Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

CholesterolCijfers & ContextTrends

Cijfers & Context

Ouderen meer kans op vetstofwisselingsstoornis

Regionaal & Internationaal

Gebruik cholesterolverlagers hoogst in het zuiden

Kosten

Preventie & Zorg

Trend voorkomen vetstofwisselingsstoornis (inclusief verhoogd cholesterol)

Jaarprevalentie en aantal nieuwe gevallen vetstofwisselingsstoornis 2011-2018

JaarNieuwe gevallen, mannenNieuwe gevallen, vrouwenPrevalentie, mannenPrevalentie, vrouwenNieuwe gevallen, mannen (absoluut)Nieuwe gevallen, vrouwen (absoluut)Prevalentie, mannen (absoluut)Prevalentie, vrouwen (absoluut)
201110010010010054.40054.400520.100508.200
201211812410811065.30068.400574.000570.800
201311811610911065.70064.700584.900580.700
20149910211411655.70058.200623.500618.600
2015879611712049.90055.500651.400652.900
2016838911912348.30052.700677.800682.000
2017778412012644.90050.000694.200709.200
2018616712012735.70039.800704.800724.200
  • ICPC-code T93 (vetstofwisselingsstoornis, waaronder hypercholesterolemie)
  • ​Gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 2011
  • Geïndexeerd (2011 is 100)
  • De absolute cijfers (niet-gestandaardiseerd) zijn zichtbaar in de tabelweergave.

Aantal nieuwe gevallen vetstofwisselingsstoornis gedaald

Het aantal nieuwe gevallen van vetstofwisselingsstoornis is in de periode 2011-2018 ongeveer gehalveerd. Voor vrouwen zette de daling iets eerder in dan voor mannen. Het gaat hierbij om de door de huisarts geregistreerde diagnose vetstofwisselingsstoornis, waaronder hypercholesterolemie (ICPC-code T93; zie Definities). Deze trends zijn gecorrigeerd voor veranderingen in de omvang en leeftijdsopbouw van de bevolking (standaardisatie).
Ook het per jaar geschatte en ongecorrigeerde aantal nieuwe gevallen van vetstofwisselingsstoornis is afgenomen. Voor mannen nam dit aantal af van 54.400 in 2011 naar 35.700 in 2018. Voor vrouwen is dit aantal afgenomen van 54.400 in 2011 naar 39.800 in 2018 (absolute aantallen zijn zichtbaar in de tabelweergave).

Prevalentie vetstofwisselingsstoornis toegenomen

In de periode 2011-2018 is het aantal mensen met een vetstofwisselingsstoornis dat bekend was bij de huisarts (jaarprevalentie) toegnomen. Voor vrouwen was de toename (27%) iets groter dan voor mannen (20%). Deze trends zijn gecorrigeerd voor veranderingen in de omvang en leeftijdsopbouw van de bevolking (standaardisatie).
Het per jaar geschatte en ongecorrigeerde aantal mensen met een vetstofwisselingsstoornis dat bekend was bij de huisarts is voor mannen toegenomen van 520.100 in 2011 naar 704.800 in 2018. Voor vrouwen is dit aantal toegenomen van 508.200 in 2011 naar 724.200 in 2018 (absolute aantallen zijn zichtbaar in de tabelweergave). 

Meer informatie

Datum publicatie

23-04-2020

Verantwoording

Definities
  • Vetstofwisseling

    Het menselijk lichaam heeft vetten (lipiden) nodig als bron van energie en cholesterol als bouwsteen voor lichaamscellen en hormonen. Vetten (behalve cholesterol, zie hieronder) zijn volledig afkomstig uit de voeding. Zij worden vaak tijdelijk opgeslagen in vetweefsel en kunnen dan op een later moment weer beschikbaar worden gemaakt als brandstof.

    Lipoproteinen

    Voor transport door het lichaam worden cholesterol en andere vetten verpakt in wateroplosbare bolletjes, de zogenaamde lipoproteïnen. Deze lipoproteïnen vervoeren ook vetzuren door de bloedbaan. Vetzuren zijn namelijk eveneens niet oplosbaar in water. Vetzuren hebben een belangrijke functie als brandstof voor spieren en andere lichaamscellen. Afhankelijk van de samenstelling van cholesterol, vetzuren en de eiwitten die ieder bolletje bevat, wordt onderscheid gemaakt in verschillende types lipoproteïnen. De vijf belangrijkste lipoproteïnen zijn chylomicronen, HDL-, LDL-, en VLDL-deeltjes (respectievelijk high density-, low density- en very low density lipoproteïnen) en lipoproteïne a (Lp(a)) . De verschillen tussen deze deeltjes (lipoproteïnen) zitten in de hoeveelheid cholesterol, triglyceriden, fosfolipiden en eiwit (Mach et al., 2019).

    Cholesterol

    Cholesterol is een bouwstof voor cellen en hormonen. Zonder cholesterol kunnen we niet leven, maar een verhoogd cholesterolgehalte vergroot de kans op hart- en vaatziekten. Gemiddeld genomen is de concentratie cholesterol in het bloed vele malen hoger dan strikt noodzakelijk voor goed functioneren van de cellen van het lichaam. De lever maakt zelf cholesterol aan. Slechts een klein gedeelte komt binnen via de voeding. Vooral consumptie van producten met verzadigde vetzuren kan het cholesterolgehalte in het bloed doen stijgen ('NHG' et al., 2019).

    HDL-cholesterol

    In normale omstandigheden is gemiddeld ongeveer een derde van het cholesterol is in het bloed gebonden als HDL-cholesterol, ofwel high density lipoprotein-cholesterol. De HDL-deeltjes voeren het cholesterol af vanuit de weefsels naar de lever en gaan zo het proces van atherosclerose tegen. Hoe hoger de bloedwaarde voor HDL-cholesterol, hoe lager het risico op coronaire hartziekten.
    Een HDL-cholesterol gehalte van minder dan 1.0 mmol/l bij mannen of 1.3 mmol/L bij vrouwen is ongunstig ('NHG' et al., 2019).

    LDL-cholesterol

    Ongeveer tweederde van het cholesterol circuleert als low density lipoprotein-cholesterol (LDL-cholesterol). Bij hoge concentraties LDL-cholesterol in het bloed hoopt het cholesterol uit de LDL-deeltjes zich op in de wanden van bloedvaten en bevordert zo het proces van atherosclerose. Hoe hoger de bloedwaarde van LDL-cholesterol, hoe hoger het risico op hart- en vaatziekten. Een verlaging van de hoeveelheid LDL-cholesterol in het bloed met 1,0 mmol/l leidt tot een reductie van het aantal mensen dat overlijdt aan hart- en vaatziekten met 20-25% (Bron: CVRM).
    Het laboratorium meet meestal niet het gehalte LDL-cholesterol maar berekent deze aan de hand van de Friedewald-formule: totaalcholesterol minus HDL-cholesterol minus (0,45 keer het triglyceride-gehalte) (in mmol/l)). Hoe hoger het LDL-cholesterol, hoe hoger het risico op hart- en vaatziekten ('NHG' et al., 2019).

    VLDL-cholesterol: triglyceriden

    VLDL-deeltjes (very low density protein) transporteren triglyceriden, eiwit en een kleine hoeveelheid cholesterol van de lever naar de rest van het lichaam. Triglyceriden leveren energie aan weefsels in het lichaam. VLDL-cholesterol wordt vervolgens door de lever omgezet in LDL-cholesterol.
    Hoe hoger de bloedwaarden voor triglyceriden hoe hoger het risico op hart- en vaatziekten, maar het verband is minder sterk dan voor hoge cholesterol bloedwaarden.
    Een triglyceriden gehalte van meer dan 2 mmol/l is ongunstig ('NHG' et al., 2019).

    Non-HDL-cholesterol

    Het laboratorium kan de hoeveelheid non-HDL-cholesterol in het bloed berekenen. Dit is een maat voor de hoeveelheid atherogene deeltjes die atherosclerose veroorzaken. Het laboratorium berekent dit aan de hand van de gevonden waarden voor het totaalcholesterol minus het gehalte aan HDL-cholesterol.
    Hoe hoger het non-HDL-cholesterol, hoe hoger het risico op hart- en vaatziekten ('NHG' et al., 2019).

    Lipoproteïne a (Lp(a))

    Lipoproteïne a (Lp(a)) is een VLDL- of LDL-deeltje waaraan naast cholesterol ook een extra eiwit,  apolipoproteïne a (apo(a)), is gebonden. Lp(a) ‘gedraagt’ zich in het lichaam als meer atherogeen dan LDL-partikels zonder apo(a)-eiwit. Iedereen heeft Lp(a), maar sommige mensen hebben een hogere concentratie dan anderen. Mensen met een hoge concentratie Lp(a) krijgen gemiddeld op jongere leeftijd hart- en vaatziekten. De concentratie Lp(a) in het bloed is erfelijk en volledig genetisch bepaald en wordt niet beïnvloed door leefstijl en ook niet door de meest gebruikte cholesterolverlagende medicijnen (Mach et al., 2019).

    Totaalcholesterol / HDL-cholesterol ratio

    De verhouding totaal-/HDL-cholesterolgehalte is een betere voorspeller voor coronaire hartziekten dan het totaalcholesterolgehalte. Voor het totaalcholesterolgehalte en voor de totaalcholesterol/HDL-cholesterol ratio geldt: hoe hoger de waarde, hoger het risico op (sterfte aan) een coronaire hartziekte.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Mach F, Baigent C, Catapano AL, Koskinas KC, Casula M, Badimon L, et al. 2019 ESC/EAS Guidelines for the management of dyslipidaemias: lipid modification to reduce cardiovascular risk. European Heart Journal. 2019;(13):111-188. Bron | DOI
    2. 'NHG', 'NIV', 'NVvC'. Multidisciplinaire Richtlijn Cardiovasculair Risicomanagement (CVRM). Derde herziening. Utrecht: Nederlands Huisartsen Genootschap, Nederlandse Internisten Vereniging, Nederlandse Vereniging voor Cardiologie; 2019. Bron
  • Cardiovasculair risicoprofiel

    Artsen kunnen een cardiovasculair risicoprofiel opstellen aan de hand van anamnese, lichamelijk onderzoek en laboratoriumonderzoek. Naast het lipidenspectrum (totaalcholesterol (TC), HDL-C, TC-HDL-ratio, LDL-C, triglyceriden) wordt ook gekeken of er sprake is van nierschade, bestaande aandoeningen, familiaire belasting, roken, geslacht, alcoholgebruik, voeding, psychosociale risicofactoren, lichamelijke inactiviteit, systolische bloeddruk en body-mass index (BMI) ('NHG' et al., 2019).

    SCORE-risicotabel

    Het risico om binnen 10 jaar aan hart- en vaatziekten te overlijden kan voor gezonde personen die nog geen hart- en vaatziekten of diabetes hebben, geschat worden met het SCORE-systeem (Systematic Coronary Risk Estimation). Deze risicoscore maakt gebruik van de totaalcholesterol/HDL-cholesterol ratio, leeftijd, geslacht, roken en de systolische bloeddruk en is beschikbaar in de vorm van een tabel, maar ook als interactieve calculator via diverse apps en websites, zoals de Vaatrisico-app en http://U-Prevent.nl.

    Beleid bij verhoogd risico

    Iemand met een verhoogd risico op hart- en vaatziekten krijgt altijd adviezen voor een gezonde leefstijl. Patiënten met een (zeer) hoog risico krijgen daarnaast vaak medicamenteuze therapie, bijvoorbeeld om het cholesterolgehalte en/of de bloeddruk te verlagen. Dit hangt uiteraard af van de waardes ('NHG' et al., 2019).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. 'NHG', 'NIV', 'NVvC'. Multidisciplinaire Richtlijn Cardiovasculair Risicomanagement (CVRM). Derde herziening. Utrecht: Nederlands Huisartsen Genootschap, Nederlandse Internisten Vereniging, Nederlandse Vereniging voor Cardiologie; 2019. Bron
  • Hypercholesterolemie (ongunstig cholesterol)

    Op VZinfo maken we gebruik van de volgende definitie:

    Iemand heeft een ongunstig cholesterol, of hypercholesterolemie, als het serumtotaalcholesterol gelijk is aan of hoger is dan 6,5 mmol/L en/of als hij of zij cholesterolverlagende medicijnen gebruikt. Deze definitie includeert ook mensen waarbij het cholesterolgehalte onder de 6,5 mmol/l is gedaald door gebruik van cholesterolverlagende medicijnen.

  • Vetstofwisselingsstoornis (ICPC-code T93)

    De door de huisarts geregistreerde diagnose 'vetstofwisselingsstoornis' (ICPC-code T93) omvat:

    • abnormale lipoproteïnespiegel,
    • hyperlipidemie,
    • verhoogd cholesterol/ triglyceriden,
    • xanthoom.
  • Gebruiker geneesmiddelen

    Een gebruiker is in de GIP databank gedefinieerd als een patiënt die gedurende een kalenderjaar minstens één voorschrift voor het betreffende geneesmiddel heeft ontvangen. Omdat iemand in een jaar verschillende geneesmiddelen kan gebruiken, kunnen gebruikersaantallen niet zomaar worden opgeteld. Een patiënt die een voorschrift voor zowel simvastatine als atorvastatine heeft ontvangen, telt mee als gebruiker van simvastatine én als gebruiker van atorvastatine; op het niveau van de cholesterolverlagers telt hij maar eenmaal mee.

  • Standaarddagdosering (DDD)

    Het aantal gebruikers zegt niets over de gebruikte hoeveelheid van geneesmiddelen: de hoeveelheid geneesmiddelen kan per gebruiker variëren. Voor het meten en vergelijken van de gebruikte hoeveelheid wordt daarom gebruik gemaakt van het aantal standaarddagdoseringen. Een standaarddagdosering (DDD, Defined Daily Dose) is de hoeveelheid werkzame stof die een volwassene per dag krijgt voor de onderhoudsbehandeling van een ziekte of een aandoening. De standaarddagdosering wordt jaarlijks vastgesteld door het Collaborating Centre for Drug Statistics Methodology. Het gepresenteerde aantal DDD's op VZinfo en GIP databank verschillen van elkaar. Op VZinfo wordt het aantal DDD's per dag weergegeven en op GIP databank wordt het aantal DDD’s per jaar weergegeven.

  • ATC-codes

    Het classificatiesysteem van de World Health Organization deelt een geneesmiddel in door aan elke werkzame stof of combinaties daarvan een eigen code toe te kennen. Het antidepressivum Fluoxetine (Merknaam: Prozac®) heeft bijvoorbeeld de ATC-code: N 06 AB 03. De eerste letter (N) staat voor de anatomische hoofdgroep, in dit geval die van het zenuwstelsel (Nervous system). In combinatie met het tweecijferige getal (06) achter de N ontstaat de code voor de therapeutische subgroep. N06 is de code voor de therapeutische subgroep van de psychoanaleptica. De tweede letter (A) staat voor de farmacologische subgroep, de farmacologische subgroep N06A is die van de antidepressiva. In combinatie met de derde letter (B) onstaat de code voor de chemische subgroep. N06AB is de code voor de chemische subgroep van selectieve serotonine heropnameremmers (SSRI's). Het laatste getal staat uiteindelijk voor de specifieke werkzame stof binnen de chemische subgroep. In dit geval dus fluoxetine. Op de GIP databank wordt het ATC-classificatiesysteem gebruikt dat door de WHO is vastgesteld in het meest recente rapportagejaar. Deze indeling is toegepast op alle voorgaande jaren, zodat de gegevens over alle jaren op dezelfde wijze zijn geclassificeerd.

     

    ATC-codes per geneesmiddelgroep

    ADHD-middelen

    Antidepressiva

    Antipsychotica

    Astma- en COPD-middelen

    Cholesterolverlagers

    Diabetesmiddelen (insuline, oraal)

    Hepatitis C middelen

    HIV-middelen

    Maagmiddelen

    Pijnbestrijdingsmiddelen

    Slaap- en kalmeringsmiddelen

Bronverantwoording
  • Tabel: Bronnen bij de cijfers over cholesterol

    Bron

    Indicator in VZinfo

    Gepresenteerde populatie VZinfo

    Meer informatie

    Nivel Zorgregistraties eerste lijn

    Jaarprevalentie en aantal nieuwe gevallen van vetstofwisselingsstoornis

    Nederlandse bevolking

    NZR

    GIP-databank Gebruikers cholesterolverlagers Nederlandse verzekereden volgens de Zorgverzekeringswet GIP-databank

    MONICA-studie (cohortonderzoek)

    Prevalentie ongunstig cholesterol/hypercholesterolemie

    Europese bevolking van 35 tot 65 jaar

    WHO-project MONICA

    MORGEN-project

    Prevalentie ongunstig cholesterol/hypercholestrolemie

    Steekproef van de Nederlandse bevolking (periode 1993 t/m 1997)

    MORGEN-project

    Kosten van Ziektenstudie

    Kosten van zorg voor hoge bloeddruk

    Nederlandse bevolking
     

    Kosten van Ziekten (open data)

Methoden
  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.