Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

DementieCijfers & ContextSterfte

Cijfers & Context

Aantal mensen met dementie stijgt

Regionaal & Internationaal

Laagste sterfte aan dementie in Friesland

Kosten

Zorgkosten dementie 6,6 miljard euro in 2015

Preventie & Zorg

Helft van de patienten ontvangt thuiszorg

Sterfte dementie naar leeftijd en geslacht

Sterfte aan dementie 2017

LeeftijdsklasseMannenVrouwenTotaalMannen (absoluut)Vrouwen (absoluut)Totaal (absoluut)
00,00,00,0000
1-40,30,00,1101
5-90,00,00,0000
10-140,20,00,1101
15-190,00,00,0000
20-240,00,00,0000
25-290,00,00,0000
30-340,20,00,1101
35-390,40,00,2202
40-440,20,00,1101
45-490,00,50,2033
50-541,40,91,29615
55-591,84,33,1112637
60-647,96,17,0423375
65-6927,827,027,4139137276
70-7479,072,675,7323313636
75-79240,4251,9246,66477841.431
80-84697,6730,1716,51.1891.7142.903
85-891.839,42.014,51.951,91.5993.1474.746
90-943.558,64.324,64.106,410033.0604.063
95+5.851,67.732,97.348,22911.4961.787

Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek (gedownload van CBS StatLine in juli 2018)

  • ICD-10-code F00-F03 en G30-G31
  • Cijfers zijn voorlopig

In 2017 overleden bijna 16.000 personen aan dementie

In 2017 overleden 15.978 personen met dementie als onderliggende doodsoorzaak, 5.259 mannen en 10.719 vrouwen (61,9 per 100.000 mannen en 124,2 per 100.000 vrouwen). De sterfte neemt toe met de leeftijd en treedt vooral op hoge leeftijd op. Van het totaal aantal overledenen door dementie was 93% 75 jaar of ouder. Mensen overlijden aan dementie omdat zij niet meer kunnen eten of drinken, slikstoornissen ontwikkelen, dan wel een luchtweg- of urineweginfectie oplopen. Bij vergevorderde dementie werken hersenfuncties als slikken niet goed meer waardoor de kans bestaat op verslikken met longontsteking als gevolg. Ook verminderd doorademen kan longontsteking tot gevolg hebben. Een verminderde blaasreflex kan leiden tot incontinentie en urineweginfecties (CBS, 2017).

Meer informatie

Sterfte dementie naar type

Sterfte dementie naar geslacht en vorm van dementie 2017

Omschrijving

Mannen

Vrouwen

Totaal

% van
totaal

Dementie bij ziekte van Alzheimer (F00)

0

0

0

0

Vasculaire dementie (F01)

646

684

1.330

7,2

Dementie bij elders geclassificeerde
ziekten (F02)

0

0

0

0

Niet-gespecificeerde dementie (F03)

3.083

7.035

10.118

64,1

Ziekte van Alzheimer (G30)

1.236

2.754

3.990

25,3

Overige degeneratieve ziekten
van het zenuwstelsel, niet
elders geclassificeerd* (G31)

294

246

540

3,4

Totaal

5.259

10.719

15.978

100


Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek (gedownload van CBS StatLine in juli 2018)


* In de meeste gevallen gaat het hier om een andere vorm van dementie.

  • Cijfers zijn voorlopig

Vorm van dementie bij overlijden vaak niet gespecificeerd

In 2017 overleden 15.978 personen met dementie als onderliggende doodsoorzaak, Bij ongeveer 35% van de mensen die als gevolg van dementie overleden is de vorm van dementie waaraan men overleed gespecificeerd, bij ongeveer 65% dus niet. Bij een kwart van de totale groep was de doodsoorzaak de ziekte van Alzheimer en bij ongeveer 7% vasculaire dementie.

Meer informatie

Sterfte naar verblijfplaats

Plaats van overlijden van mensen met dementie als onderliggende doodsoorzaak in 2016 naar leeftijd en geslacht

 

Mannen

Vrouwen

Totaal

Plaats van
overlijden (%)

0-79

80+

alle
lft

0-79

80+

alle
lft

0-79

80+

alle
lft

(Psychiatrisch)
ziekenhuis

6,1

3,1

3,8

3,9

1,1

1,5

5

1,7

2,2

Verpleeg- of
verzorgingshuis

80,9

87,4

85,9

84,2

92,7

91,7

82,6

91,1

89,8

Overige
instellingen

2,4

1,6

1,8

3,5

1,2

1,4

2,9

1,3

1,6

Thuis

10,6

7,8

8,5

8,4

5,1

5,4

9,5

5,9

6,5

 

  • ICD-10-code F00-F03 en G30-G31

Ruim 90% van de mensen met dementie overlijdt in een zorginstelling

Bij de meeste mensen die overlijden met dementie als onderliggende doodsoorzaak, gebeurt dit in een zorginstelling (verpleeg- of verzorgingshuis) (90%). Slechts weinig mensen die overlijden ten gevolge van dementie, overlijden thuis (6,5%). Dit is een groot verschil met personen die overlijden als gevolg van bijvoorbeeld kanker, van wie bijna de helft thuis overlijdt (Cohen et al., 2015). Bij relatief meer mannen dan vrouwen vindt het overlijden door dementie thuis plaats (8,5 versus 5,4% van de gevallen). Ook het aandeel van hen dat in een ziekenhuis overlijdt is bij mannen hoger dan bij vrouwen, terwijl vrouwen meer overlijden in een zorginstelling. Mensen jonger dan 80 jaar die overlijden ten gevolge van dementie overlijden meer in een ziekenhuis of thuis dan mensen ouder dan 80 jaar.

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Cohen J, Pivodic L, Miccinesi G, Onwuteaka-Philipsen BD, Naylor WA, Wilson DM, et al. International study of the place of death of people with cancer: a population-level comparison of 14 countries across 4 continents using death certificate data. Br J Cancer. 2015;113(9):1397-404. Pubmed | DOI

Verantwoording

Definities
  • Dementie is een hersenaandoening

    Dementie is een hersenaandoening met cognitieve stoornissen als gevolg. Het belangrijkste symptoom van dementie is dat het cognitieve functioneren achteruitgaat. De meest voorkomende vorm van dementie is de ziekte van Alzheimer (ongeveer 60-70% van alle gevallen). Andere vormen zijn onder andere vasculaire dementie, frontotemporale dementie en Lewy-body-dementie. Naast cognitieve beperkingen kunnen personen met dementie last hebben van stemmings- en/of gedragsveranderingen, zoals depressie- en/of angstklachten, apathie, hyperactiviteit, rusteloos gedrag en agitatie, wanen en hallucinaties. De behandeling is vaak ook gericht op deze symptomen (Alzheimer Nederland). Zorgverleners zijn het er over eens dat psychosociale interventies moeten worden uitgeprobeerd voordat medicijnen worden voorgeschreven (bepaalde indicaties zoals hallucinaties daargelaten) (Zwijsen et al., 2013). Voorbeelden van psychosociale interventies zijn psychotherapie, ondersteuningsgroepen, realiteitsoriëntatietraining en gedragstherapie. 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Zwijsen S, de Lange J, Pot AM, Mahler M, Minkman M. Omgaan met onbegrepen gedrag bij dementie. Inventarisatie richtlijnen en inzichten rondom onbegrepen gedrag bij ouderen met dementie. Utrecht / Utrecht: Trimbos-instituut / Vilans; 2013. Bron
  • DSM-5 heeft de term dementie vervangen door neurocognitieve stoornis

    In de DSM-5 is de term 'dementie' vervangen door de term 'neurocognitieve stoornis (zie tabel). Met deze nieuwe terminologie wil men duidelijk maken dat de cognitieve stoornissen (uitval van hersenfuncties) die bij dementie horen een gevolg zijn van een hersenaandoening of hersenziekte (van Assche et al., 2014). In de praktijk wordt de term dementie echter nog veel gebruikt, daarom hanteren we deze ook nog in VZInfo.

    Onderverdeling van dementie volgens de DSM-IV en de DSM-5

    DSM-IV

    DSM-5

    Ziekte van Alzheimer, inclusief dementie door:

    • Ziekte van Pick
    • Ziekte van Creutzfeldt-Jacob

    Neurocognitieve stoornis door de ziekte van Alzheimer

    Vasculaire dementie

    Vasculaire neurocognitieve stoornis

    Dementie door andere somatische aandoeningen

    Neurocognitieve stoornis door:

    • Frontotemporale afwijkingen
    • Aanwezigheid Lewy-lichaampjes (in hersencellen zich ophopende eiwitten)
    • Traumatisch hersenletsel
    • HIV-infectie
    • Prion ziekte (infectie met een misvormd eiwit)
    • Ziekte van Parkinson
    • Ziekte van Huntington
    • Andere aandoening
    • Meerdere oorzaken

    Persisterendea dementie door middelen

    Neurocognitieve stoornis door middelen/medicatie

    Amnestische stoornis door middelen (syndroom van Korsakoff)

    Neurocognitieve stoornis door middelen/medicatie

    Dementie niet anderszins omschreven

    Niet-gespecificeerde neurocognitieve stoornis

    a. In de DSM-5 is de aanwezigheid van geheugenproblemen geen vereiste meer om de diagnose neurocognitieve stoornis te kunnen stellen. Dit omdat het geheugen niet bij alle vormen van dementie (direct) aangetast wordt.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. van Assche L, Persoons P, Vandenbulcke M. Neurocognitive disorders in DSM-5: a critical review. Tijdschr Psychiatr. 2014;56(3):211-6. Pubmed
Bronverantwoording
  • Dementie: ERGO-onderzoek (Epidemiologisch bevolkingsonderzoek)

    ERGO: Erasmus Rotterdam Gezondheid en Ouderen-onderzoek

    In het ERGO (Erasmus Rotterdam Gezondheid en Ouderen)-onderzoek werden tussen midden 1989 en midden 1993 7.528 personen van 55 jaar en ouder (inclusief verzorgingshuisbewoners) gescreend op dementie. Degenen die positief scoorden, werden verder onderzocht (Ott et al., 1996). Er werd gescreend door middel van een ‘Mini Mental State Examination’ (MMSE) en de ‘Geriatric Mental State Schedule’ (GMS). Bij personen met een positieve screeningstest (MMSE <26 en/of GMS >0) werd de ‘Cambridge mental disorders of the elderly examination’ (CAMDEX) afgenomen. De CAMDEX bestaat uit een cognitietest (CAMCOG) en een gestandaardiseerde neurologische en psychiatrische anamnese. Daarnaast werd een bekende van personen die positief op de screeningstest scoorden, geïnterviewd. Personen met een CAMCOG-score < 80 of bij wie de arts dementie vermoedde, werden door een neuroloog onderzocht. Op basis daarvan werd eventueel aanvullend onderzoek verricht (neuropsychologisch onderzoek, MRI-scan). Van de bewoners van verzorgingshuizen die al bekend waren met dementie en de personen die na screening medewerking weigerden, werden via huisarts, specialist en RIAGG aanvullende gegevens achterhaald. Bij het stellen van de diagnose dementie werden de DSM-III-R criteria gebruikt. De volgende indeling werd gemaakt:

    • Ziekte van Alzheimer: diagnose gesteld op basis van NINCDS-ADRDA-criteria (criteria voor Alzheimer dementie die veel toegepast worden in epidemiologisch onderzoek, gepubliceerd in 1984). Er werd onderscheid gemaakt in ‘mogelijk’ en ‘waarschijnlijk’ ziekte van Alzheimer. Patiënten met volgens deze criteria ‘mogelijke’ ziekte van Alzheimer die (nog) niet voldeden aan de DSM-III-R criteria van dementie, werden toch meegeteld.
    • Vasculaire dementie: patiënten die voldeden aan criteria van multi-infarct dementie volgens de DSM-III-R of na een beroerte voldeden aan de NINDS-AIREN-criteria (criteria voor vasculaire dementie, gepubliceerd in 1993).
    • Dementie bij de ziekte van Parkinson: als de dementie ontstond bij een patiënt die al bekend was met idiopathisch parkinsonisme.
    • Overige dementie: dementie op basis van alcoholmisbruik, tumor cerebri of ‘normal pressure hydrocephalus’.

    Tussen midden 1993 en eind 1994 werden op dezelfde wijze 5.571 personen die bij het hiervoor beschreven onderdeel geen dementie hadden, opnieuw gescreend en bij een positieve uitslag verder onderzocht. Hierdoor kon de incidentie vastgesteld worden (Ott et al., 1997).

    Alzheimer Nederland

    In de tekst over het aantal mensen met dementie maken we ook gebruik van cijfers die door Alzheimer Nederland zijn geschat op basis van onder meer het ERGO-onderzoek. 

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. ERGO, Erasmus Rotterdam Gezondheidsonderzoek (of Rotterdam Study). zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. Ott A, Breteler MMB, Birkenhäger-Gillesse EB, van Harskamp F, de Koning I, Hofman A. De prevalentie bij ouderen van de ziekte van Alzheimer, vasculaire dementie en dementie bij de ziekte van Parkinson; het ERGO-onderzoek. Ned Tijdschr Geneeskd. 1996;140. Bron
    2. Ott A, Breteler MMB, van Harskamp F, Grobbee DE, Hofman A. The incidence of dementia in the Rotterdam Study. In: Alzheimer's disease: biology, diagnosis and therapeutics. Chichester: John Wiley & Sons Ltd.; 1997. Bron
  • Huisartsenregistratie van dementie

    Voor bepaling van de prevalentie en het aantal nieuwe gevallen van dementie (huidige situatie) zijn gegevens gebruikt van de NIVEL Zorgregistraties eerste lijn. Voor de beschrijving van de trend in prevalentie en het aantal nieuwe gevallen van dementie is gebruikgemaakt van een andere huisartsenregistratie: RNH-Limburg. De registratie over het voorkomen van ziekten in de huisartsenpraktijk van RNH-Limburg gaat terug tot 1987. NIVEL Zorgregistraties eerste lijn heeft gegevens over een kortere periode en wordt daarom niet gebruikt voor de beschrijving van de trends.

    De gebruikte ICPC-code is P70.

    Meer informatie over het schatten van de morbiditeit op basis van gegevens uit huisartsenregistraties is te vinden in Gebruik van huisartsenregistraties voor schattingen morbiditeit.

    Kenmerken van dementie in de huisartspraktijk
    Kenmerken van dementie in het vroege stadium kunnen leiden tot overregistratie van dementie in de huisartspraktijk. Soms vormt het dementeringsproces een uiting van een lichamelijke aandoening of van andere oorzaken (bijvoorbeeld sociaal isolement). Ook wordt depressie op oudere leeftijd nogal eens aangezien voor dementie. Enig goedaardig geheugenverlies waarbij het dagelijks functioneren niet is gestoord, is bovendien een normaal verschijnsel van de veroudering.

    Tegelijkertijd is er ook sprake van onderregistratie. De omgeving van de patiënt onderkent de verschijnselen lang niet altijd, of denkt dat er toch niets aan te doen is. Daardoor komt de aandoening niet of pas laat onder de ogen van de huisarts. Ook zal een huisarts niet altijd de lichtere gevallen van dementie signaleren, maar pas een diagnose stellen als sprake is van een duidelijke achteruitgang in het cognitief functioneren. Bovendien worden patiënten met dementie die naar een verpleeghuis gaan uitgeschreven bij de huisartspraktijk. De verpleeghuisarts wordt dan de arts van deze mensen. Ook bewoners van een verzorgingshuis vallen niet meer onder de zorg van hun ‘eigen’ huisarts, maar hebben vaak een gezamenlijke huisarts. Door bovengenoemde kenmerken lijkt de omvang van dementie in de huisartsenpraktijk lager dan in bevolkingsonderzoek.

    Schattingen uit huisartsenregistraties en epidemiologische bevolkingsonderzoeken verschillen
    Schattingen uit huisartsenregistraties zijn op minder objectiveerbare (gestandaardiseerde) wijze tot stand gekomen dan cijfers uit epidemiologische bevolkingsonderzoeken zoals het ERGO-onderzoek. Ook zal een huisarts niet altijd de lichtere gevallen van dementie detecteren, maar pas een diagnose stellen als sprake is van een duidelijke achteruitgang in het cognitief functioneren (beloopscriterium). Een belangrijk voordeel van deze werkwijze is dat het aantal ten onrechte gediagnosticeerden laag is (hoge specificiteit). Hoewel een minder sensitief instrument, geven huisartsregistraties een betrouwbare ondergrens aan voor (de veranderingen in) het aantal personen in de bevolking in Nederland waarbij (in de loop der jaren) de diagnose dementie is gesteld.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. NIVEL Zorgregistraties eerste lijn, NIVEL Zorgregistraties. zorggegevens.nl
    2. RNH, Registratienet Huisartspraktijken Limburg / Research Network Family Medicine (RNFM) Maastricht. zorggegevens.nl
  • Dementie: Sterftestatistiek

    CBS Doodsoorzakenstatistiek

    De sterftecijfers hebben betrekking op sterfte met dementie als onderliggende doodsoorzaak. In 1990 werd dementie weinig als doodsoorzaak gecodeerd door het CBS. Door veranderingen in de codeerregels werd het na 1990 veel gebruikelijker dementie als onderliggende doodsoorzaak te coderen (CBS, persoonlijke mededeling). De gebruikte ICD-10-codes zijn: F00-F03 en G30. Code G31 'overige degeneratieve ziekten van zenuwstelsel, niet elders geclassificeerd' is niet geïncludeerd.

  • Automatisch coderen bij CBS-doodsoorzakenstatistiek

    Met ingang van het statistiekjaar 2013 codeert het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) doodsoorzakenformulieren automatisch met behulp van het softwarepakket IRIS. Dit is een verschil met voorgaande jaren waarin doodsoorzakenformulieren handmatig werden verwerkt. Automatische codering brengt een betere internationale vergelijkbaarheid en reproduceerbaarheid van de gegevens met zich mee. Het veroorzaakt echter ook verschuivingen in doodsoorzaken. Daardoor zijn de sterftecijfers vanaf het jaar 2013 niet altijd goed vergelijkbaar met sterftecijfers uit eerdere jaren. Voor meer informatie over het automatisch coderen verwijzen wij naar vier artikelen van het CBS:

    • Het automatisch coderen van doodsoorzaken. Een nieuwe werkwijze bij de doodsoorzakenstatistiek (Harteloh et al., 2014)
    • Verschuivingen in de doodsoorzakenstatistiek bij de introductie van het automatisch coderen (Harteloh, 2014)
    • Van handmatig naar automatisch coderen van doodsoorzaken. Een bridge coding study (Harteloh, 2015)
    • Veranderingen in de doodsoorzakenstatistiek 2012-2013 (Harteloh, 2016)

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Harteloh PPM, van Hilten O, Kardaun JWPF. Het automatisch coderen van doodsoorzaken. Een nieuwe werkwijze bij de doodsoorzakenstatistiek. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2014. Bron
    2. Harteloh PPM. Verschuivingen in de doodsoorzakenstatistiek bij de introductie van het automatisch coderen. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2014. Bron
    3. Harteloh PPM. Van handmatig naar automatisch coderen van doodsoorzaken. Een bridge coding study. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2015. Bron
    4. Harteloh PPM. Veranderingen in de doodsoorzakenstatistiek 2012-2013. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2016. Bron
  • Dementie: Internationaal

    Alzheimer Europe

    Internationaal vergelijkbare gegevens over dementie zijn schaars. Schattingen over de prevalentie van dementie in verschillende landen van de Europese Unie zijn beschikbaar uit het EuroCoDe project (European Collaboration on Dementia) dat werd geleid door Alzheimer Europe. ’De landenspecifieke schattingen uit EuroCoDe zijn gebaseerd op gegevens over de leeftijdsverdeling van Eurostat en op de geschatte gemiddelde prevalentie van diabetes afkomstig van de EURODEM groep en een studie van Ferri en collega’s uit 2005 (Alzheimer Europe, 2006). De EURODEM groep heeft gegevens over de prevalentie van matige tot ernstige dementie in verschillende Europese landen gepooled om een gemiddelde Europese prevalentie te verkrijgen voor negen leeftijdsgroepen (Hofman et al., 1991). Ferri en collega’s ontwikkelden hun prevalentiecijfers met een zogeheten DELPHI benadering. Dit houdt in dat de cijfers zijn gebaseerd op consensus onder dementie-experts en niet op epidemiologische studies (Ferri et al., 2005).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Alzheimer Europe. Dementia in Europe Yearbook 2006. Including the Alzheimer Europe Annual Report 2005. Luxemburg: Alzheimer Europe; 2006. Bron
    2. Hofman A, Rocca WA, Brayne C, Breteler MMB, Clarke M, Cooper B, et al. The prevalence of dementia in Europe: a collaborative study of 1980-1990 findings. Eurodem Prevalence Research Group. Int J Epidemiol. 1991;20(3):736-48. Pubmed
    3. Ferri CP, Prince M, Brayne C, Brodaty H, Fratiglioni L, Ganguli M, et al. Global prevalence of dementia: a Delphi consensus study. Lancet. 2005;366(9503):2112-7. Pubmed | DOI
Methoden
  • Nadelen schattingen aantal personen met dementie

    De schatting in het onderzoek van Prince e.a. is gebaseerd op een samenvoeging van een groot aantal internationale studies, en heeft daarom een grote totale onderzoekspopulatie. De afzonderlijke studies (ingedeeld naar een aantal grotere regio’s waaronder West-Europa) vonden echter plaats in veel verschillende landen, met verschillen in het vóórkomen van dementie. Bovendien is een deel van de studies alweer enige jaren geleden uitgevoerd, en is het de vraag of de schattingen van toen nog steeds gelden. De schatting van Alzheimer Nederland is gebaseerd op het ERGO-onderzoek, dat 25 jaar geleden werd uitgevoerd in de wijk Ommoord in Rotterdam. Het is de vraag of deze oude cijfers uit één bepaalde wijk representatief zijn voor heel Nederland. Bovendien is het niet zeker of de leeftijdsspecifieke prevalentiecijfers van destijds nu nog steeds gelden. Veranderingen in het aantal nieuwe gevallen van dementie en de overlevingsduur van mensen met dementie kunnen ervoor gezorgd hebben dat de prevalentiecijfers in de loop van de tijd zijn gewijzigd (Haaksma et al., 2017).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Haaksma M.L., Claassen J.A.H., Rikkert M.GMOl, Melis R.J.F. Dementie: groeiende ramp of afnemende epidemie? Ned Tijdschr Geneeskd. 2017;(161). Bron
  • Regionale vergelijkingen/CMF’s

    In de kaart is de gestandaardiseerde sterfte weergegeven waarbij gecorrigeerd is voor verschillen in leeftijd en geslacht. De zo verkregen waarden worden CMF's genoemd (Comparitive Mortality Figures). De sterfte in heel Nederland is gesteld op 100. Een gestandaardiseerde sterfte boven of onder de 100 duidt op respectievelijk een hogere of lagere sterfte dan in Nederland. 

    Omdat we ook willen weten welke waarde we aan een verschil mogen hechten, hebben we ook een kaart met significantieniveaus opgenomen. De regio's die ver onder en ver boven het Nederlands gemiddelde liggen, zijn vrijwel altijd significant. Scoort een regio onder de 0,05, dan is de kans dat de afwijking van het Nederlands gemiddelde toeval is, kleiner dan 5%. Scoort een regio 0,01, dan is die kans 1%.

  • Schatting van het aantal mensen met dementie in verpleeghuizen

    Het aantal personen met dementie in verpleeghuizen is geschat met:

    1. cijfers over zorg met verblijf (ZMV) voor personen met een psychogeriatrische aandoening als grondslag (Bron: CBS-StatLine; data afkomstig van Registratie CIZ en iWlz, voorheen het CAK);
    2. cijfers over het aantal personen met behandeling gebaseerd op de bekostiging per zorgzwaartepakket (Bron: NZa-ciifers uit de Monitor Langdurige Zorg (MLZ).

    Bekend is hoeveel mensen in een instelling verblijven. Onbekend is of iemand in een verpleeghuis of een verzorgingshuis verblijft. Wel is bekend dat iemand die in een verzorgingshuis verblijft, zorg zonder behandeling ontvangt. Personen die in een verzorgingshuis verblijven hebben nog een eigen huisarts door wie zij worden behandeld. Personen die in een verpleeghuis verblijven, ontvangen zorg met behandeling door het verpleeghuis.

    Het aantal mensen met een psychogeriatrische aandoening dat in een verpleeghuis verblijft, is als volgt geschat:

    Het aantal personen dat zorg met verblijf (gebruik ZMV) heeft met een psychogeriatrische aandoening als grondslag, was 65.220 in 2013. Op basis van de gegevens over het zorgzwaartepakket (zzp), was voor 50.000 van deze personen sprake van zorg  met behandeling. Dit betekent dat zij in een verpleeghuis verbleven.

    We nemen aan dat het aantal personen met een dominante (eerste) grondslag PG (psychogeriatrische) in een verpleeghuis een goede schatting is van het aantal mensen met dementie in een verpleeghuis. Niet iedereen met een dominante grondslag PG heeft dementie. Er zijn echter ook personen in een verpleeghuis die wel dementie hebben, maar die met een andere dominante grondslag dan een psychogeriatrische aandoening in het verpleeghuis verblijven.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. Registratie CIZ, Registratie Centrum Indicatiestelling Zorg. zorggegevens.nl
    2. iWlz, Informatiestandaard Wet langdurige zorg. zorggegevens.nl
    3. MLZ, Monitor Langdurige Zorg. zorggegevens.nl
  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.