Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

DementieCijfers & ContextHuidige situatie

Cijfers & Context

Aantal mensen met dementie neemt toe

Regionaal & Internationaal

Laagste sterfte aan dementie in Friesland

Kosten

Zorguitgaven dementie 9,1 miljard euro

Preventie & Zorg

Helft van de patienten ontvangt thuiszorg

Aantal personen met dementie in de bevolking

Bevolkingsonderzoek: 254.000-270.000 personen met dementie

Het aantal personen met dementie in 2016 in Nederland wordt geschat tussen de 254.000 en 270.000 personen (Francke et al., 2018). Deze schatting is gebaseerd op nationaal en internationaal onderzoek:

  • Op basis van internationaal onderzoek (Prince et al., 2015) schat het RIVM het aantal mensen met dementie in 2016 op 254.000 (69.000 mannen en 185.000 vrouwen).
  • Op basis van onderzoek dat in de jaren negentig van de vorige eeuw is uitgevoerd in de wijk Ommoord in Rotterdam (Ott et al., 1996) schat Alzheimer Nederland het aantal mensen met dementie in 2016 op 270.000.

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Francke AL, van der Heide I, de Bruin S, Gijsen R, Poos R, Verbeek M, et al. Een samenhangend beeld van dementie en dementiezorg: kerncijfers, behoeften, aanbod en impact. Themarapportage van de Staat van Volksgezondheid en Zorg. . Utrecht: Nivel; 2018. Bron
  2. Prince M, Wimo A, Guerchet M, Ali GC, Wu YT, Prina M. World Alzheimer Report 2015: The Global Impact of Dementia. An analysis of prevalence, incidence, cost and trends. London: Alzheimer’s Disease International; 2015. Bron
  3. Ott A, Breteler MMB, Birkenhäger-Gillesse EB, van Harskamp F, de Koning I, Hofman A. De prevalentie bij ouderen van de ziekte van Alzheimer, vasculaire dementie en dementie bij de ziekte van Parkinson; het ERGO-onderzoek. Ned Tijdschr Geneeskd. 1996;140. Bron

Aantal personen met dementie in zorg

In totaal 184.300 personen met dementie in de zorg

In totaal zijn er naar schatting 184.300 personen met dementie bekend in de zorg. Hiervan zijn 114.300 personen met deze ziekte bekend bij de huisarts en verblijven 70.000 personen met deze ziekte in een verpleeghuis (Wlz-zorg in natura met verblijf).

Ongeveer 114.300 personen met dementie bekend bij huisarts 

In 2018 waren er in Nederland naar schatting 114.300 personen met dementie bekend bij de huisarts: 44.400 mannen en 69.800 vrouwen (Bron: NIVEL Zorgregistraties eerste lijn). Dit komt overeen met 5,2 dementiepatiënten per 1.000 mannen en 8,0 per 1.000 vrouwen. Hiervan hebben naar schatting 8.400 mannen en 12.400 vrouwen (1,0 per 1.000 mannen en 1,4 per 1.000 vrouwen) in 2018 voor het eerst de diagnose dementie gekregen van een huisarts. Huisartsen verlenen zorg aan zowel mensen die zelfstandig wonen als mensen die in een zorginstelling verblijven en lichte verzorging krijgen. Voor beide groepen geldt dus dat de huisarts de diagnose stelt en registreert. Huisartsen verlenen geen zorg aan mensen met Wlz-zorg met verblijf. Deze mensen zijn daarom niet geïncludeerd in de Nivel Zorgregistratie eerste lijn.

Ongeveer 70.000 personen met dementie in woonvoorzieningen met Wlz-zorg

Op peildatum november 2018 waren er 70.245 personen die Wlz-zorg in natura met verblijf ontvingen, met als (dominante) indicatie-grondslag een psychogeriatrische aandoening of beperking (Bron: Monitor Langdurige Zorg). Van deze 70.245 personen heeft 80% zorgprofiel VV-5 (beschermd wonen met intensieve dementiezorg; voorheen zorgzwaartepakket 5). Van de personen met een ander zorgprofiel (20%) heeft het overgrote deel waarschijnlijk ook de diagnose dementie. Slechts een beperkt aantal personen zal een andere diagnose hebben, wat leidt tot een relatief kleine overschatting van het aantal personen met dementie. Anderzijds kunnen personen met een andere grondslag (bijvoorbeeld mensen met een verstandelijke beperking of psychische stoornis) ook dementie hebben. Dit leidt tot een relatief kleine onderschatting van het aantal mensen met dementie.

Meer informatie

Datum publicatie

04-05-2020

Prevalentie dementie in huisartsenpraktijk naar leeftijd en geslacht

Omvang neemt sterk toe met de leeftijd

In 2018 waren er in Nederland naar schatting 114.300 personen met dementie bekend bij de huisarts: 44.400 mannen en 69.800 vrouwen. Dit komt overeen met 5,2 dementiepatiënten per 1.000 mannen en 8,0 per 1.000 vrouwen. Dementie komt voornamelijk voor bij ouderen. De omvang van dementie neemt sterk toe met de leeftijd. De jaarprevalentie betreft alle mensen die ergens in het jaar 2018 bekend waren bij de huisarts met dementie. Deze mensen hoeven niet allemaal in 2018 contact te hebben gehad met de huisarts voor dementie. Mensen in een verpleeghuis met dementie zijn niet meegeteld.

Meer informatie

Datum publicatie

04-09-2019

Nieuwe gevallen dementie in huisartsenpraktijk naar leeftijd en geslacht

Aantal nieuwe gevallen van dementie geschat op 20.800

In 2018 kregen in Nederland naar schatting 20.800 personen de diagnose dementie bij de huisarts: 8.400 mannen en 12.400 vrouwen. Dit komt overeen met 1,0 nieuwe dementiepatiënten per 1.000 mannen en 1,4 per 1.000 vrouwen. Het aantal nieuwe patiënten met dementie neemt toe met de leeftijd. Deze gegevens betreffen personen die zelfstandig of in een verzorgingshuis wonen; verpleeghuisbewoners zijn niet meegerekend.

Meer informatie

Datum publicatie

04-09-2019

Verschillen bevolkingsonderzoek en zorgregistratie

Schatting op basis van bevolkingsonderzoek veel groter dan op basis van zorgregistraties

Het op basis van bevolkingsonderzoek geschatte aantal personen met dementie  wijkt sterk af van het aantal personen dat door een zorgprofessional is gediagnosticeerd met dementie.  We veronderstellen dat het verschil (bijna 100.000 personen) voornamelijk het aantal personen met dementie betreft bij wie de ziekte nog niet is gediagnosticeerd. Verklaringen voor het grote verschil in aantallen zijn (Alzheimer Nederland & Vilans, 2013Prins et al., 2016Richard & Moll van Charante, 2017):

  • Dementie ontstaat vaak geleidelijk, en is aanvankelijk vaak niet goed te onderscheiden van normale veroudering.
  • Personen met dementie en hun omgeving herkennen de symptomen niet altijd of denken dat er toch niets aan te doen is. Daardoor komen personen met dementie niet of pas laat bij een huisarts.
  • Voor huisartsen is het soms moeilijk om dementie te herkennen en vast te stellen.
  • Zorgverleners zullen niet snel geneigd zijn de diagnose dementie te stellen als zij daar niet zeker van zijn.
  • Zorgverleners (huisartsen) achten het niet altijd nodig om een formele diagnose dementie te stellen omdat dat zelden consequenties heeft voor het te volgen beleid.

Meer informatie

Datum publicatie

04-05-2020

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Alzheimer Nederland, Vilans. Zorgstandaard Dementie. Amersfoort / Utrecht: Alzheimer Nederland / Vilans; 2013. Bron
  2. Prins A, Hemke F, Pols J, Moll van Charante EP. Diagnosing dementia in Dutch general practice: a qualitative study of GPs' practices and views. Br J Gen Pract. 2016;66(647):e416-22. Pubmed | DOI
  3. Richard E, Moll van Charante EP. Diagnostiek bij geheugenklachten. Bij wie, wat en wanneer? Ned Tijdschr Geneeskd. 2017;(161). Bron

Verantwoording

Definities
  • Dementie is een hersenaandoening

    Dementie is een verzamelnaam voor hersenaandoeningen met neurocognitieve stoornissen als belangrijkste symptoom. Het cognitieve functioneren gaat in de loop van de tijd achteruit, soms snel, soms langzamer. Patiënten met dementie kunnen hierdoor niet meer zelfstandig functioneren. Er zijn ruim vijftig verschillende hersenaandoeningen die dementie kunnen veroorzaken. De meest voorkomende oorzaken van dementie zijn de ziekte van Alzheimer (ongeveer 65% van alle dementie) vasculaire dementie (ongeveer 22% van alle dementie), frontotemporale dementie (ongeveer 4% van alle dementie) en Lewy body dementie  (ongeveer 2% van alle dementie) (Francke et al., 2018). Naast cognitieve beperkingen kunnen personen met dementie last hebben van stemmings- en/of gedragsveranderingen, zoals depressie en/of angstklachten, apathie, hyperactiviteit, rusteloos gedrag en agitatie, wanen en hallucinaties. De behandeling is vaak ook gericht op deze symptomen (Alzheimer Nederland, 2019). Zorgverleners zijn het er over eens dat psychosociale interventies moeten worden uitgeprobeerd voordat medicijnen worden voorgeschreven (bepaalde indicaties zoals hallucinaties daargelaten) (Zwijsen et al., 2013). Voorbeelden van psychosociale interventies zijn psychotherapie, ondersteuningsgroepen, realiteitsoriëntatietraining en gedragstherapie.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Francke AL, van der Heide I, de Bruin S, Gijsen R, Poos R, Verbeek M, et al. Een samenhangend beeld van dementie en dementiezorg: kerncijfers, behoeften, aanbod en impact. Themarapportage van de Staat van Volksgezondheid en Zorg. . Utrecht: Nivel; 2018. Bron
    2. Zwijsen S, de Lange J, Pot AM, Mahler M, Minkman M. Omgaan met onbegrepen gedrag bij dementie. Inventarisatie richtlijnen en inzichten rondom onbegrepen gedrag bij ouderen met dementie. Utrecht / Utrecht: Trimbos-instituut / Vilans; 2013. Bron
  • DSM-5 heeft de term dementie vervangen door neurocognitieve stoornis

    In de DSM-5 is de term 'dementie' vervangen door de term 'neurocognitieve stoornis (zie tabel). Met deze nieuwe terminologie wil men duidelijk maken dat de cognitieve stoornissen (uitval van hersenfuncties) die bij dementie horen een gevolg zijn van een hersenaandoening of hersenziekte (van Assche et al., 2014). In de praktijk wordt de term dementie echter nog veel gebruikt, daarom hanteren we deze ook nog in VZInfo.

    Onderverdeling van dementie volgens de DSM-IV en de DSM-5

    DSM-IV

    DSM-5

    Ziekte van Alzheimer, inclusief dementie door:

    • Ziekte van Pick
    • Ziekte van Creutzfeldt-Jacob

    Neurocognitieve stoornis door de ziekte van Alzheimer

    Vasculaire dementie

    Vasculaire neurocognitieve stoornis

    Dementie door andere somatische aandoeningen

    Neurocognitieve stoornis door:

    • Frontotemporale afwijkingen
    • Aanwezigheid Lewy-lichaampjes (in hersencellen zich ophopende eiwitten)
    • Traumatisch hersenletsel
    • HIV-infectie
    • Prion ziekte (infectie met een misvormd eiwit)
    • Ziekte van Parkinson
    • Ziekte van Huntington
    • Andere aandoening
    • Meerdere oorzaken

    Persisterendea dementie door middelen

    Neurocognitieve stoornis door middelen/medicatie

    Amnestische stoornis door middelen (syndroom van Korsakoff)

    Neurocognitieve stoornis door middelen/medicatie

    Dementie niet anderszins omschreven

    Niet-gespecificeerde neurocognitieve stoornis

    a. In de DSM-5 is de aanwezigheid van geheugenproblemen geen vereiste meer om de diagnose neurocognitieve stoornis te kunnen stellen. Dit omdat het geheugen niet bij alle vormen van dementie (direct) aangetast wordt.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. van Assche L, Persoons P, Vandenbulcke M. Neurocognitive disorders in DSM-5: a critical review. Tijdschr Psychiatr. 2014;56(3):211-6. Pubmed
Bronverantwoording
  • Dementie: ERGO-onderzoek (Epidemiologisch bevolkingsonderzoek)

    ERGO: Erasmus Rotterdam Gezondheid en Ouderen-onderzoek

    In het ERGO (Erasmus Rotterdam Gezondheid en Ouderen)-onderzoek werden tussen midden 1989 en midden 1993 7.528 personen van 55 jaar en ouder (inclusief verzorgingshuisbewoners) gescreend op dementie. Degenen die positief scoorden, werden verder onderzocht (Ott et al., 1996). Er werd gescreend door middel van een ‘Mini Mental State Examination’ (MMSE) en de ‘Geriatric Mental State Schedule’ (GMS). Bij personen met een positieve screeningstest (MMSE <26 en/of GMS >0) werd de ‘Cambridge mental disorders of the elderly examination’ (CAMDEX) afgenomen. De CAMDEX bestaat uit een cognitietest (CAMCOG) en een gestandaardiseerde neurologische en psychiatrische anamnese. Daarnaast werd een bekende van personen die positief op de screeningstest scoorden, geïnterviewd. Personen met een CAMCOG-score < 80 of bij wie de arts dementie vermoedde, werden door een neuroloog onderzocht. Op basis daarvan werd eventueel aanvullend onderzoek verricht (neuropsychologisch onderzoek, MRI-scan). Van de bewoners van verzorgingshuizen die al bekend waren met dementie en de personen die na screening medewerking weigerden, werden via huisarts, specialist en RIAGG aanvullende gegevens achterhaald. Bij het stellen van de diagnose dementie werden de DSM-III-R criteria gebruikt. De volgende indeling werd gemaakt:

    • Ziekte van Alzheimer: diagnose gesteld op basis van NINCDS-ADRDA-criteria (criteria voor Alzheimer dementie die veel toegepast worden in epidemiologisch onderzoek, gepubliceerd in 1984). Er werd onderscheid gemaakt in ‘mogelijk’ en ‘waarschijnlijk’ ziekte van Alzheimer. Patiënten met volgens deze criteria ‘mogelijke’ ziekte van Alzheimer die (nog) niet voldeden aan de DSM-III-R criteria van dementie, werden toch meegeteld.
    • Vasculaire dementie: patiënten die voldeden aan criteria van multi-infarct dementie volgens de DSM-III-R of na een beroerte voldeden aan de NINDS-AIREN-criteria (criteria voor vasculaire dementie, gepubliceerd in 1993).
    • Dementie bij de ziekte van Parkinson: als de dementie ontstond bij een patiënt die al bekend was met idiopathisch parkinsonisme.
    • Overige dementie: dementie op basis van alcoholmisbruik, tumor cerebri of ‘normal pressure hydrocephalus’.

    Tussen midden 1993 en eind 1994 werden op dezelfde wijze 5.571 personen die bij het hiervoor beschreven onderdeel geen dementie hadden, opnieuw gescreend en bij een positieve uitslag verder onderzocht. Hierdoor kon de incidentie vastgesteld worden (Ott et al., 1997).

    Alzheimer Nederland

    In de tekst over het aantal mensen met dementie maken we ook gebruik van cijfers die door Alzheimer Nederland zijn geschat op basis van onder meer het ERGO-onderzoek. 

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. ERGO, Erasmus Rotterdam Gezondheidsonderzoek (of Rotterdam Study). zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. Ott A, Breteler MMB, Birkenhäger-Gillesse EB, van Harskamp F, de Koning I, Hofman A. De prevalentie bij ouderen van de ziekte van Alzheimer, vasculaire dementie en dementie bij de ziekte van Parkinson; het ERGO-onderzoek. Ned Tijdschr Geneeskd. 1996;140. Bron
    2. Ott A, Breteler MMB, van Harskamp F, Grobbee DE, Hofman A. The incidence of dementia in the Rotterdam Study. In: Alzheimer's disease: biology, diagnosis and therapeutics. Chichester: John Wiley & Sons Ltd.; 1997. Bron
  • Huisartsenregistratie van dementie

    Voor bepaling van de prevalentie, het aantal nieuwe gevallen van dementie (huidige situatie en trends) zijn gegevens gebruikt van de Nivel Zorgregistraties eerste lijn. De gebruikte ICPC-code is P70. Meer informatie over het schatten van de morbiditeit op basis van gegevens uit huisartsenregistraties is te vinden in Gebruik van huisartsenregistraties voor schattingen morbiditeit.


    Kenmerken van dementie in de huisartspraktijk
    Kenmerken van dementie in het vroege stadium kunnen leiden tot overregistratie van dementie in de huisartspraktijk. Soms vormt het dementeringsproces een uiting van een lichamelijke aandoening of van andere oorzaken (bijvoorbeeld sociaal isolement). Ook wordt depressie op oudere leeftijd nogal eens aangezien voor dementie. Enig goedaardig geheugenverlies waarbij het dagelijks functioneren niet is gestoord, is bovendien een normaal verschijnsel van de veroudering.

    Tegelijkertijd is er ook sprake van onderregistratie. De omgeving van de patiënt onderkent de verschijnselen lang niet altijd, of denkt dat er toch niets aan te doen is. Daardoor komt de aandoening niet of pas laat onder de ogen van de huisarts. Ook zal een huisarts niet altijd de lichtere gevallen van dementie signaleren, maar pas een diagnose stellen als sprake is van een duidelijke achteruitgang in het cognitief functioneren. Bovendien worden patiënten met dementie die naar een verpleeghuis gaan uitgeschreven bij de huisartspraktijk. De verpleeghuisarts wordt dan de arts van deze mensen. Ook bewoners van een verzorgingshuis vallen niet meer onder de zorg van hun ‘eigen’ huisarts, maar hebben vaak een gezamenlijke huisarts. Door bovengenoemde kenmerken lijkt de omvang van dementie in de huisartsenpraktijk lager dan in bevolkingsonderzoek.

    Schattingen uit huisartsenregistraties en epidemiologische bevolkingsonderzoeken verschillen
    Schattingen uit huisartsenregistraties zijn op minder objectiveerbare (gestandaardiseerde) wijze tot stand gekomen dan cijfers uit epidemiologische bevolkingsonderzoeken zoals het ERGO-onderzoek. Ook zal een huisarts niet altijd de lichtere gevallen van dementie detecteren, maar pas een diagnose stellen als sprake is van een duidelijke achteruitgang in het cognitief functioneren (beloopscriterium). Een belangrijk voordeel van deze werkwijze is dat het aantal ten onrechte gediagnosticeerden laag is (hoge specificiteit). Hoewel een minder sensitief instrument, geven huisartsregistraties een betrouwbare ondergrens aan voor (de veranderingen in) het aantal personen in de bevolking in Nederland waarbij (in de loop der jaren) de diagnose dementie is gesteld.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. Nivel Zorgregistraties eerste lijn, Nivel Zorgregistraties. zorggegevens.nl
  • Dementie: Sterftestatistiek

    CBS Doodsoorzakenstatistiek

    De sterftecijfers hebben betrekking op sterfte met dementie als onderliggende doodsoorzaak. In 1990 werd dementie weinig als doodsoorzaak gecodeerd door het CBS. Door veranderingen in de codeerregels werd het na 1990 veel gebruikelijker dementie als onderliggende doodsoorzaak te coderen (CBS, persoonlijke mededeling). De gebruikte ICD-10-codes zijn: F00-F03 en G30. Code G31 'overige degeneratieve ziekten van zenuwstelsel, niet elders geclassificeerd' is niet geïncludeerd.

  • Automatisch coderen bij CBS-doodsoorzakenstatistiek

    Met ingang van het statistiekjaar 2013 codeert het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) doodsoorzakenformulieren automatisch met behulp van het softwarepakket IRIS. Dit is een verschil met voorgaande jaren waarin doodsoorzakenformulieren handmatig werden verwerkt. Automatische codering brengt een betere internationale vergelijkbaarheid en reproduceerbaarheid van de gegevens met zich mee. Het veroorzaakt echter ook verschuivingen in doodsoorzaken. Daardoor zijn de sterftecijfers vanaf het jaar 2013 niet altijd goed vergelijkbaar met sterftecijfers uit eerdere jaren. Voor meer informatie over het automatisch coderen verwijzen wij naar vier artikelen van het CBS:

    • Het automatisch coderen van doodsoorzaken. Een nieuwe werkwijze bij de doodsoorzakenstatistiek (Harteloh et al., 2014)
    • Verschuivingen in de doodsoorzakenstatistiek bij de introductie van het automatisch coderen (Harteloh, 2014)
    • Van handmatig naar automatisch coderen van doodsoorzaken. Een bridge coding study (Harteloh, 2015)
    • Veranderingen in de doodsoorzakenstatistiek 2012-2013 (Harteloh, 2016)

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Harteloh PPM, van Hilten O, Kardaun JWPF. Het automatisch coderen van doodsoorzaken. Een nieuwe werkwijze bij de doodsoorzakenstatistiek. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2014. Bron
    2. Harteloh PPM. Verschuivingen in de doodsoorzakenstatistiek bij de introductie van het automatisch coderen. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2014. Bron
    3. Harteloh PPM. Van handmatig naar automatisch coderen van doodsoorzaken. Een bridge coding study. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2015. Bron
    4. Harteloh PPM. Veranderingen in de doodsoorzakenstatistiek 2012-2013. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2016. Bron
  • Dementie: Internationaal

    Alzheimer Europe

    Internationaal vergelijkbare gegevens over dementie zijn schaars. Schattingen over de prevalentie van dementie in verschillende landen van de Europese Unie zijn beschikbaar uit het EuroCoDe project (European Collaboration on Dementia) dat werd geleid door Alzheimer Europe. ’De landenspecifieke schattingen uit EuroCoDe zijn gebaseerd op gegevens over de leeftijdsverdeling van Eurostat en op de geschatte gemiddelde prevalentie van diabetes afkomstig van de EURODEM groep en een studie van Ferri en collega’s uit 2005 (Alzheimer Europe, 2006). De EURODEM groep heeft gegevens over de prevalentie van matige tot ernstige dementie in verschillende Europese landen gepooled om een gemiddelde Europese prevalentie te verkrijgen voor negen leeftijdsgroepen (Hofman et al., 1991). Ferri en collega’s ontwikkelden hun prevalentiecijfers met een zogeheten DELPHI benadering. Dit houdt in dat de cijfers zijn gebaseerd op consensus onder dementie-experts en niet op epidemiologische studies (Ferri et al., 2005).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Alzheimer Europe. Dementia in Europe Yearbook 2006. Including the Alzheimer Europe Annual Report 2005. Luxemburg: Alzheimer Europe; 2006. Bron
    2. Hofman A, Rocca WA, Brayne C, Breteler MMB, Clarke M, Cooper B, et al. The prevalence of dementia in Europe: a collaborative study of 1980-1990 findings. Eurodem Prevalence Research Group. Int J Epidemiol. 1991;20(3):736-48. Pubmed
    3. Ferri CP, Prince M, Brayne C, Brodaty H, Fratiglioni L, Ganguli M, et al. Global prevalence of dementia: a Delphi consensus study. Lancet. 2005;366(9503):2112-7. Pubmed | DOI
Methoden
  • Kanttekeningen bij schattingen aantal personen met dementie

    De schatting in het onderzoek van Prince e.a. is gebaseerd op een samenvoeging van een groot aantal internationale studies, en heeft daarom een grote totale onderzoekspopulatie. De afzonderlijke studies (ingedeeld naar een aantal grotere regio’s waaronder West-Europa) vonden echter plaats in veel verschillende landen, met verschillen in het vóórkomen van dementie. Bovendien is een deel van de studies alweer enige jaren geleden uitgevoerd, en is het de vraag of de schattingen van toen nog steeds gelden. De schatting van Alzheimer Nederland is gebaseerd op het ERGO-onderzoek, dat 25 jaar geleden werd uitgevoerd in de wijk Ommoord in Rotterdam. Het is de vraag of deze oude cijfers uit één bepaalde wijk representatief zijn voor heel Nederland. Bovendien is het niet zeker of de leeftijdsspecifieke prevalentiecijfers van destijds nu nog steeds gelden. Veranderingen in het aantal nieuwe gevallen van dementie en de overlevingsduur van mensen met dementie kunnen ervoor gezorgd hebben dat de prevalentiecijfers in de loop van de tijd zijn gewijzigd (Haaksma et al., 2017).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Haaksma M.L., Claassen J.A.H., Rikkert M.GMOl, Melis R.J.F. Dementie: groeiende ramp of afnemende epidemie? Ned Tijdschr Geneeskd. 2017;(161). Bron
  • Regionale vergelijkingen/CMF’s

    In de kaart is de gestandaardiseerde sterfte weergegeven waarbij gecorrigeerd is voor verschillen in leeftijd en geslacht. De zo verkregen waarden worden CMF's genoemd (Comparitive Mortality Figures). De sterfte in heel Nederland is gesteld op 100. Een gestandaardiseerde sterfte boven of onder de 100 duidt op respectievelijk een hogere of lagere sterfte dan in Nederland. 

    Omdat we ook willen weten welke waarde we aan een verschil mogen hechten, hebben we ook een kaart met significantieniveaus opgenomen. De regio's die ver onder en ver boven het Nederlands gemiddelde liggen, zijn vrijwel altijd significant. Scoort een regio onder de 0,05, dan is de kans dat de afwijking van het Nederlands gemiddelde toeval is, kleiner dan 5%. Scoort een regio 0,01, dan is die kans 1%.

  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.