, leidt vergrijzing van de bevolking tot een toename van het absoluut aantal mensen met dementie. De toename zal groter of kleiner kunnen zijn door andere (niet-demografische) ontwikkelingen die de kans op het vóórkomen van dementie beïnvloeden.

Meer informatie

Datum publicatie

25-03-2021

Verantwoording

Definities
  • Dementie is een hersenaandoening

    Dementie is een verzamelnaam voor hersenaandoeningen met neurocognitieve stoornissen als belangrijkste symptoom. Het cognitieve functioneren gaat in de loop van de tijd achteruit, soms snel, soms langzamer. Patiënten met dementie kunnen hierdoor niet meer zelfstandig functioneren. Er zijn ruim vijftig verschillende hersenaandoeningen die dementie kunnen veroorzaken. De meest voorkomende oorzaken van dementie zijn de ziekte van Alzheimer (ongeveer 65% van alle dementie) vasculaire dementie (ongeveer 22% van alle dementie), frontotemporale dementie (ongeveer 4% van alle dementie) en Lewy body dementie  (ongeveer 2% van alle dementie) (Francke et al., 2018). Naast cognitieve beperkingen kunnen personen met dementie last hebben van stemmings- en/of gedragsveranderingen, zoals depressie en/of angstklachten, apathie, hyperactiviteit, rusteloos gedrag en agitatie, wanen en hallucinaties. De behandeling is vaak ook gericht op deze symptomen (Alzheimer Nederland, 2019). Zorgverleners zijn het er over eens dat psychosociale interventies moeten worden uitgeprobeerd voordat medicijnen worden voorgeschreven (bepaalde indicaties zoals hallucinaties daargelaten) (Zwijsen et al., 2013). Voorbeelden van psychosociale interventies zijn psychotherapie, ondersteuningsgroepen, realiteitsoriëntatietraining en gedragstherapie.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Francke AL, van der Heide I, de Bruin S, Gijsen R, Poos R, Verbeek M, et al. Een samenhangend beeld van dementie en dementiezorg: kerncijfers, behoeften, aanbod en impact. Themarapportage van de Staat van Volksgezondheid en Zorg. . Utrecht: Nivel; 2018. Bron
    2. Zwijsen S, de Lange J, Pot AM, Mahler M, Minkman M. Omgaan met onbegrepen gedrag bij dementie. Inventarisatie richtlijnen en inzichten rondom onbegrepen gedrag bij ouderen met dementie. Utrecht / Utrecht: Trimbos-instituut / Vilans; 2013. Bron
  • DSM-5 heeft de term dementie vervangen door neurocognitieve stoornis

    In de DSM-5 is de term 'dementie' vervangen door de term 'neurocognitieve stoornis (zie tabel). Met deze nieuwe terminologie wil men duidelijk maken dat de cognitieve stoornissen (uitval van hersenfuncties) die bij dementie horen een gevolg zijn van een hersenaandoening of hersenziekte (van Assche et al., 2014). In de praktijk wordt de term dementie echter nog veel gebruikt, daarom hanteren we deze ook nog in VZInfo.

    Onderverdeling van dementie volgens de DSM-IV en de DSM-5

    DSM-IV

    DSM-5

    Ziekte van Alzheimer, inclusief dementie door:

    • Ziekte van Pick
    • Ziekte van Creutzfeldt-Jacob

    Neurocognitieve stoornis door de ziekte van Alzheimer

    Vasculaire dementie

    Vasculaire neurocognitieve stoornis

    Dementie door andere somatische aandoeningen

    Neurocognitieve stoornis door:

    • Frontotemporale afwijkingen
    • Aanwezigheid Lewy-lichaampjes (in hersencellen zich ophopende eiwitten)
    • Traumatisch hersenletsel
    • HIV-infectie
    • Prion ziekte (infectie met een misvormd eiwit)
    • Ziekte van Parkinson
    • Ziekte van Huntington
    • Andere aandoening
    • Meerdere oorzaken

    Persisterendea dementie door middelen

    Neurocognitieve stoornis door middelen/medicatie

    Amnestische stoornis door middelen (syndroom van Korsakoff)

    Neurocognitieve stoornis door middelen/medicatie

    Dementie niet anderszins omschreven

    Niet-gespecificeerde neurocognitieve stoornis

    a. In de DSM-5 is de aanwezigheid van geheugenproblemen geen vereiste meer om de diagnose neurocognitieve stoornis te kunnen stellen. Dit omdat het geheugen niet bij alle vormen van dementie (direct) aangetast wordt.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. van Assche L, Persoons P, Vandenbulcke M. Neurocognitive disorders in DSM-5: a critical review. Tijdschr Psychiatr. 2014;56(3):211-6. Pubmed
Bronverantwoording
  • Tabel: Bronnen bij de cijfers over dementie

    Bron Indicator in VZinfo Gepresenteerde populatie VZinfo Meer informatie
    Nivel Zorgregistraties eerste lijn Prevalentie dementie in huisartsenpraktijk, nieuwe gevallen dementie in huisartsenpraktijk Nederlandse bevolking Nivel Zorgregistraties eerste lijn
    CBS Doodsoorzakenstatistiek Sterfte aan dementie Nederlandse bevolking CBS Doodsoorzakenstatistiek
    Kosten van Ziekten  Zorguitgaven dementie  Nederlandse bevolking Kosten van Ziekten
    Alzheimer Europe Dementie internationaal Europese bevolking  Alzheimer Europe
  • Huisartsenregistratie van dementie

    Voor bepaling van de prevalentie, het aantal nieuwe gevallen van dementie (huidige situatie en trends) zijn gegevens gebruikt van de Nivel Zorgregistraties eerste lijn. De gebruikte ICPC-code is P70. Meer informatie over het schatten van de morbiditeit op basis van gegevens uit huisartsenregistraties is te vinden in Gebruik van huisartsenregistraties voor schattingen morbiditeit.


    Kenmerken van dementie in de huisartspraktijk
    Kenmerken van dementie in het vroege stadium kunnen leiden tot overregistratie van dementie in de huisartspraktijk. Soms vormt het dementeringsproces een uiting van een lichamelijke aandoening of van andere oorzaken (bijvoorbeeld sociaal isolement). Ook wordt depressie op oudere leeftijd nogal eens aangezien voor dementie. Enig goedaardig geheugenverlies waarbij het dagelijks functioneren niet is gestoord, is bovendien een normaal verschijnsel van de veroudering.

    Tegelijkertijd is er ook sprake van onderregistratie. De omgeving van de patiënt onderkent de verschijnselen lang niet altijd, of denkt dat er toch niets aan te doen is. Daardoor komt de aandoening niet of pas laat onder de ogen van de huisarts. Ook zal een huisarts niet altijd de lichtere gevallen van dementie signaleren, maar pas een diagnose stellen als sprake is van een duidelijke achteruitgang in het cognitief functioneren. Bovendien worden patiënten met dementie die naar een verpleeghuis gaan uitgeschreven bij de huisartspraktijk. De verpleeghuisarts wordt dan de arts van deze mensen. Ook bewoners van een verzorgingshuis vallen niet meer onder de zorg van hun ‘eigen’ huisarts, maar hebben vaak een gezamenlijke huisarts. Door bovengenoemde kenmerken lijkt de omvang van dementie in de huisartsenpraktijk lager dan in bevolkingsonderzoek.

    Schattingen uit huisartsenregistraties en epidemiologische bevolkingsonderzoeken verschillen
    Schattingen uit huisartsenregistraties zijn op minder objectiveerbare (gestandaardiseerde) wijze tot stand gekomen dan cijfers uit epidemiologische bevolkingsonderzoeken zoals het ERGO-onderzoek. Ook zal een huisarts niet altijd de lichtere gevallen van dementie detecteren, maar pas een diagnose stellen als sprake is van een duidelijke achteruitgang in het cognitief functioneren (beloopscriterium). Een belangrijk voordeel van deze werkwijze is dat het aantal ten onrechte gediagnosticeerden laag is (hoge specificiteit). Hoewel een minder sensitief instrument, geven huisartsregistraties een betrouwbare ondergrens aan voor (de veranderingen in) het aantal personen in de bevolking in Nederland waarbij (in de loop der jaren) de diagnose dementie is gesteld.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. Nivel Zorgregistraties eerste lijn, Nivel Zorgregistraties. zorggegevens.nl
  • Automatisch coderen bij CBS-doodsoorzakenstatistiek

    Met ingang van het statistiekjaar 2013 codeert het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) doodsoorzakenformulieren automatisch met behulp van het softwarepakket IRIS. Dit is een verschil met voorgaande jaren waarin doodsoorzakenformulieren handmatig werden verwerkt. Automatische codering brengt een betere internationale vergelijkbaarheid en reproduceerbaarheid van de gegevens met zich mee. Het veroorzaakt echter ook verschuivingen in doodsoorzaken. Daardoor zijn de sterftecijfers vanaf het jaar 2013 niet altijd goed vergelijkbaar met sterftecijfers uit eerdere jaren. Voor meer informatie over het automatisch coderen verwijzen wij naar vier artikelen van het CBS:

    • Het automatisch coderen van doodsoorzaken. Een nieuwe werkwijze bij de doodsoorzakenstatistiek (Harteloh et al., 2014)
    • Verschuivingen in de doodsoorzakenstatistiek bij de introductie van het automatisch coderen (Harteloh, 2014)
    • Van handmatig naar automatisch coderen van doodsoorzaken. Een bridge coding study (Harteloh, 2015)
    • Veranderingen in de doodsoorzakenstatistiek 2012-2013 (Harteloh, 2016)

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Harteloh PPM, van Hilten O, Kardaun JWPF. Het automatisch coderen van doodsoorzaken. Een nieuwe werkwijze bij de doodsoorzakenstatistiek. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2014. Bron
    2. Harteloh PPM. Verschuivingen in de doodsoorzakenstatistiek bij de introductie van het automatisch coderen. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2014. Bron
    3. Harteloh PPM. Van handmatig naar automatisch coderen van doodsoorzaken. Een bridge coding study. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2015. Bron
    4. Harteloh PPM. Veranderingen in de doodsoorzakenstatistiek 2012-2013. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2016. Bron
Methoden
  • Kanttekeningen bij schattingen aantal personen met dementie

    De schatting in het onderzoek van Prince e.a. is gebaseerd op een samenvoeging van een groot aantal internationale studies, en heeft daarom een grote totale onderzoekspopulatie. De afzonderlijke studies (ingedeeld naar een aantal grotere regio’s waaronder West-Europa) vonden echter plaats in veel verschillende landen, met verschillen in het vóórkomen van dementie. Bovendien is een deel van de studies alweer enige jaren geleden uitgevoerd, en is het de vraag of de schattingen van toen nog steeds gelden. De schatting van Alzheimer Nederland is gebaseerd op het ERGO-onderzoek, dat 25 jaar geleden werd uitgevoerd in de wijk Ommoord in Rotterdam. Het is de vraag of deze oude cijfers uit één bepaalde wijk representatief zijn voor heel Nederland. Bovendien is het niet zeker of de leeftijdsspecifieke prevalentiecijfers van destijds nu nog steeds gelden. Veranderingen in het aantal nieuwe gevallen van dementie en de overlevingsduur van mensen met dementie kunnen ervoor gezorgd hebben dat de prevalentiecijfers in de loop van de tijd zijn gewijzigd (Haaksma et al., 2017).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Haaksma M.L., Claassen J.A.H., Olde Rikkert MGM, Melis R.J.F. Dementie: groeiende ramp of afnemende epidemie? Ned Tijdschr Geneeskd. 2017;(161). Bron
  • Regionale vergelijkingen/CMF’s

    In de kaart is de gestandaardiseerde sterfte weergegeven waarbij gecorrigeerd is voor verschillen in leeftijd en geslacht. De zo verkregen waarden worden CMF's genoemd (Comparitive Mortality Figures). De sterfte in heel Nederland is gesteld op 100. Een gestandaardiseerde sterfte boven of onder de 100 duidt op respectievelijk een hogere of lagere sterfte dan in Nederland. 

    Omdat we ook willen weten welke waarde we aan een verschil mogen hechten, hebben we ook een kaart met significantieniveaus opgenomen. De regio's die ver onder en ver boven het Nederlands gemiddelde liggen, zijn vrijwel altijd significant. Scoort een regio onder de 0,05, dan is de kans dat de afwijking van het Nederlands gemiddelde toeval is, kleiner dan 5%. Scoort een regio 0,01, dan is die kans 1%.

  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.

    Toetsing trends

    Toetsing van de trend heeft plaatsgevonden op ongestandaardiseerde data door middel van een logistische regressie, waarbij is gecorrigeerd is voor leeftijd en geslacht. Daarbij wordt getoetst of er een statistisch significante toe- of afname is met een significantieniveau (p-waarde) van 0,05. Vaak is onderscheid gemaakt naar trends in verschillende subpopulaties: mannen, vrouwen en leeftijdsgroepen. Daarnaast is getoetst of de trend voor mannen en vrouwen statistisch significant verschilt.
    De kans op het vinden van een toevallige significante uitkomst neemt toe met het aantal uitgevoerde toetsen. Om hiervoor te corrigeren is een Benjamini‐Hochberg‐correctie op de p‐waardes uitgevoerd.