Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

DementieCijfers & ContextOorzaken en gevolgen

Cijfers & Context

Aantal mensen met dementie neemt toe

Regionaal & Internationaal

Laagste sterfte aan dementie in Friesland

Kosten

Zorguitgaven dementie 9,1 miljard euro

Preventie & Zorg

Helft van de patienten ontvangt thuiszorg

Oorzaken van dementie

Dementie is verzamelnaam voor ruim vijftig verschillende hersenaandoeningen

Dementie is niet één ziekte, maar een verzamelnaam voor ruim vijftig verschillende hersenaandoeningen met neurocognitieve stoornissen als belangrijkste symptoom. De neurocognitieve stoornissen verergeren in de loop van de tijd, waardoor mensen niet meer zelfstandig kunnen functioneren. De meest voorkomende oorzaken van dementie zijn de ziekte van Alzheimer (ongeveer 65% van alle dementie), vasculaire dementie (ongeveer 22% van alle dementie), frontotemporale dementie (ongeveer 4% van alle dementie) en Lewy body dementie (ongeveer 2% van alle dementie) (Francke et al., 2018). Vaak komt een combinatie voor en is het niet goed vast te stellen welke hersenaandoening mensen precies hebben. Voor de meest voorkomende oorzaken van dementie bespreken we hieronder de ziektemechanismen.

Bij de ziekte van Alzheimer sterven hersencellen af

De ziekte van Alzheimer wordt gekenmerkt door ophopingen van eiwitten in en om de hersencellen (zogenaamde beta-amyloid- en tau-eiwit-ophopingen). De hersencellen (neuronen) kunnen daardoor niet meer goed functioneren, en zullen uiteindelijk afsterven. Doordat dit proces begint in het hersengebied dat belangrijk is voor het geheugen (de hippocampus) begint deze ziekte vaak met geheugenproblemen. Ook gezonde mensen maken amyloid-eiwit aan maar zij breken dit ook weer af. Bij patiënten met de ziekte van Alzheimer is de afbraak en afvoer van amyloid-eiwitten gestoord. Amyloid-eiwitten hopen zich op in en rond de bloedvaten in de hersenen. Bloedvaten kunnen daardoor ontsteken waardoor het immuunsysteem wordt geactiveerd. Dit kan vervolgens leiden tot meer schade aan het hersenweefsel en nog meer aanmaak van amyloid (Alzheimer Nederland, 2019).

Tientallen genvariaties die risico op ziekte van Alzheimer op latere leeftijd vergroten

Er zijn tientallen genvariaties bekend die het risico op de ziekte van Alzheimer op latere leeftijd vergroten. Het gaat bijvoorbeeld om genvariaties die zijn gerelateerd aan afwijkingen in cellen van het immuunsysteem van de hersenen (gliacellen) en  de afbraak van eiwitten en de vethuishouding (Jansen et al., 2019). Al langer is bekend dat het gen ApoE4 (Apolipoprotein E4) (van den Kommer, 2011) dat van belang is bij de cholesterolhuishouding in de hersenen, een rol speelt bij de ziekte van Alzheimer.

Bij klein deel van patiënten is familiair genetisch defect oorzaak van Alzheimer

Bij een klein deel van de patiënten (ongeveer 5%, Ballard et al., 2011) veroorzaakt een familiair genetisch defect de ziekte. Wanneer de ziekte zich al op jonge leeftijd openbaart (tussen 30 en 50 jaar) en er meerdere familieleden de ziekte vroeg ontwikkelen, is er een verdenking op een autosomaal overervende vorm van de ziekte (Alzheimer Nederland, 2019).

Vasculaire dementie door verminderde doorbloeding hersenen

Vasculaire dementie komt vaak voor bij patiënten die lijden aan hart- en vaatziekten, zoals hoge bloeddruk, hartritmestoornissen, of suikerziekte. De symptomen beginnen vaak plotseling na een beroerte of een TIA (kortdurende afsluiting van een bloedvat). Meerdere TIA’s verhogen het risico op dementie. Door een (tijdelijke) storing in de doorbloeding raken hersencellen beschadigd en sterven af.

Frontotemporale dementie is vaak erfelijk

Bij frontotemporale dementie zijn de frontaalkwab (voorzijde van de hersenen) en de temporaal kwab (slaapkwab) beschadigd. Door eiwitklonteringen en neerslagen van de eiwitten TDP-43, Tau en FUS kunnen hersencellen niet goed meer kunnen functioneren en sterven af. (Alzheimer Nederland, 2019, Meeter et al., 2017).
Bij 25-40% van de patiënten is een afwijkend familiair gen de oorzaak. De ziekte komt dan bij meerdere familieleden voor. Als één van de ouders een erfelijke variant van de ziekte heeft, is de kans vijftig procent dat hun kind deze ziekte ook zal krijgen. (Alzheimer Nederland, 2019 of Erfocentrum, 2019)

Bij Lewy body dementie is de prikkeloverdracht verstoord

Bij patiënten met Lewy body dementie hebben de zenuwcellen in de hersenen abnormale neerslagen van eiwitten, Lewy bodies genoemd, waardoor de prikkeloverdracht verstoord raakt. De neerslagen zitten in de beginfase voornamelijk in de hersenschors. Patiënten met Parkinson hebben een hogere kans om Lewy body dementie te ontwikkelen.
Lewy body dementie is in het overgrote deel van de gevallen niet erfelijk (Alzheimer Nederland, 2019).

Datum publicatie

04-11-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Francke AL, van der Heide I, de Bruin S, Gijsen R, Poos R, Verbeek M, et al. Een samenhangend beeld van dementie en dementiezorg: kerncijfers, behoeften, aanbod en impact. Themarapportage van de Staat van Volksgezondheid en Zorg. . Utrecht: Nivel; 2018. Bron
  2. Jansen IE, Savage JE, Watanabe K, Bryois J, Williams DM, Steinberg S, et al. Genome-wide meta-analysis identifies new loci and functional pathways influencing Alzheimer's disease risk. Nat Genet. 2019;51(3):404-413. Pubmed | DOI
  3. van den Kommer TN. Cognitive decline in late-life: biological markers and early identification of persons at risk for dementia. Amsterdam: Vrije Universiteit; 2011. Bron
  4. Ballard C, Gauthier S, Corbett A, Brayne C, Aarsland D, Jones E. Alzheimer's disease. Lancet. 2011;377(9770):1019-31. Pubmed | DOI
  5. Meeter LH, Kaat LDonke, Rohrer JD, van Swieten JC. Imaging and fluid biomarkers in frontotemporal dementia. Nat Rev Neurol. 2017;13(7):406-419. Pubmed | DOI

Risicofactoren voor dementie

Aantal risicofactoren bekend, maar ook nog veel onbekend

Dementie ontstaat meestal uit een ingewikkeld samenspel van veroudering, genetische gevoeligheid en leefstijl (Baumgart et al., 2015, Licher et al., 2019). De risicofactoren voor de verschillende hersenaandoeningen met dementie komen vaak overeen. Los van (vermoedens van) genetische oorzaken zijn er niet altijd duidelijke redenen aan te wijzen waarom iemand juist die specifieke hersenaandoening ontwikkelt.

Leeftijd duidelijkste determinant, rol van geslacht minder eenduidig

Met de leeftijd neemt het risico op dementie toe; van de bekende risicofactoren is dit de sterkste. De rol van geslacht bij het ontstaan van dementie is minder eenduidig. De ziekte van Alzheimer komt vaker voor bij vrouwen, terwijl vasculaire dementie, Lewy body dementie en frontotemporale dementie vaker voorkomt bij mannen (Podcasy & Epperson, 2016).

Laag opleidingsniveau vergroot het risico op dementie

Een laag opleidingsniveau is een grote risicofactor voor het ontwikkelen van dementie (Prince et al., 2014, Baumgart et al., 2015). Hiervoor zijn diverse verklaringen geopperd, waaronder die van de 'cognitieve reserve'. Volgens deze verklaring kunnen mensen met een hogere opleiding langer compensatiestrategieën aanwenden om hun cognitieve achteruitgang op te vangen (‘cognitieve reserve’). Een lage opleiding zorgt ervoor dat mensen de cognitieve achteruitgang juist moeilijker kunnen opvangen. Een andere verklaring is die van de ‘detection bias’. De gedachte hierbij is dat personen met een lage opleiding in een vroeger ziektestadium worden gediagnosticeerd dan personen met een hogere opleiding (Qiu et al., 2001).

Mentale inspanning verkleint het risico op dementie

Er zijn aanwijzingen dat mentale activiteit en cognitieve training op latere leeftijd het risico op dementie kunnen verkleinen (Barnes & Yaffe, 2011, Baumgart et al., 2015), waarschijnlijk door versterking van de hersenstructuur en hersenfuncties (Prince et al., 2014). Zo hebben mensen die een tweede taal hebben geleerd, (nog) sociaal actief zijn of actief (vrijwilligers)werk doen een kleinere kans op dementie.

Wat slecht is voor het hart, is ook slecht voor de hersenen

Schade aan hart en bloedvaten vergroot het risico op dementie. Daarmee zijn risicofactoren voor hart- en vaatziekten ook risicofactoren voor dementie (Baumgart et al., 2015). Starten met een betere leefstijl, op welk moment in het leven dan ook, heeft een positief effect (Licher et al., 2019).

- Roken

Mensen die roken hebben meer kans op dementie dan mensen die niet roken (Reitz et al., 2007, Prince et al., 2014). Stoppen met roken loont: de kans op dementie neemt af tot het niveau van mensen die nooit hebben gerookt (Prince et al., 2014).

- Hoge bloeddruk

De relatie tussen het ontstaan van dementie en hoge bloeddruk is complex (Baumgart et al., 2015). Hoge bloeddruk op middelbare leeftijd geeft een groter risico op dementie op oudere leeftijd, met name vasculaire dementie. Voor hypertensie op oudere leeftijd is de relatie onduidelijker, onder andere omdat er aanwijzingen zijn dat de bloeddruk daalt voorafgaand aan de eerste symptomen van de ziekte van Alzheimer ( Prince et al., 2014).

- Overgewicht

Obesitas op middelbare leeftijd verhoogt het risico op dementie, terwijl het risico van obese mensen op oudere leeftijd mogelijk lager is (Baumgart et al., 2015). Mensen met dementie verliezen vaak gewicht voorafgaand aan de eerste symptomen, hetgeen de interpretatie van onderzoeksresultaten niet vergemakkelijkt (Prince et al., 2014).

- Hypercholesterolemie (verhoogd cholesterol)

Ook voor hypercholesterolemie is de relatie tot het ontstaan van dementie onduidelijk. Hypercholesterolemie op middelbare leeftijd lijkt het risico op dementie te verhogen, terwijl deze relatie niet wordt gevonden op oudere leeftijd. Maar net als voor overgewicht en hypertensie, neemt de cholesterolconcentratie in bloed vaak af bij mensen met dementie voorafgaand aan de eerste symptomen, waardoor onderzoeksresultaten moeilijk te interpreteren zijn (Prince et al., 2014).

- Diabetes mellitus type 2

Mensen met diabetes hebben een groter risico op dementie. Dit geldt voor de ziekte van Alzheimer, maar vooral voor vasculaire dementie. Hoe langer iemand diabetes heeft, hoe groter het risico ( Prince et al., 2014, Baumgart et al., 2015).

- Beweging

Of fysieke inspanning het ontstaan van dementie  kan voorkomen of vertragen, is niet helemaal duidelijk. Wel is bekend dat te weinig bewegen het risico vergroot op diabetes mellitus type 2, te hoge bloeddruk en overgewicht. Deze vergroten weer het risico op hart- en vaat ziekten en daarmee ook op dementie ( Prince et al., 2014).

- Alcohol

Het drinken van meer dan een glas alcohol per dag verhoogt het risico op hart- en vaatziekten (Gezondheidsraad, 2015). Of dit voor dementie ook zo is, daarover zijn de meningen verdeeld. De huidige stand van zaken leidt niet tot het advies meer of minder alcohol te gaan drinken om het risico op dementie te beïnvloeden (Baumgart et al., 2015, Prince et al., 2014).

- Dieet

Er is onvoldoende bewijs dat specifieke voedingsbestanddelen zoals de vitamines B6, B12, C en E, foliumzuur, flavonoïden en omega-3 van invloed zijn op het cognitieve functioneren ( Prince et al., 2014). Er zijn wel voorzichtige aanwijzingen dat een mediterraan dieet het risico op dementie verlaagt (Baumgart et al., 2015, Prince et al., 2014).

Depressie verhoogt risico op dementie

Depressie lijkt het risico op dementie te vergroten (Barnes & Yaffe, 2011, Baumgart et al., 2015, Prince et al., 2014). Het is niet duidelijk of depressie het risico op dementie verhoogt of dat het een vroege aanwijzing is van hersenveranderingen die samenhangen met dementie.

Slaapstoornis als risicofactor voor dementie

Slaapstoornissen komen veelvuldig voor bij ouderen. Mensen met dementie hebben vaak een (ernstig) verstoord slaappatroon. Maar of de slaapstoornis de dementie veroorzaakt of dat het een eerste signaal is van zich ontwikkelende dementie, is niet duidelijk ( Baumgart et al., 2015, Prince et al., 2014).

Traumatische hersenschade vergroot het risico op dementie

Er zijn sterke aanwijzingen dat matige en ernstige traumatische hersenschade het risico op dementie vergroot. Als er sprake is van herhaalde hersenschade zoals bij boksers, is het risico nog groter ( Baumgart et al., 2015).

Datum publicatie

05-11-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Baumgart M, Snyder HM, Carrillo MC, Fazio S, Kim H, Johns H. Summary of the evidence on modifiable risk factors for cognitive decline and dementia: A population-based perspective. Alzheimers Dement. 2015;11(6):718-26. Pubmed | DOI
  2. Licher S, Ahmad S, Karamujić-Čomić H, Voortman T, Leening MJG, Ikram MA, et al. Genetic predisposition, modifiable-risk-factor profile and long-term dementia risk in the general population. Nat Med. 2019;25(9):1369. DOI
  3. Podcasy JL, C Epperson N. Considering sex and gender in Alzheimer disease and other dementias. Dialogues Clin Neurosci. 2016;18(4):437-446. Pubmed
  4. Prince M, Albanese E, Guerchet M, Prina M. Dementia and Risk Reduction. An Analysis of Protective and Modifiable Factors.. London: Alzheimer's Disease International; 2014. Bron
  5. Qiu C, Bäckman L, Winblad B, Agüero-Torres H, Fratiglioni L. The influence of education on clinically diagnosed dementia incidence and mortality data from the Kungsholmen Project. Arch Neurol. 2001;58(12):2034-9. Pubmed
  6. Barnes DE, Yaffe K. The projected effect of risk factor reduction on Alzheimer's disease prevalence. Lancet Neurol. 2011;10(9):819-28. Pubmed | DOI
  7. Licher S, Heshmatollah A, van der Willik KD, Stricker BHCh, Ruiter R, de Roos EW, et al. Lifetime risk and multimorbidity of non-communicable diseases and disease-free life expectancy in the general population: A population-based cohort study. PLoS Med. 2019;16(2):e1002741. Pubmed | DOI
  8. Reitz C, den Heijer T, van Duijn C, Hofman A, Breteler MMB. Relation between smoking and risk of dementia and Alzheimer disease: the Rotterdam Study. Neurology. 2007;69(10):998-1005. Pubmed | DOI
  9. Gezondheidsraad. Richtlijnen goede voeding 2015. Den Haag: Gezondheidsraad; 2015. Bron

Gevolgen van dementie

Kernsymptoom is cognitieve achteruitgang

Cognitieve achteruitgang is het belangrijkste symptoom van dementie. De volgende stoornissen komen voor:

  • Geheugenstoornis: een verminderd vermogen om nieuwe informatie aan te leren of eerder geleerde informatie te herinneren.
  • Afasie: zich niet goed meer mondeling en/of schriftelijk kunnen uitdrukken en mondelinge en schriftelijke informatie niet goed meer begrijpen.
  • Apraxie: geen doelbewuste handelingen kunnen uitvoeren.
  • Agnosie: geen voorwerpen en geluiden meer kunnen herkennen.
  • Stoornis in uitvoerende functies: niet meer kunnen abstraheren, logische gevolgtrekkingen maken, organiseren, plannen maken, doelgericht handelen.
  • Stoornissen in aandacht/concentratie en/of cognitieve verwerkingssnelheid.
  • Stoornissen in visueel-ruimtelijke of -constructieve vaardigheden.
  • Slaapstoornissen, zoals moeite met in slaap vallen, vaak wakker worden, vroeg wakker worden, overdag slapen en stoornissen in het circadiane ritme.
  • Stoornissen in sociale cognitie: zich niet meer kunnen verplaatsen in anderen en emoties niet goed meer kunnen herkennen.

Ook andere symptomen naast cognitieve beperkingen

Naast cognitieve beperkingen kunnen personen met dementie last hebben van stemmings- en/of gedragsveranderingen, zoals depressie en/of angstklachten, apathie, hyperactiviteit, rusteloos gedrag en agitatie, wanen en hallucinaties ( Alzheimer Nederland, 2019). De behandeling is vaak ook gericht op deze symptomen.
Afhankelijk van het hersengebied dat is aangedaan, kunnen ook motorische veranderingen optreden zoals slecht lopen, verlamming of gevoelsverlies. Dit komt bijvoorbeeld vaak voor bij vasculaire dementie, maar in latere stadia ook bij andere hersenaandoeningen met dementie.

Dementie is chronisch en progressief

Mensen leven gemiddeld acht jaar met de ziekte, waarvan gemiddeld zes jaar thuis (afhankelijk van het ziektebeeld). Het ziekteproces van dementie verschilt sterk per persoon maar is altijd progressief (Alzheimer Nederland & Vilans, 2013).

Het beloop verschilt per oorzaak en subtype. In het kort:

Ziekte van Alzheimer begint vaak sluipend

De ziekte van Alzheimer begint meestal met een langzame vermindering van het kortetermijngeheugen, vervolgens wordt ook het langetermijngeheugen aangetast. Naast cognitieve beperkingen kunnen patiënten met de ziekte van Alzheimer last hebben van stemmings- en/of gedragsveranderingen, zoals depressie en/of angstklachten, apathie, hyperactiviteit, rusteloos gedrag en agitatie, wanen en hallucinaties. De behandeling is vaak ook gericht op deze symptomen. Patiënten met de ziekte van Alzheimer zijn niet meer in staat zelfstandig te functioneren (het criterium voor dementie).
De gemiddelde levensverwachting na de diagnose ligt tussen de 8 en 10 jaar. Patiënten overlijden vaak aan een longontsteking die ontstaat door slikproblemen, een verminderde weerstand, ondervoeding of vallen (Alzheimer Nederland, 2019).

Vasculaire dementie verloopt vaak schoksgewijs

Bij vasculaire dementie is het begin vaak abrupt en veroorzaakt door beroerte of TIA’s (kortdurende afsluiting van een bloedvat). De toestand verslechtert vervolgens schoksgewijs, met langer durende stabiele perioden. Het beloop is niet alleen afhankelijk van de oorzaak maar ook van de aanwezigheid van psychische problemen of gedragsproblemen. De symptomen van vasculaire dementie zijn afhankelijk van het beschadigde gebied, maar over het algemeen hebben veel patiënten last van motorische spraakproblemen en traagheid.
De levensverwachting na de diagnose ligt tussen de 5 en 15 jaar. Patiënten overlijden vaak aan een hersen- of hartinfarct (Alzheimer Nederland, 2019).

Frontotemporale dementie gekenmerkt door gedragsveranderingen

De frontaalkwab regelt ons gedrag, terwijl de temporaal kwab belangrijk is voor taal en spraak. Bij frontotemporale dementie is sprake van geleidelijke gedrags- en persoonlijkheidsveranderingen, zoals apathie, ontremd gedrag of dwangmatig gedrag. Praten wordt steeds moeilijker. Deze hersenaandoening komt vooral op jonge leeftijd voor, met een begin van klachten tussen het 40e en 65e levensjaar. Omdat in eerste instantie vooral de gedragsproblemen op de voorgrond treden, en deze hersenaandoening vaak op jongere leeftijd voorkomt, wordt vaak niet meteen aan dementie gedacht. De klachten worden vaak geweten aan overspannenheid, depressie en relatieproblemen (van Vliet et al., 2012). Bij sommige patiënten verloopt de ziekte zeer snel, bij anderen langzamer met langere stabiele perioden.
De levensverwachting na de diagnose is gemiddeld tussen de 6 en 8 jaar. Patiënten overlijden vaak aan longontsteking door slikstoornissen die ontstaan als het motorische deel van de hersenen wordt aangetast (Alzheimer Nederland, 2019).

Bij Lewy body dementie ook bewegingsstoornissen

Lewy body dementie begint over het algemeen met aandachts- en concentratiestoornissen. Ook visuele hallucinaties komen in het begin van de ziekte vaak voor. Later in het ziektebeloop komen daar bewegingsstoornissen bij die lijken op de symptomen van de ziekte van Parkinson (spierbevingen, stijfheid en een gebogen lichaamshouding). Patiënten gaan vaak zeer snel achteruit.
De levensverwachting na de diagnose is gemiddeld tussen de 5 en 12 jaar (Alzheimer Nederland, 2019).

Datum publicatie

04-11-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Alzheimer Nederland, Vilans. Zorgstandaard Dementie. Amersfoort / Utrecht: Alzheimer Nederland / Vilans; 2013. Bron
  2. van Vliet D, de Vugt ME, Aalten P, Bakker C, Pijnenburg YAL, Vernooij-Dassen MJFJ, et al. Prevalence of neuropsychiatric symptoms in young-onset compared to late-onset Alzheimer's disease - part 1: findings of the two-year longitudinal NeedYD-study. Dement Geriatr Cogn Disord. 2012;34(5-6):319-27. Pubmed | DOI

Verantwoording

Definities
  • Dementie is een hersenaandoening

    Dementie is een verzamelnaam voor hersenaandoeningen met neurocognitieve stoornissen als belangrijkste symptoom. Het cognitieve functioneren gaat in de loop van de tijd achteruit, soms snel, soms langzamer. Patiënten met dementie kunnen hierdoor niet meer zelfstandig functioneren. Er zijn ruim vijftig verschillende hersenaandoeningen die dementie kunnen veroorzaken. De meest voorkomende oorzaken van dementie zijn de ziekte van Alzheimer (ongeveer 65% van alle dementie) vasculaire dementie (ongeveer 22% van alle dementie), frontotemporale dementie (ongeveer 4% van alle dementie) en Lewy body dementie  (ongeveer 2% van alle dementie) (Francke et al., 2018). Naast cognitieve beperkingen kunnen personen met dementie last hebben van stemmings- en/of gedragsveranderingen, zoals depressie en/of angstklachten, apathie, hyperactiviteit, rusteloos gedrag en agitatie, wanen en hallucinaties. De behandeling is vaak ook gericht op deze symptomen (Alzheimer Nederland, 2019). Zorgverleners zijn het er over eens dat psychosociale interventies moeten worden uitgeprobeerd voordat medicijnen worden voorgeschreven (bepaalde indicaties zoals hallucinaties daargelaten) (Zwijsen et al., 2013). Voorbeelden van psychosociale interventies zijn psychotherapie, ondersteuningsgroepen, realiteitsoriëntatietraining en gedragstherapie.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Francke AL, van der Heide I, de Bruin S, Gijsen R, Poos R, Verbeek M, et al. Een samenhangend beeld van dementie en dementiezorg: kerncijfers, behoeften, aanbod en impact. Themarapportage van de Staat van Volksgezondheid en Zorg. . Utrecht: Nivel; 2018. Bron
    2. Zwijsen S, de Lange J, Pot AM, Mahler M, Minkman M. Omgaan met onbegrepen gedrag bij dementie. Inventarisatie richtlijnen en inzichten rondom onbegrepen gedrag bij ouderen met dementie. Utrecht / Utrecht: Trimbos-instituut / Vilans; 2013. Bron
  • DSM-5 heeft de term dementie vervangen door neurocognitieve stoornis

    In de DSM-5 is de term 'dementie' vervangen door de term 'neurocognitieve stoornis (zie tabel). Met deze nieuwe terminologie wil men duidelijk maken dat de cognitieve stoornissen (uitval van hersenfuncties) die bij dementie horen een gevolg zijn van een hersenaandoening of hersenziekte (van Assche et al., 2014). In de praktijk wordt de term dementie echter nog veel gebruikt, daarom hanteren we deze ook nog in VZInfo.

    Onderverdeling van dementie volgens de DSM-IV en de DSM-5

    DSM-IV

    DSM-5

    Ziekte van Alzheimer, inclusief dementie door:

    • Ziekte van Pick
    • Ziekte van Creutzfeldt-Jacob

    Neurocognitieve stoornis door de ziekte van Alzheimer

    Vasculaire dementie

    Vasculaire neurocognitieve stoornis

    Dementie door andere somatische aandoeningen

    Neurocognitieve stoornis door:

    • Frontotemporale afwijkingen
    • Aanwezigheid Lewy-lichaampjes (in hersencellen zich ophopende eiwitten)
    • Traumatisch hersenletsel
    • HIV-infectie
    • Prion ziekte (infectie met een misvormd eiwit)
    • Ziekte van Parkinson
    • Ziekte van Huntington
    • Andere aandoening
    • Meerdere oorzaken

    Persisterendea dementie door middelen

    Neurocognitieve stoornis door middelen/medicatie

    Amnestische stoornis door middelen (syndroom van Korsakoff)

    Neurocognitieve stoornis door middelen/medicatie

    Dementie niet anderszins omschreven

    Niet-gespecificeerde neurocognitieve stoornis

    a. In de DSM-5 is de aanwezigheid van geheugenproblemen geen vereiste meer om de diagnose neurocognitieve stoornis te kunnen stellen. Dit omdat het geheugen niet bij alle vormen van dementie (direct) aangetast wordt.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. van Assche L, Persoons P, Vandenbulcke M. Neurocognitive disorders in DSM-5: a critical review. Tijdschr Psychiatr. 2014;56(3):211-6. Pubmed
Bronverantwoording
  • Dementie: ERGO-onderzoek (Epidemiologisch bevolkingsonderzoek)

    ERGO: Erasmus Rotterdam Gezondheid en Ouderen-onderzoek

    In het ERGO (Erasmus Rotterdam Gezondheid en Ouderen)-onderzoek werden tussen midden 1989 en midden 1993 7.528 personen van 55 jaar en ouder (inclusief verzorgingshuisbewoners) gescreend op dementie. Degenen die positief scoorden, werden verder onderzocht (Ott et al., 1996). Er werd gescreend door middel van een ‘Mini Mental State Examination’ (MMSE) en de ‘Geriatric Mental State Schedule’ (GMS). Bij personen met een positieve screeningstest (MMSE <26 en/of GMS >0) werd de ‘Cambridge mental disorders of the elderly examination’ (CAMDEX) afgenomen. De CAMDEX bestaat uit een cognitietest (CAMCOG) en een gestandaardiseerde neurologische en psychiatrische anamnese. Daarnaast werd een bekende van personen die positief op de screeningstest scoorden, geïnterviewd. Personen met een CAMCOG-score < 80 of bij wie de arts dementie vermoedde, werden door een neuroloog onderzocht. Op basis daarvan werd eventueel aanvullend onderzoek verricht (neuropsychologisch onderzoek, MRI-scan). Van de bewoners van verzorgingshuizen die al bekend waren met dementie en de personen die na screening medewerking weigerden, werden via huisarts, specialist en RIAGG aanvullende gegevens achterhaald. Bij het stellen van de diagnose dementie werden de DSM-III-R criteria gebruikt. De volgende indeling werd gemaakt:

    • Ziekte van Alzheimer: diagnose gesteld op basis van NINCDS-ADRDA-criteria (criteria voor Alzheimer dementie die veel toegepast worden in epidemiologisch onderzoek, gepubliceerd in 1984). Er werd onderscheid gemaakt in ‘mogelijk’ en ‘waarschijnlijk’ ziekte van Alzheimer. Patiënten met volgens deze criteria ‘mogelijke’ ziekte van Alzheimer die (nog) niet voldeden aan de DSM-III-R criteria van dementie, werden toch meegeteld.
    • Vasculaire dementie: patiënten die voldeden aan criteria van multi-infarct dementie volgens de DSM-III-R of na een beroerte voldeden aan de NINDS-AIREN-criteria (criteria voor vasculaire dementie, gepubliceerd in 1993).
    • Dementie bij de ziekte van Parkinson: als de dementie ontstond bij een patiënt die al bekend was met idiopathisch parkinsonisme.
    • Overige dementie: dementie op basis van alcoholmisbruik, tumor cerebri of ‘normal pressure hydrocephalus’.

    Tussen midden 1993 en eind 1994 werden op dezelfde wijze 5.571 personen die bij het hiervoor beschreven onderdeel geen dementie hadden, opnieuw gescreend en bij een positieve uitslag verder onderzocht. Hierdoor kon de incidentie vastgesteld worden (Ott et al., 1997).

    Alzheimer Nederland

    In de tekst over het aantal mensen met dementie maken we ook gebruik van cijfers die door Alzheimer Nederland zijn geschat op basis van onder meer het ERGO-onderzoek. 

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. ERGO, Erasmus Rotterdam Gezondheidsonderzoek (of Rotterdam Study). zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. Ott A, Breteler MMB, Birkenhäger-Gillesse EB, van Harskamp F, de Koning I, Hofman A. De prevalentie bij ouderen van de ziekte van Alzheimer, vasculaire dementie en dementie bij de ziekte van Parkinson; het ERGO-onderzoek. Ned Tijdschr Geneeskd. 1996;140. Bron
    2. Ott A, Breteler MMB, van Harskamp F, Grobbee DE, Hofman A. The incidence of dementia in the Rotterdam Study. In: Alzheimer's disease: biology, diagnosis and therapeutics. Chichester: John Wiley & Sons Ltd.; 1997. Bron
  • Huisartsenregistratie van dementie

    Voor bepaling van de prevalentie en het aantal nieuwe gevallen van dementie (huidige situatie) zijn gegevens gebruikt van de Nivel Zorgregistraties eerste lijn. Voor de beschrijving van de trend in prevalentie en het aantal nieuwe gevallen van dementie is gebruikgemaakt van een andere huisartsenregistratie: RNFM, voorheen RNH-Limburg-Limburg. De registratie over het voorkomen van ziekten in de huisartsenpraktijk van RNFM, voorheen RNH-Limburg-Limburg gaat terug tot 1987. Nivel Zorgregistraties eerste lijn heeft gegevens over een kortere periode en wordt daarom niet gebruikt voor de beschrijving van de trends.

    De gebruikte ICPC-code is P70.

    Meer informatie over het schatten van de morbiditeit op basis van gegevens uit huisartsenregistraties is te vinden in Gebruik van huisartsenregistraties voor schattingen morbiditeit.

    Kenmerken van dementie in de huisartspraktijk
    Kenmerken van dementie in het vroege stadium kunnen leiden tot overregistratie van dementie in de huisartspraktijk. Soms vormt het dementeringsproces een uiting van een lichamelijke aandoening of van andere oorzaken (bijvoorbeeld sociaal isolement). Ook wordt depressie op oudere leeftijd nogal eens aangezien voor dementie. Enig goedaardig geheugenverlies waarbij het dagelijks functioneren niet is gestoord, is bovendien een normaal verschijnsel van de veroudering.

    Tegelijkertijd is er ook sprake van onderregistratie. De omgeving van de patiënt onderkent de verschijnselen lang niet altijd, of denkt dat er toch niets aan te doen is. Daardoor komt de aandoening niet of pas laat onder de ogen van de huisarts. Ook zal een huisarts niet altijd de lichtere gevallen van dementie signaleren, maar pas een diagnose stellen als sprake is van een duidelijke achteruitgang in het cognitief functioneren. Bovendien worden patiënten met dementie die naar een verpleeghuis gaan uitgeschreven bij de huisartspraktijk. De verpleeghuisarts wordt dan de arts van deze mensen. Ook bewoners van een verzorgingshuis vallen niet meer onder de zorg van hun ‘eigen’ huisarts, maar hebben vaak een gezamenlijke huisarts. Door bovengenoemde kenmerken lijkt de omvang van dementie in de huisartsenpraktijk lager dan in bevolkingsonderzoek.

    Schattingen uit huisartsenregistraties en epidemiologische bevolkingsonderzoeken verschillen
    Schattingen uit huisartsenregistraties zijn op minder objectiveerbare (gestandaardiseerde) wijze tot stand gekomen dan cijfers uit epidemiologische bevolkingsonderzoeken zoals het ERGO-onderzoek. Ook zal een huisarts niet altijd de lichtere gevallen van dementie detecteren, maar pas een diagnose stellen als sprake is van een duidelijke achteruitgang in het cognitief functioneren (beloopscriterium). Een belangrijk voordeel van deze werkwijze is dat het aantal ten onrechte gediagnosticeerden laag is (hoge specificiteit). Hoewel een minder sensitief instrument, geven huisartsregistraties een betrouwbare ondergrens aan voor (de veranderingen in) het aantal personen in de bevolking in Nederland waarbij (in de loop der jaren) de diagnose dementie is gesteld.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. Nivel Zorgregistraties eerste lijn, Nivel Zorgregistraties. zorggegevens.nl
    2. RNFM, voorheen RNH-Limburg, Research Network Family Medicine (RNFM) Maastricht voorheen: Registratienet Huisartspraktijken Limburg. zorggegevens.nl
  • Dementie: Sterftestatistiek

    CBS Doodsoorzakenstatistiek

    De sterftecijfers hebben betrekking op sterfte met dementie als onderliggende doodsoorzaak. In 1990 werd dementie weinig als doodsoorzaak gecodeerd door het CBS. Door veranderingen in de codeerregels werd het na 1990 veel gebruikelijker dementie als onderliggende doodsoorzaak te coderen (CBS, persoonlijke mededeling). De gebruikte ICD-10-codes zijn: F00-F03 en G30. Code G31 'overige degeneratieve ziekten van zenuwstelsel, niet elders geclassificeerd' is niet geïncludeerd.

  • Automatisch coderen bij CBS-doodsoorzakenstatistiek

    Met ingang van het statistiekjaar 2013 codeert het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) doodsoorzakenformulieren automatisch met behulp van het softwarepakket IRIS. Dit is een verschil met voorgaande jaren waarin doodsoorzakenformulieren handmatig werden verwerkt. Automatische codering brengt een betere internationale vergelijkbaarheid en reproduceerbaarheid van de gegevens met zich mee. Het veroorzaakt echter ook verschuivingen in doodsoorzaken. Daardoor zijn de sterftecijfers vanaf het jaar 2013 niet altijd goed vergelijkbaar met sterftecijfers uit eerdere jaren. Voor meer informatie over het automatisch coderen verwijzen wij naar vier artikelen van het CBS:

    • Het automatisch coderen van doodsoorzaken. Een nieuwe werkwijze bij de doodsoorzakenstatistiek (Harteloh et al., 2014)
    • Verschuivingen in de doodsoorzakenstatistiek bij de introductie van het automatisch coderen (Harteloh, 2014)
    • Van handmatig naar automatisch coderen van doodsoorzaken. Een bridge coding study (Harteloh, 2015)
    • Veranderingen in de doodsoorzakenstatistiek 2012-2013 (Harteloh, 2016)

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Harteloh PPM, van Hilten O, Kardaun JWPF. Het automatisch coderen van doodsoorzaken. Een nieuwe werkwijze bij de doodsoorzakenstatistiek. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2014. Bron
    2. Harteloh PPM. Verschuivingen in de doodsoorzakenstatistiek bij de introductie van het automatisch coderen. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2014. Bron
    3. Harteloh PPM. Van handmatig naar automatisch coderen van doodsoorzaken. Een bridge coding study. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2015. Bron
    4. Harteloh PPM. Veranderingen in de doodsoorzakenstatistiek 2012-2013. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2016. Bron
  • Dementie: Internationaal

    Alzheimer Europe

    Internationaal vergelijkbare gegevens over dementie zijn schaars. Schattingen over de prevalentie van dementie in verschillende landen van de Europese Unie zijn beschikbaar uit het EuroCoDe project (European Collaboration on Dementia) dat werd geleid door Alzheimer Europe. ’De landenspecifieke schattingen uit EuroCoDe zijn gebaseerd op gegevens over de leeftijdsverdeling van Eurostat en op de geschatte gemiddelde prevalentie van diabetes afkomstig van de EURODEM groep en een studie van Ferri en collega’s uit 2005 (Alzheimer Europe, 2006). De EURODEM groep heeft gegevens over de prevalentie van matige tot ernstige dementie in verschillende Europese landen gepooled om een gemiddelde Europese prevalentie te verkrijgen voor negen leeftijdsgroepen (Hofman et al., 1991). Ferri en collega’s ontwikkelden hun prevalentiecijfers met een zogeheten DELPHI benadering. Dit houdt in dat de cijfers zijn gebaseerd op consensus onder dementie-experts en niet op epidemiologische studies (Ferri et al., 2005).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Alzheimer Europe. Dementia in Europe Yearbook 2006. Including the Alzheimer Europe Annual Report 2005. Luxemburg: Alzheimer Europe; 2006. Bron
    2. Hofman A, Rocca WA, Brayne C, Breteler MMB, Clarke M, Cooper B, et al. The prevalence of dementia in Europe: a collaborative study of 1980-1990 findings. Eurodem Prevalence Research Group. Int J Epidemiol. 1991;20(3):736-48. Pubmed
    3. Ferri CP, Prince M, Brayne C, Brodaty H, Fratiglioni L, Ganguli M, et al. Global prevalence of dementia: a Delphi consensus study. Lancet. 2005;366(9503):2112-7. Pubmed | DOI
Methoden
  • Nadelen schattingen aantal personen met dementie

    De schatting in het onderzoek van Prince e.a. is gebaseerd op een samenvoeging van een groot aantal internationale studies, en heeft daarom een grote totale onderzoekspopulatie. De afzonderlijke studies (ingedeeld naar een aantal grotere regio’s waaronder West-Europa) vonden echter plaats in veel verschillende landen, met verschillen in het vóórkomen van dementie. Bovendien is een deel van de studies alweer enige jaren geleden uitgevoerd, en is het de vraag of de schattingen van toen nog steeds gelden. De schatting van Alzheimer Nederland is gebaseerd op het ERGO-onderzoek, dat 25 jaar geleden werd uitgevoerd in de wijk Ommoord in Rotterdam. Het is de vraag of deze oude cijfers uit één bepaalde wijk representatief zijn voor heel Nederland. Bovendien is het niet zeker of de leeftijdsspecifieke prevalentiecijfers van destijds nu nog steeds gelden. Veranderingen in het aantal nieuwe gevallen van dementie en de overlevingsduur van mensen met dementie kunnen ervoor gezorgd hebben dat de prevalentiecijfers in de loop van de tijd zijn gewijzigd (Haaksma et al., 2017).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Haaksma M.L., Claassen J.A.H., Rikkert M.GMOl, Melis R.J.F. Dementie: groeiende ramp of afnemende epidemie? Ned Tijdschr Geneeskd. 2017;(161). Bron
  • Regionale vergelijkingen/CMF’s

    In de kaart is de gestandaardiseerde sterfte weergegeven waarbij gecorrigeerd is voor verschillen in leeftijd en geslacht. De zo verkregen waarden worden CMF's genoemd (Comparitive Mortality Figures). De sterfte in heel Nederland is gesteld op 100. Een gestandaardiseerde sterfte boven of onder de 100 duidt op respectievelijk een hogere of lagere sterfte dan in Nederland. 

    Omdat we ook willen weten welke waarde we aan een verschil mogen hechten, hebben we ook een kaart met significantieniveaus opgenomen. De regio's die ver onder en ver boven het Nederlands gemiddelde liggen, zijn vrijwel altijd significant. Scoort een regio onder de 0,05, dan is de kans dat de afwijking van het Nederlands gemiddelde toeval is, kleiner dan 5%. Scoort een regio 0,01, dan is die kans 1%.

  • Schatting van het aantal mensen met dementie in verpleeghuizen

    Het aantal personen met dementie in verpleeghuizen is geschat met:

    1. cijfers over zorg met verblijf (ZMV) voor personen met een psychogeriatrische aandoening als grondslag (Bron: CBS-StatLine; data afkomstig van Registratie CIZ en iWlz, voorheen het CAK);
    2. cijfers over het aantal personen met behandeling gebaseerd op de bekostiging per zorgzwaartepakket (Bron: NZa-ciifers uit de Monitor Langdurige Zorg (MLZ).

    Bekend is hoeveel mensen in een instelling verblijven. Onbekend is of iemand in een verpleeghuis of een verzorgingshuis verblijft. Wel is bekend dat iemand die in een verzorgingshuis verblijft, zorg zonder behandeling ontvangt. Personen die in een verzorgingshuis verblijven hebben nog een eigen huisarts door wie zij worden behandeld. Personen die in een verpleeghuis verblijven, ontvangen zorg met behandeling door het verpleeghuis.

    Het aantal mensen met een psychogeriatrische aandoening dat in een verpleeghuis verblijft, is als volgt geschat:

    Het aantal personen dat zorg met verblijf (gebruik ZMV) heeft met een psychogeriatrische aandoening als grondslag, was 65.220 in 2013. Op basis van de gegevens over het zorgzwaartepakket (zzp), was voor 50.000 van deze personen sprake van zorg  met behandeling. Dit betekent dat zij in een verpleeghuis verbleven.

    We nemen aan dat het aantal personen met een dominante (eerste) grondslag PG (psychogeriatrische) in een verpleeghuis een goede schatting is van het aantal mensen met dementie in een verpleeghuis. Niet iedereen met een dominante grondslag PG heeft dementie. Er zijn echter ook personen in een verpleeghuis die wel dementie hebben, maar die met een andere dominante grondslag dan een psychogeriatrische aandoening in het verpleeghuis verblijven.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. Registratie CIZ, Registratie Centrum Indicatiestelling Zorg. zorggegevens.nl
    2. iWlz, Informatiestandaard Wet langdurige zorg. zorggegevens.nl
    3. MLZ, Monitor Langdurige Zorg. zorggegevens.nl
  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.