Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

BloeddrukCijfers & ContextHuidige situatie

Cijfers & Context

Een derde van de Nederlanders heeft hypertensie

Regionaal & Internationaal

Laagste percentages verhoogde bloeddruk in Brabant

Kosten

Preventie & Zorg

Verhoogde bloeddruk naar leeftijd

Prevalentie verhoogde bloeddruk

Nederland de Maat Genomen (30 tot 70-jarigen), LASA (60 tot 100-jarigen)
LeeftijdMannen NLdeMVrouwen NLdeMMannen LASAVrouwen LASA
30-3916,67,5
40-4927,814,7
50-5947,431,5
60-6961,855,361,455,5
70-7970,769,3
80+61,166,9

Bronnen: Nederland de Maat Genomen (NLdeM), 2009-2010; LASA, 2008-2009

Eén op de drie Nederlanders heeft verhoogde bloeddruk

Gemiddeld heeft 31,4% van de Nederlanders van 30 tot en met 70 jaar een verhoogde bloeddruk (hypertensie). Dat wil zeggen dat zij een bloeddruk hebben waarvan de bovendruk (systole) ≥ 140 mmHg is en/of de onderdruk (diastole) ≥ 90 mmHg en/of dat zij bloeddrukverlagende medicatie gebruiken. Gemiddeld is het percentage mannen dat hypertensie heeft hoger (37,4%) dan het percentage vrouwen (26,2%) met hypertensie. Naarmate de leeftijd vordert neemt de prevalentie van hypertensie toe, maar deze neemt weer af op hoge leeftijd (80 jaar en ouder) (Blokstra et al., 2011; LASA, 2008-2009).

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. LASA, Longitudinal Aging Study Amsterdam. zorggegevens.nl

Literatuur

  1. Blokstra A, Vissink P, Venmans LMAJ, Holleman P, van der Schouw YT, Smit HA. Nederland de Maat Genomen, 2009-2010. Monitoring van risicofactoren in de algemene bevolking. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2011. Bron

Systolische bloeddruk naar leeftijd

Mannen hebben een hogere systolische bloeddruk dan vrouwen

De gemiddelde bovendruk (systolische bloeddruk) is hoger bij mannen dan bij vrouwen, met uitzondering van oudere mannen. De systolische bloeddruk stijgt met de leeftijd, zowel bij mannen als bij vrouwen maar neemt bij mannen boven de 70 jaar weer af. Ouderen gebruiken meer frequent bloeddrukverlagende medicijnen. Van de 70-79-jarigen gebruikt circa 28% van de mannen en vrouwen bloeddrukverlagende medicatie. Op 30-39-jarige leeftijd is dat ongeveer 2% (Blokstra et al., 2011; LASA, 2008-2009).

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. LASA, Longitudinal Aging Study Amsterdam. zorggegevens.nl

Literatuur

  1. Blokstra A, Vissink P, Venmans LMAJ, Holleman P, van der Schouw YT, Smit HA. Nederland de Maat Genomen, 2009-2010. Monitoring van risicofactoren in de algemene bevolking. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2011. Bron

Diastolische bloeddruk naar leeftijd

Diastolische bloeddruk hoger bij mannen

Net als de bovendruk is ook de onderdruk (diastolische bloeddruk) bij mannen gemiddeld hoger dan bij vrouwen. Op 60-70-jarige leeftijd is de diastolische bloeddruk het hoogst bij zowel mannen als vrouwen. Bij mannen boven de 70 jaar neemt de diastolische bloeddruk af (Blokstra et al., 2011; LASA, 2008-2009).

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. LASA, Longitudinal Aging Study Amsterdam. zorggegevens.nl

Literatuur

  1. Blokstra A, Vissink P, Venmans LMAJ, Holleman P, van der Schouw YT, Smit HA. Nederland de Maat Genomen, 2009-2010. Monitoring van risicofactoren in de algemene bevolking. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2011. Bron

Verantwoording

Definities
  • Wanneer is er sprake van hypertensie?

    Voor volwassenen is sprake van een verhoogde bloeddruk ofwel hypertensie (NHG, 2011) bij:

    • een bovendruk (systolische bloeddruk, SBD) van 140 mmHg of hoger, en/of
    • een onderdruk (diastolische bloeddruk, DBD) van 90 mmHg of hoger, en/of
    • het gebruik van bloeddrukverlagende medicatie (antihypertensiva).

    Volgens deze internationale definitie behoren mensen, die dankzij bloeddrukverlagende medicatie een genormaliseerde bloeddruk hebben, zowel in de gezondheidszorg als bij grootschalig onderzoek tot de groep hypertensiepatiënten.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. NHG. Multidisciplinaire richtlijn Cardiovasculair risicomanagement. Houten: Bohn Stafleu van Loghum; 2011. Bron
  • Afwijkende streefwaarden voor ouderen en diabeten

    Voor mensen met diabetes mellitus geldt een lagere streefwaarde van 130 mmHg. Voor 80-plussers is de streefwaarde van de bloeddruk 150-160 mmHg (NHG, 2011).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. NHG. Multidisciplinaire richtlijn Cardiovasculair risicomanagement. Houten: Bohn Stafleu van Loghum; 2011. Bron
  • Het bloeddrukniveau schommelt gedurende de dag

    Het bloeddrukniveau schommelt gedurende de dag rond een gemiddelde waarde. Veel factoren als inspanning, stress en medicatie zijn sterk gerelateerd aan die schommelingen en kunnen leiden tot verhoogde bloeddrukwaarden. De bloeddruk wordt daarom altijd meerdere keren gemeten op meerdere dagen. Pas wanneer iemand gedurende langere tijd een bloeddruk heeft boven de grenswaarde, spreekt men van een verhoogde bloeddruk (hypertensie).

  • Geïsoleerde verhoogde bovendruk komt vooral bij ouderen voor

    Van een geïsoleerde verhoogde bovendruk, ofwel geïsoleerde systolische hypertensie, is sprake wanneer iemand gemiddeld genomen een bovendruk heeft boven de grenswaarde terwijl de onderdruk niet verhoogd is (NHG, 2011). Voor volwassenen is dat het geval bij:

    • een bovendruk (systolische bloeddruk) van 140 mmHg of hoger en
    • een onderdruk (diastolische bloeddruk) lager dan 90 mmHg.

    Een geïsoleerde verhoogde bovendruk komt regelmatig voor, vooral bij ouderen. Het ontstaat vooral door een toename van de stijfheid van de vaten. Hierdoor stijgt de bovendruk relatief sterk en zal deze eerder de bovengrens overschrijden dan de onderdruk. Een geïsoleerde verhoogde onderdruk (bij een normale bovendruk) komt zelden voor.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. NHG. Multidisciplinaire richtlijn Cardiovasculair risicomanagement. Houten: Bohn Stafleu van Loghum; 2011. Bron
  • Het bepalen van de bloeddruk

    In de spreekkamer

    Een arts, doktersassistente, verpleegkundige of praktijkondersteuner meet de bloeddruk van een patiënt (spreekkamerbloeddrukmeting). Hij/zij stelt de diagnose 'verhoogde bloeddruk' na herhaalde metingen van de bloeddruk (boven- en onderdruk) met een bloeddrukmeter. De metingen vinden plaats tijdens achtereenvolgende consulten, om een zo nauwkeurig mogelijk beeld van de bloeddruk te krijgen (NHG, 2011). De verschillende bloeddrukmetingen zijn verspreid over een periode van:

    • maanden voor patiënten met een licht verhoogde bloeddruk (140-160 mmHg)
    • weken of dagen voor patiënten met een sterk verhoogde bloeddruk (180-200 mmHg)
    • een dag voor patiënten met een zeer ernstig verhoogde bloeddruk (200 mmHg of hoger).

    Thuis en ambulant

    Patiënten kunnen ook zelf thuis hun bloeddruk meten (thuisbloeddrukmeting). De gemeten waarden thuis liggen vaak lager dan de gemeten waarden in de spreekkamer. Het afkappunt voor thuisbloeddrukmetingen ligt op 135 mmHg.

    Ambulante bloeddrukmetingen zijn een derde variant om de bloeddruk te bepalen. Men spreekt van ambulante bloeddrukmetingen bij automatische herhaaldelijke metingen (bijvoorbeeld elk halfuur) over een bepaalde periode (bijvoorbeeld 24 uur) (NHG, 2011).

    In grootschalige onderzoeken

    Bij grootschalige onderzoeken worden om praktische redenen de metingen niet gedurende een bepaalde tijdsperiode herhaald, maar vinden ze op één dag plaats. Daarbij worden wel vaak duplometingen uitgevoerd, bestaande uit twee metingen met een tussenpauze van vijf minuten. Door deze meetmethode is er vaak sprake van een overschatting van het percentage mensen met verhoogde bloeddruk (prevalentie).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. NHG. Multidisciplinaire richtlijn Cardiovasculair risicomanagement. Houten: Bohn Stafleu van Loghum; 2011. Bron
  • Risicoprofiel hart- en vaatziekten

    Voor patiënten met een verhoogde bloeddruk (SBD 140 mmHg of hoger) brengt de arts een risicoprofiel in kaart. Hierin staan de risicofactoren voor hart- en vaatziekten:

    • leeftijd
    • geslacht
    • roken
    • familie-anamnese
    • lichamelijke activiteit
    • body-mass index
    • lipidenspectrum
    • glucosegehalte
    • geschatte glomerulaire filtratiesnelheid

    Met het totale risicoprofiel maakt een arts een inschatting van de hoogte van het risico op ziekte of sterfte door hart- en vaatziekten in de komende 10 jaar (NHG, 2011).

    De risicotabel is opgenomen op pagina 29 in de Multidisciplinaire Richtlijn Cardiovasculair Risicomanagement 2011 (NHG, 2011).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. NHG. Multidisciplinaire richtlijn Cardiovasculair risicomanagement. Houten: Bohn Stafleu van Loghum; 2011. Bron
Bronverantwoording
  • Bloeddruk: Nederland de Maat Genomen

    In de periode 2009-2010 is door het RIVM de monitoringstudie Nederland de Maat Genomen (kortweg NL de Maat) uitgevoerd, waarbij onderzoek is gedaan naar de prevalentie van (abdominaal) overgewicht en obesitas, (onderdelen) van het metabool syndroom en ongediagnosticeerde diabetes in de algemene bevolking van 18-70 jaar. In totaal hebben ongeveer 4.500 personen uit zeven gemeenten deelgenomen, waarbij bij de meesten ook de bloeddruk is gemeten. De bloeddruk is in drievoud gemeten met een automatische bloeddrukmeter. De gepresenteerde gegevens zijn het gemiddelde van de tweede en de derde bloeddrukmeting. De eerste meting is niet meegenomen. Gegevens over het gebruik van bloeddrukverlagende medicatie komt uit vragenlijsten. Zie ook: Nederland de Maat Genomen.

  • LASA

    De Longitudinal Aging Study Amsterdam (LASA) is een longitudinale studie, uitgevoerd door de Vrije Universiteit, waarbij onderzoek wordt gedaan naar determinanten en gevolgen van veroudering. Het onderzoek is gestart in 1992 bij ruim 3.000 mannen en vrouwen van 55 jaar en ouder. In 2002 is deze groep aangevuld met een steekproef van circa 1.000 personen. In het Kompas is gebruikt gemaakt van gegevens van de 6e meting in 2008-2009 (circa 1.500 personen), waarbij de leeftijd van de respondenten 60-100 jaar was. In deze groep had circa 33% van de mannen en 24% van de vrouwen een hart- of vaatziekte. 15% van de mannen en 13% van de vrouwen had diabetes. Gegevens over het gebruik van bloeddrukverlagende medicatie komt uit vragenlijsten. Voor meer informatie zie: LASA op de website Zorggegevens.nl.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. LASA, Longitudinal Aging Study Amsterdam. zorggegevens.nl
  • Bloeddruk: MORGEN-project (1993-1997)

    In het MORGEN-project, MOnitoring van Risicofactoren en GEzondheid in Nederland, is het vóórkomen van verhoogde bloeddruk en andere risicofactoren gemeten tussen 1993 en 1997. In deze periode zijn circa 23.000 mannen en vrouwen uit Amsterdam, Doetinchem en Maastricht onderzocht (Blokstra et al., 2005).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Blokstra A, Smit HA, Bueno-de-Mesquita HB, Seidell JC, Verschuren WMM. Monitoring van Risicofactoren en Gezondheid in Nederland (MORGEN-project) 1993-1997. Leefstijl- en risicofactoren: prevalenties en trends . Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2005. Bron
  • Bloeddruk: CBS Gezondheidsenquête

    Het CBS verzamelt zelfgerapporteerde gegevens. Het CBS vraagt deze gegevens jaarlijks na bij een steekproef uit de Nederlandse bevolking (POLS, gezondheid en welzijn). Circa tienduizend Nederlanders van 12 jaar en ouder rapporteren onder meer of zij een hoge bloeddruk hebben en/of bloeddrukverlagende medicijnen gebruiken. Om een representatief beeld te krijgen van deze bevolkingsgroep zijn de resultaten van dit onderzoek herwogen naar de volgende vijf factoren: geslacht, leeftijd, burgerlijke staat en een combinatie van regio en urbanisatiegraad.

    Zie ook Zorggegevens: CBS-Gezondheidsenquête

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. POLS, Permanent Onderzoek Leefsituatie; module Gezondheid en Welzijn. zorggegevens.nl
    2. CBS-Gezondheidsenquête, CBS-GE. zorggegevens.nl
  • ECHIM pilot data collection

    In het kader van het Europese Joint Action for ECHIM project (2009-2012) is er een 'pilot data colllection' uitgevoerd. Het project ging over een Europese set van volksgezondheidsindicatoren, de European Community Health Indicators (ECHI). Voor veel van deze ECHI indicatoren zijn data te vinden in Europese databases zoals Eurostat en WHO-HFA. Een aantal indicatoren is echter nog niet opgenomen in reguliere internationale dataverzamelingen. Voor deze indicatoren zijn in de ECHIM pilot data collection data verzameld in zoveel mogelijk EU lidstaten en EFTA-landen. Eén van de indicatoren in de pilot was hoge bloeddruk. Hiervoor zijn in de pilot zelfgerapporteerde gegevens verzameld. Een deel van de landen had deze gegevens al verzameld in het kader van een Europese gezondheidsenquête, de European Health Interview Survey (EHIS). In de pilot zijn deze aangevuld met gegevens uit nationale gezondheidsenquêtes voor die landen die nog niet aan EHIS hadden deelgenomen. Overigens heeft ECHI een voorkeur voor gemeten gegevens over hoge bloeddruk, maar deze zijn momenteel niet beschikbaar op Europees niveau.

  • MONICA (1980-1990)

    Het WHO-project MONICA (multinational MONitoring of trends en determinants in CArdiovascular disease) is een internationaal cohort onderzoek. Tussen 1980 en 1990 zijn tien miljoen mannen en vrouwen van 25 tot 64 jaar onderzocht. Er is nagegaan welke veranderingen er in deze periode optraden bij deze mensen in het vóórkomen van cardiovasculaire aandoeningen, verhoogde bloeddruk en andere risicofactoren voor deze aandoeningen. Er is momenteel geen internationale studie waarin de bloeddruk gemeten wordt. Zie ook: The WHO Monica-project.

Methoden
  • Verschillen tussen zelfgerapporteerde en gemeten gegevens

    De zelf gerapporteerde CBS-gegevens over medicatiegebruik zijn niet specifiek genoeg om te zien of iemand bloeddrukverlagende medicijnen gebruikt. Hierdoor is het niet mogelijk om met behulp van deze gegevens aan te geven of iemand een verhoogde bloeddruk heeft en/of bloeddrukverlagende medicatie gebruikt. Bovendien is er bij deze vraag sprake van onderrapportage. Dit bleek uit een vergelijking tussen gemeten gegevens uit het Regenboogproject en zelfgerapporteerde gegevens die het CBS verzamelde bij de deelnemers aan dat project. Ruim 1 op de 10 mensen die volgens de meting een verhoogde bloeddruk had, rapporteerde dit niet in de CBS-vragenlijst. Deze onderrapportage komt vooral voor bij deelnemers boven de veertig jaar (Viet et al., 2003).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Viet AL, van den Hof S, Elvers LH, Ocké MC, Vossenaar M. Risicofactoren En GezondheidsEvaluatie Nederlandse Bevolking, een onderzoek op GGD'en (Regenboogproject). Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2003. Bron
  • Gepresenteerde gegevens bij omvang

    Vanwege de hierboven genoemde kanttekeningen bij de zelfgerapporteerde gegevens is in VZinfo.nl zoveel mogelijk gebruik gemaakt van gemeten gegevens voor het beschrijven van de omvang van het probleem. De gegevens van het CBS (Gezondheidsenqûete) zijn alleen gebruikt als deze gegevens recentere informatie kunnen bieden vergeleken met de andere bronnen.

  • Internationale data van EHIS

    Het percentage van de bevolking dat rapporteert een hoge bloeddruk te hebben (Bron: Thelen et al., 2012) zijn gebaseerd op de European Health Interview Survey (EHIS). Voor de overige landen zijn de gegevens uit nationale gezondheidsenquêtes afkomstig. De onderliggende methoden kunnen verschillen tussen deze landen, wat de vergelijkbaarheid van de gegevens kan verminderen.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Thelen J, Kirsch NH, Finger J, von der Lippe E, Ryl L. ECHIM Pilot Data Collection, Analyses and Dissemination. Berlin: Robert Koch Institute; 2012. Bron
  • Hoge bloeddruk (zelf gerapporteerd) naar opleidingsniveau (RII)

    De RII (Relative Index of Inequality) is een odds ratio voor het verschil in het rapporteren van verhoogde bloeddruk tussen de laagst- en de hoogstopgeleiden die rekening houdt met de verdeling van mensen over de verschillende opleidingsniveaus. Een RII > 1 betekent dat het rapporteren van verhoogde bloeddruk meer voorkomt onder de laagst- dan onder de hoogstopgeleiden.

    Verschil in zelf gerapporteerde hoge bloeddruk tussen de hoogst- en de laagstopgeleiden in 2012

    Wie

    Gecorrigeerd voor

    RII (95% betrouwbaarheidsinterval)

    Gehele bevolking

    Leeftijd, geslacht

    1,85 (1,79 – 1,91)

    Vrouwen

    Leeftijd

    2,17 (2,07 – 2,27)

    Mannen

    Leeftijd

    1,52 (1,45 – 1,59)

    Zie methode voor een beschrijving van de analyse.

  • Hoge bloeddruk (zelf gerapporteerd) naar opleidingsniveau: leeftijdscategorieën (RII)

    De RII (Relative Index of Inequality) is een odds ratio voor het verschil in het rapporteren van verhoogde bloeddruk tussen de laagst- en de hoogstopgeleiden die rekening houdt met de verdeling van mensen over de verschillende opleidingsniveaus. Een RII > 1 betekent dat het rapporteren van verhoogde bloeddruk meer voorkomt onder de laagst- dan onder de hoogstopgeleiden.

    Verschil in hoge bloeddruk tussen de hoogst- en de laagstopgeleiden in 2012

    Wie

    Gecorrigeerd voor

    RII (95% betrouwbaarheidsinterval)

    25-34 jarigen

    Geslacht

    2,30 (1,83 - 2,89)

    35-49 jarigen

    Geslacht

    3,21 (2,90 - 3,55)

    50-64 jarigen

    Geslacht

    2,17 (2,04 - 2,30)

    65-plussers

    Geslacht

    1,60 (1,54 - 1,67)

    Zie methode voor een beschrijving van de analyse.

  • Trend in zelf gerapporteerde hoge bloeddruk naar opleidingsniveau (RII trend)

    De RII Trend (Trend in Relative Index of Inequality) vergelijkt de odds ratios voor het verschil in het rapporteren van een hoge bloeddruk tussen de hoogst- en de laagstopgeleiden tussen twee momenten in de tijd (bijvoorbeeld 1990 en 2012). Deze maat houdt daarbij tevens rekening met de verdeling van mensen over de verschillende opleidingsniveaus. Een RII Trend > 1 betekent een toename in opleidingsverschillen in de betreffende periode.

    De OR Trend (Trend in Odds Ratio) is een maat voor het verschil in het rapporteren van een hoge bloeddruk tussen twee momenten in de tijd (bijvoorbeeld 1990 en 2012). Een OR Trend > 1 betekent een toename van het percentage mensen die een hoge bloeddruk rapporteren.

    Verschil in het rapporteren van hoge bloeddruk tussen de hoogst- en de laagstopgeleiden 1990-2012

    Wie

    Gecorrigeerd voor

    RII Trend 1990-2012
    (95% betrouwbaarheidsinterval)

    Gehele bevolking

    Leeftijd, geslacht

    1,01 (1,01 – 1,02)

    Zelf gerapporteerde hoge bloeddruk 1990-2012 naar opleidingsniveau

    Wie?

    Gecorrigeerd voor:

    OR Trend 1990-2012

    lager onderwijs

    Leeftijd, geslacht

    1,04 (1,04 – 1,05)

    lbo,mavo,vmbo

    Leeftijd, geslacht

    1,04 (1,03 – 1,04)

    mbo, havo,vwo

    Leeftijd, geslacht

    1,03 (1,03 – 1,04)

    hbo, universiteit

    Leeftijd, geslacht

    1,03 (1,03 – 1,04)

    Zie methode voor een beschrijving van de analyse.

  • RII: odss ratio

    Een odds ratio is de verhouding van twee ‘odds’. Een odds is de kans dat een gebeurtenis (hier gezondheidsprobleem of leefstijl) zich voordoet in groep a (p) gedeeld door de kans dat een gebeurtenis zich niet voordoet in die groep (1-p), waarbij groep a de laagstopgeleiden zijn. De odds ratio is deze verhouding binnen groep a [p/(1-p)] gedeeld door dezelfde verhouding in groep b, de hoogstopgeleiden, [q/(1-q)]. De formule voor odds ratio is OR= [p/(1-p)] / [q/(1-q)]. De odds ratio is een moeilijk te interpreteren waarde. Een odds ratio zegt niets over kansverschillen maar over odds verschillen. Een odds ratio van bijvoorbeeld 2 staat dus niet voor een twee maal zo vaak vóórkomen van een gezondheidsprobleem of leefstijl onder de laagst- dan onder de hoogstopgeleiden en kun je niet interpreteren als "twee maal zo hoog". Dat laatste kan alleen als het gezondheidsprobleem of de leefstijl weinig voorkomt (prevalentie < ongeveer 10%).