Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

CholesterolCijfers & ContextOorzaken en gevolgen

Cijfers & Context

Cholesterol hoger op oudere leeftijd

Regionaal & Internationaal

Gebruik cholesterolverlagers hoogst in het zuiden

Kosten

Preventie & Zorg

Cholesterol en coronaire hartziekten

Verhoogd LDL-cholesterol risicofactor voor coronaire hartziekten

Een te hoge bloedwaarde voor het LDL-cholesterol is een belangrijke oorzaak van coronaire hartziekten. Een verhoogd LDL-cholesterol wordt ook gevonden bij beroerte en diabetes mellitus. Dyslipidemie komt vaker voor bij personen met reumatoïde artritis. Patiënten met een hart- of vaatziekte, diabetes mellitus en/of reumatoïde artritis hebben een verhoogd risico op hart- en vaatziekten (NHG, 2011).

Direct verband totaalcholesterolgehalte en coronaire hartziekten

De relatieve risico's voor de relatie tussen het totaalcholesterolgehalte in het bloed en coronaire hartziekten zijn universeel: hoe hoger het totaalcholesterolgehalte, hoe hoger het risico op coronaire hartziekten (Lewington et al., 2007). Een afname van de bloedwaarde voor totaalcholesterol met 1% leidt tot een daling van 2 tot 3% in de sterfte aan coronaire hartziekten (Boshuizen et al., 2007; Houterman et al., 2003).

Statines verlagen totaal- en LDL-cholesterolgehalte

Het gebruik van de cholesterolverlagende statines kan de bloedwaarde voor totaalcholesterol met 33% tot 55% verlagen (Baigent et al., 2010). Een verlaging van het LDL-cholesterol van 1 mmol per liter vermindert het risico op coronaire hartziekten met circa 25% en het risico op beroerte met circa 17% (Baigent et al., 2005; Law et al., 2003).

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. NHG. Multidisciplinaire richtlijn Cardiovasculair risicomanagement. Houten: Bohn Stafleu van Loghum; 2011. Bron
  2. Lewington S, Whitlock G, Clarke R, Sherliker P, Emberson J, Halsey J, et al. Blood cholesterol and vascular mortality by age, sex, and blood pressure: a meta-analysis of individual data from 61 prospective studies with 55,000 vascular deaths. Lancet. 2007;370(9602):1829-39. Pubmed | DOI
  3. Boshuizen HC, Lanti M, Menotti A, Moschandreas J, Tolonen H, Nissinen A, et al. Effects of past and recent blood pressure and cholesterol level on coronary heart disease and stroke mortality, accounting for measurement error. Am J Epidemiol. 2007;165(4):398-409. Pubmed | DOI
  4. Houterman S, Verschuren WMM, Kromhout D. Smoking, blood pressure and serum cholesterol-effects on 20-year mortality. Epidemiology. 2003;14(1):24-9. Bron | Pubmed
  5. Baigent C, Blackwell L, Emberson J, Holland LE, Reith C, Bhala N, et al. Efficacy and safety of more intensive lowering of LDL cholesterol: a meta-analysis of data from 170,000 participants in 26 randomised trials. Lancet. 2010;376(9753):1670-81. Pubmed | DOI
  6. Baigent C, Keech A, Kearney PM, Blackwell L, Buck G, Pollicino C, et al. Efficacy and safety of cholesterol-lowering treatment: prospective meta-analysis of data from 90,056 participants in 14 randomised trials of statins. Lancet. 2005;366(9493):1267-78. Pubmed | DOI
  7. Law MR, Wald NJ, Rudnicka AR. Quantifying effect of statins on low density lipoprotein cholesterol, ischaemic heart disease, and stroke: systematic review and meta-analysis. BMJ. 2003;326(7404):1423. Pubmed | DOI

Risicofactoren voor een ongunstig cholesterol

Roken, overgewicht, inactiviteit en voeding beïnvloeden cholesterol

Roken, overgewicht, lichamelijke inactiviteit en een ongezond voedingspatroon zijn van invloed op het cholesterolgehalte in het bloed. In hoeverre één van deze risicofactoren van invloed is op het cholesterolgehalte, hangt ook af van het totaal van aanwezige risicofactoren. Daarnaast kunnen genetische factoren invloed hebben op het cholesterolgehalte.

Ongezonde vetzuren verhogen totaalcholesterolgehalte

Een ongezond voedingspatroon met veel verzadigde vetten en transvetzuren verhoogt het totaalcholesterolgehalte. Ook cholesterol aanwezig in voedingsmiddelen (onder andere in eieren en orgaanvlees) verhoogt (hetzij in mindere mate dan verzadigde en transvetzuren) het totaalcholesterolgehalte in het bloed. Daarnaast kan een hoge inname van transvetzuren ook het beschermende HDL-cholesterolgehalte verlagen (Zock et al., 1998; Mensink et al., 2003). Een voedingspatroon rijk aan voedingsvezels (onder andere in groente, fruit en peulvruchten) kan het LDL-cholesterol helpen verlagen (Olson et al., 1997; Jenkins et al., 2002).

Roken en overgewicht verhogen totaal- en verlagen HDL-cholesterol

Roken verhoogt het risico op zowel een verhoogd totaalcholesterol als een verlaagd gehalte aan het beschermende HDL-cholesterol (Craig et al., 1989). Een verhoogd totaalcholesterol en een verlaagd HDL-cholesterol komt ook vaker voor bij personen met overgewicht en obesitas. Het totaalcholesterolgehalte neemt toe bij een stijgende BMI, terwijl het HDL-cholesterolgehalte afneemt (Lean et al., 1999). Voor overgewicht geldt dat vooral dat de hoeveelheid buikvet een risicofactor is (Després et al., 2008). Overigens verhogen roken en overgewicht behalve via ongunstige bloedwaarden voor cholesterol ook op andere manieren het risico op coronaire hartziekten en op hart- en vaatziekten in het algemeen.

Bewegen en matig alcoholgebruik gunstig voor HDL-cholesterol

Voldoende lichamelijke activiteit en een matig alcoholgebruik verhogen de bloedwaarde voor het beschermende HDL-cholesterol. Een hoge HDL bloedwaarde is een beschermende factor voor coronaire hartziekten.
 

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Zock PL, Urgert R, Hulshof PJM, Katan MB. Transvetzuren in de voeding: risico op coronaire hartziekten. Nederlands Tijdschrift voor de Geneeskunde. 1998;142 ((30)). Bron
  2. Mensink RP, Zock PL, Kester ADM, Katan MB. Effects of dietary fatty acids and carbohydrates on the ratio of serum total to HDL cholesterol and on serum lipids and apolipoproteins: a meta-analysis of 60 controlled trials. Am J Clin Nutr. 2003;77(5):1146-55. Pubmed
  3. Olson BH, Anderson SM, Becker MP, Anderson JW, Hunninghake DB, Jenkins DJ, et al. Psyllium-enriched cereals lower blood total cholesterol and LDL cholesterol, but not HDL cholesterol, in hypercholesterolemic adults: results of a meta-analysis. J Nutr. 1997;127(10):1973-80. Pubmed
  4. Jenkins DJA, Kendall CWC, Vuksan V, Vidgen E, Parker T, Faulkner D, et al. Soluble fiber intake at a dose approved by the US Food and Drug Administration for a claim of health benefits: serum lipid risk factors for cardiovascular disease assessed in a randomized controlled crossover trial. Am J Clin Nutr. 2002;75(5):834-9. Pubmed
  5. Craig WY, Palomaki GE, Haddow JE. Cigarette smoking and serum lipid and lipoprotein concentrations: an analysis of published data. BMJ. 1989;298(6676):784-8. Pubmed
  6. Lean ME, Han TS, Seidell JC. Impairment of health and quality of life using new US federal guidelines for the identification of obesity. Arch Intern Med. 1999;159(8):837-43. Pubmed

Genetische factoren en Familiaire Hypercholesterolemie

Genetische factoren kunnen ongunstig cholesterol veroorzaken

Genetische factoren kunnen een belangrijke rol spelen bij het ontstaan van ongunstige cholesterolniveaus in het bloed. Bij Familiaire Hypercholesterolemie (FH) ligt het totaalcholesterol vaak boven de 8 mmol/l en is het LDL-cholesterol gemiddeld twee keer hoger dan normaal. FH komt voor bij ongeveer 1 op de 400 Nederlanders, in totaal 40.000 mensen.

Variaties in verschillende genen bij Familiaire Hypercholesterolemie

Van de bij Familiaire Hypercholesterolemie betrokken genen, zijn mutaties in het LDL-receptoren het beste gekarakteriseerd. Deze zijn aantoonbaar in circa 50% van de patiënten (van Aalst-Cohen et al., 2006). Daarnaast blijken variaties in andere (kandidaat)genen, die mede van invloed zijn op de bloedwaarden voor LDL- en HDL-cholesterol, een onafhankelijke risicofactor voor hart- en vaatziekten te vormen (Kathiresan et al., 2008). Uit de resultaten van enkele recente GWAS-onderzoeken zijn zeven nieuwe genen naar voren gekomen, die ook de bloedwaarden voor LDL- en HDL-cholesterol en triglyceriden mede bepalen (Lusis & Pajukanta, 2008).

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. van Aalst-Cohen ES, Jansen ACM, Tanck MWT, Defesche JC, Trip MD, Lansberg PJ, et al. Diagnosing familial hypercholesterolaemia: the relevance of genetic testing. Eur Heart J. 2006;27(18):2240-6. Pubmed | DOI
  2. Kathiresan S, Melander O, Anevski D, Guiducci C, Burtt NNP, Roos C, et al. Polymorphisms associated with cholesterol and risk of cardiovascular events. N Engl J Med. 2008;358(12):1240-9. Pubmed | DOI
  3. Lusis AJ, Pajukanta P. A treasure trove for lipoprotein biology. Nat Genet. 2008;40(2):129-30. Pubmed | DOI

Verantwoording

Definities
  • Cholesterol

    Cholesterol is een vetachtige stof die het menselijk lichaam nodig heeft als bouwsteen voor lichaamscellen en hormonen. Het meeste cholesterol wordt aangemaakt in de lever. Een klein gedeelte cholesterol uit de voeding komt in het bloed. Consumptie van verzadigd vet heeft meer invloed op het serumcholesterolgehalte dan cholesterol uit de voeding. Cholesterol wordt samen met triglyceriden (bloedvetten) door het lichaam getransporteerd door de lipoproteïnen: HDL, LDL en VLDL. De verschillen tussen deze lipoproteïnen zitten in de hoeveelheid triglyceriden en eiwit. Hoe meer triglyceriden en cholesterol, des te lichter het deeltje. In LDL zitten dus meer triglyceriden en cholesterol dan in HDL.

    Totaalcholesterol

    Het totaal van de afzonderlijke cholesteroldeeltjes LDL, HDL en VLDL.

  • Hypercholesterolemie (ongunstig cholesterol)

    Op VZinfo maken we gebruik van de volgende definitie:

    Iemand heeft een ongunstig cholesterol, of hypercholesterolemie, als het serumtotaalcholesterol gelijk is aan of hoger is dan 6,5 mmol/L en/of als hij of zij cholesterolverlagende medicijnen gebruikt. Deze definitie includeert ook mensen waarbij het cholesterolgehalte onder de 6,5 mmol/l is gedaald door gebruik van cholesterolverlagende medicijnen.

  • LDL-cholesterol

    Ongeveer 70% van het cholesterol is aanwezig in de LDL-deeltjes, die het cholesterol samen met de triglyceriden door het bloed vervoeren naar de weefsels. Bij hoge concentraties LDL in het bloed hoopt het cholesterol uit de LDL-deeltjes zich op in de wanden van bloedvaten en bevordert zo het proces van atherosclerose (slagaderverkalking). Hoe hoger de bloedwaarde voor de schadelijke LDL-deeltjes, hoe hoger het risico op coronaire hartziekten.

  • HDL-cholesterol

    De HDL-deeltjes voeren het cholesterol af vanuit de weefsels naar de lever en gaan zo juist het proces van atherosclerose tegen. Hoe hoger de bloedwaarde voor de beschermende HDL-deeltjes, des te lager het risico op coronaire hartziekten. Voor mannen en vrouwen is het HDL-gehalte ongunstig als het lager is dan 0,9 mmol/l. Het HDL-serumcholesterolgehalte is zelden hoger dan 2,2 mmol/l.

  • VLDL-cholesterol

    VLDL-deeltjes transporteren triglyceriden (bloedvetten) van de lever naar de rest van het lichaam. Triglyceriden leveren energie aan weefsels in het lichaam en bestaan uit glycerol waaraan drie vetzuren zijn gekoppeld. Dit zijn combinaties van verzadigde en onverzadigde vetzuren.

  • Cholesterolratio

    De cholesterolratio, de verhouding totaal-/HDL-cholesterolgehalte is een betere voorspeller voor coronaire hartziekten dan het totaal cholesterolgehalte. Voor het totaalcholesterolgehalte en voor de cholesterolratio geldt: hoe hoger de waarde, des te hoger het risico op (sterfte aan) een coronaire hartziekte. Voor de cholesterolratio is geen internationaal gebruikte grenswaarde beschikbaar.

  • Risicoprofiel coronaire hartziekten

    Een ongunstig cholesterol bepaalt in combinatie met andere risicofactoren het daadwerkelijke risico voor een individu op het krijgen van een coronaire hartziekte. De risicofactoren samen (geslacht, leeftijd, roken, systolische bloeddruk en de verhouding totaalcholesterol/HDL cholesterol, ofwel de cholesterolratio) vormen het zogenoemde totale risicoprofiel (NHG, 2011).

    In geval van een matig verhoogd risico (10-jaars risico tussen de 10% en 20% om een hart- of vaatziekte te krijgen of hieraan te overlijden) kijkt de arts ook naar bijkomende risicofactoren:
    • Familiaire belasting
    • BMI
    • Lichamelijke inactiviteit
    • Nierschade

    Risicoprofiel bepalend voor medicatiekeuze

    In eerste instantie zal een arts iemand met een verhoogd cholesterolgehalte een gezonde leefstijl aanraden. Soms is daarnaast een medicamenteuze behandeling van het cholesterolgehalte met statines noodzakelijk. Met behulp van het risicoprofiel in de  multidisciplinaire richtlijn 'Cardiovasculair risicomanagement' kan een arts bepalen welke patiënt naast een gezonde leefstijl in aanmerking komt voor medicamenteuze behandeling (NHG, 2011).

    Cholesterolratio betere voorspeller coronaire hartziekten

    De cholesterolratio, de verhouding totaal-/HDL-cholesterolgehalte is een betere voorspeller voor coronaire hartziekten dan het totaal cholesterolgehalte. Voor het totaalcholesterolgehalte en voor de cholesterolratio geldt: hoe hoger de waarde, des te hoger het risico op (sterfte aan) een coronaire hartziekte. Voor de cholesterolratio is geen internationaal gebruikte grenswaarde beschikbaar. Het HDL-cholesterolgehalte is ingedeeld in twee klassen: een concentratie lager (= ongunstig) en hoger dan 0,9 mmol/l.

    Verlaagd HDL-cholesterol kan onderdeel zijn van metabool syndroom

    Een verlaagd gehalte van het gunstige HDL-cholesterol en een verhoogde waarde voor triglyceriden zijn risicofactoren voor het 'metabool syndroom'. Van dit syndroom is sprake wanneer drie of meer van de volgende risicofactoren voor hart- en vaatziekten gelijktijdig bij iemand voorkomen (Eckel et al., 2010):
    • Een verlaagde bloedwaarde voor HDL-cholesterol
    • Een verhoogde bloeddruk
    • Een buikomtrek van >102 cm bij mannen of >88 cm bij vrouwen
    • Verhoogde bloedwaarde voor triglyceriden
    • Verstoorde glucosetolerantie

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. NHG. Multidisciplinaire richtlijn Cardiovasculair risicomanagement. Houten: Bohn Stafleu van Loghum; 2011. Bron
    2. Eckel RH, Alberti KGMM, Grundy SM, Zimmet PZ. The metabolic syndrome. Lancet. 2010;375(9710):181-3. Pubmed | DOI
  • Gebruiker geneesmiddelen

    Een gebruiker is in de GIP databank gedefinieerd als een patiënt die gedurende een kalenderjaar minstens één voorschrift voor het betreffende geneesmiddel heeft ontvangen. Omdat iemand in een jaar verschillende geneesmiddelen kan gebruiken, kunnen gebruikersaantallen niet zomaar worden opgeteld. Een patiënt die een voorschrift voor zowel simvastatine als atorvastatine heeft ontvangen, telt mee als gebruiker van simvastatine én als gebruiker van atorvastatine; op het niveau van de cholesterolverlagers telt hij maar eenmaal mee.

  • Standaarddagdosering (DDD)

    Het aantal gebruikers zegt niets over de gebruikte hoeveelheid van geneesmiddelen: de hoeveelheid geneesmiddelen kan per gebruiker variëren. Voor het meten en vergelijken van de gebruikte hoeveelheid wordt daarom gebruik gemaakt van het aantal standaarddagdoseringen. Een standaarddagdosering (DDD, Defined Daily Dose) is de hoeveelheid werkzame stof die een volwassene per dag krijgt voor de onderhoudsbehandeling van een ziekte of een aandoening. De standaarddagdosering wordt jaarlijks vastgesteld door het Collaborating Centre for Drug Statistics Methodology.  

  • ATC-codes

    Het classificatiesysteem van de World Health Organization deelt een geneesmiddel in door aan elke werkzame stof of combinaties daarvan een eigen code toe te kennen. Het antidepressivum Fluoxetine (Merknaam: Prozac®) heeft bijvoorbeeld de ATC-code: N 06 AB 03. De eerste letter (N) staat voor de anatomische hoofdgroep, in dit geval die van het zenuwstelsel (Nervous system). In combinatie met het tweecijferige getal (06) achter de N ontstaat de code voor de therapeutische subgroep. N06 is de code voor de therapeutische subgroep van de psychoanaleptica. De tweede letter (A) staat voor de farmacologische subgroep, de farmacologische subgroep N06A is die van de antidepressiva. In combinatie met de derde letter (B) onstaat de code voor de chemische subgroep. N06AB is de code voor de chemische subgroep van selectieve serotonine heropnameremmers (SSRI's). Het laatste getal staat uiteindelijk voor de specifieke werkzame stof binnen de chemische subgroep. In dit geval dus fluoxetine. Op de GIP databank wordt het ATC-classificatiesysteem gebruikt dat door de WHO is vastgesteld in het meest recente rapportagejaar. Deze indeling is toegepast op alle voorgaande jaren, zodat de gegevens over alle jaren op dezelfde wijze zijn geclassificeerd.

     

    Geneesmiddelgroep

    ATC-codes

    Maagmiddelen

    A02BA01, A02BA02, A02BA03, A02BA04, A02BB01, A02BC01, A02BC02, A02BC03, A02BC04, A02BC05, A02BD04, A02BX02, A02BX05

    Cholesterolverlagers

    C10AA01, C10AA03, C10AA04, C10AA05, C10AA07, C10AB02, C10AB04, C10AB08, C10AC01, C10AC04, C10AD06, C10AX09, C10AX12, C10AX13, C10AX14, C10BA02, C10BA05

    Diabetesmiddelen totaal

    A10AB01, A10AB04, A10AB05, A10AB06, A10AC01, A10AD01, A10AD04, A10AD05, A10AD06, A10AE, A10AE04, A10AE05, A10AE06, A10AE56, A10BA02, A10BB01, A10BB03, A10BB09, A10BB12, A10BD02, 10BD05, A10BD07, A10BD08, A10BD10, A10BD11, A10BD15, A10BD16, A10BD20, A10BF01, A10BG03, A10BH01, A10BH02, A10BH03, A10BH05, A10BJ01, A10BJ02, A10BJ03, A10BJ05, A10BK01, A10BK02, A10BK03, A10BX02

    Diabetesmiddelen, oraal

    A10BA02, A10BB01, A10BB03, A10BB09, A10BB12, A10BD02, 10BD05, A10BD07, A10BD08, A10BD10, A10BD11, A10BD15, A10BD16, A10BD20, A10BF01, A10BG03, A10BH01, A10BH02, A10BH03, A10BH05, A10BJ01, A10BJ02, A10BJ03, A10BJ05, A10BK01, A10BK02, A10BK03, A10BX02

    Diabetesmiddelen, insuline

    A10AB01, A10AB04, A10AB05, A10AB06, A10AC01, A10AD01, A10AD04, A10AD05, A10AD06, A10AE, A10AE04, A10AE05, A10AE06, A10AE56

    Astma- en COPD-middelen

    R03AC02, R03AC03, R03AC12, R03AC13, R03AC18, R03AC19, R03AK06, R03AK07, R03AK08, R03AK10, R03AK11, R03AK12, R03AL, R03AL01, R03AL02, R03AL03, R03AL04, R03AL05, R03AL06, R03BA01, R03BA02, R03BA05, R03BA08, R03BB01, R03BB04, R03BB05, R03BB06, R03BB07, R03BC01, R03BC03, R03CC02, R03DA04, R03DC03, R05CB13

    Antidepressiva

    N06AA02, N06AA04, N06AA09, N06AA10, N06AA12, N06AA16, N06AA21, N06AB03, N06AB04, N06AB05, N06AB06, N06AB08, N06AB10, N06AF03, N06AF04, N06AG02, N06AX03, N06AX05, N06AX11, N06AX12, N06AX16, N06AX21, N06AX22, N06AX26

    Antipsychotica

    N05AA01, N05AB02, N05AB03, N05AC01, N05AD01, N05AD05, N05AD06, N05AD08, N05AE03, N05AE05, N05AF01, N05AF03, N05AF05, N05AG01, N05AG02, N05AG03, N05AH02, N05AH03, N05AH04, N05AL01, N05AL03, N05AN01, N05AX08, N05AX12, N05AX13

    Slaap- en kalmeringsmiddelen

    N05BA01, N05BA02, N05BA04, N05BA05, N05BA06, N05BA08, N05BA09, N05BA11, N05BA12, N05CD01, N05CD02, N05CD03, N05CD06, N05CD07, N05CD08, N05CD09, N05CD11, N05CF01, N05CF02

    ADHD-middelen

    N06BA02, N06BA04, N06BA09

Bronverantwoording
  • Cholesterol: Nederland de Maat Genomen

    In de periode 2009-2010 is door het RIVM de monitoringstudie Nederland de Maat Genomen (kortweg NL de Maat) uitgevoerd, waarbij onderzoek is gedaan naar de prevalentie van (abdominaal) overgewicht en obesitas, (onderdelen) van het metabool syndroom en ongediagnosticeerde diabetes in de algemene bevolking van 18-70 jaar. In totaal hebben ongeveer 4.500 personen uit zeven gemeenten deelgenomen, waarbij van de meesten ook bloed is afgenomen.

    Meten van cholesterol

    In het bloedserum van de bloedmonsters zijn de totaal- en HDL-cholesterolgehalten bepaald. Het bloedserum is de vloeistof die overblijft nadat het bloedplasma ontdaan is van stollingsfactoren. Daarom spreekt men ook wel van serumcholesterol.

    Medicijngebruik

    Via een vragenlijst is navraag gedaan naar het gebruik van cholesterolverlagende medicijnen (zoals statines). Mensen met een cholesterolgehalte dat door medicijngebruik gedaald is naar een normale waarde, behoren in deze studie tot de groep mensen met een ongunstig serumcholesterol.

  • Cholesterol: MORGEN-project (1993-1997)

    In het MORGEN-project, MOnitoring van Risicofactoren en Gezondheid in Nederland, is het vóórkomen van ongunstige bloedwaarden voor cholesterol en andere risicofactoren gemeten tussen 1993 en 1997. In deze periode zijn circa 23.000 mannen en vrouwen uit Amsterdam, Doetinchem en Maastricht onderzocht (Blokstra et al., 2005).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Blokstra A, Smit HA, Bueno-de-Mesquita HB, Seidell JC, Verschuren WMM. Monitoring van Risicofactoren en Gezondheid in Nederland (MORGEN-project) 1993-1997. Leefstijl- en risicofactoren: prevalenties en trends . Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2005. Bron
  • Peilstationsproject Hart- en Vaatziekten (1987-1991)

    In het Peilstationsproject Hart- en Vaatziekten zijn in de periode 1987-1991 de veranderingen nagegaan in het percentage mensen met ongunstige bloedwaarden voor cholesterol en andere risicofactoren voor diverse belangrijke (chronische) aandoeningen. In deze periode zijn ruim 36.000 mannen en vrouwen tussen de 20 en 60 jaar uit Amsterdam, Doetinchem en Maastricht onderzocht (Verschuren et al., 1994).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Verschuren WMM, Smit HA, van Leer EM, Berns MPH, Blokstra A, Steenbrink-van Woerden JA, et al. Prevalentie van risicofactoren voor hart- en vaatziekten en veranderingen daarin in de periode 1987-1991. Eindrapportage Peilstationsproject Hart- en Vaatziekten 1987-1991. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 1994. Bron
  • Doetinchem Cohort Studie (1987-2007)

    Uit de Doetinchem Cohort Studie zijn gegevens beschikbaar over het cholesterolgehalte in het bloed en andere risicofactoren voor diverse belangrijke (chronische) aandoeningen. In dit onderzoek is eenzelfde groep van bijna 6.400 mensen uit Doetinchem (het cohort) sinds 1987 regelmatig onderzocht (Verschuren et al., 2008).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Verschuren WMM, Blokstra A, Picavet HSJ, Smit HA. Cohort profile: The Doetinchem Cohort. Int J Epidemiol. 2008;37((6)):1236-41. Bron
  • MONICA (1980-1990) - internationaal cohort onderzoek

    In het WHO-project MONICA (multinational MONitoring of trends en determinants in CArdiovascular disease) zijn tien miljoen mannen en vrouwen van 25 tot 64 jaar (het cohort) onderzocht tussen 1980 en 1990. Er is nagegaan welke veranderingen er in deze periode optraden bij deze mensen in het vóórkomen van cardiovasculaire aandoeningen, ongunstige bloedwaarden voor cholesterol en andere risicofactoren voor deze aandoeningen.

  • GIP databank

    De gegevens van het Genees- en hulpmiddelen Project (GIP) zijn gebaseerd op de declaratiegegevens voor de farmaceutische zorg (inclusief dieet- en voedingsmiddelen) en hulpmiddelenzorg afkomstig van 25 (van de 26) zorgverzekeraars. Het gaat daarbij om geneesmiddelen die extramuraal door huisarts of specialist zijn voorgeschreven en vervolgens zijn afgeleverd door een apotheker of leverancier van hulpmiddelen en op grond van de Zorgverzekeringswet (basispakket) door de zorgverzekeraar zijn vergoed. De gegevensbestanden zijn gebaseerd op het gebruik van genees- en hulpmiddelen van circa 16,4 miljoen verzekerden; dit betekent een dekking van 98% van het totale aantal verzekerden in Nederland. Sinds 2004 zijn de gegevensbestanden van het GIP op een voor iedereen toegankelijke manier ontsloten via www.gipdatabank.nl. De GIPdatabank is een unieke openbare gegevensbron met gedetailleerde cijfers over het gebruik van genees- en hulpmiddelen.

Methoden