Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

BewegenRegionaal & InternationaalInternationaal

Cijfers & Context

Bijna de helft voldoet aan Beweegrichtlijnen

Regionaal & Internationaal

Nederlanders actiever dan gemiddelde EU-burger

Kosten

Preventie & Zorg

Sport en veilig bewegen zijn beleidsprioriteit

Internationale vergelijking van beweeggedrag

Internationale verschillen in beweeggedrag 2017

Hoe vaak sport/beweeg je?
HoeveelEU28Nederland
Regelmatig76
Met enige regelmaat3351
Zelden1412
Nooit4631
  • Regelmatig: minimaal 5 keer per week
  • Met enige regelmaat: 1 tot 4 keer per week
  • Zelden: 3 keer per maand of minder

 

Nederlanders sporten vaker dan gemiddeld in de EU

Van de EU-burgers beweegt en sport 40% minimaal één keer per week. Nederland zit hier met 57% ruim boven, net als andere noordelijke landen als Finland (69%), Zweden (67%) en Denemarken (63%). Een groot deel van de Europeanen (60%) is niet of nauwelijks actief. Voor Nederland is dit 43%. De Zuid-Europeanen bewegen en sporten het minst. Van de Bulgaren, Grieken en Portugezen beweegt of sport 68% nooit, van de Roemenen is dat 63% en van de Italianen 62% tegenover 46% gemiddeld in Europa (Europese Commissie, 2017). 
Nederlanders scoren het hoogst als het gaat om bewegen naast sportactiviteiten. Voorbeelden van dergelijke activiteiten zijn: fietsen, dansen en in de tuin werken. Gemiddeld besteedt 44% van de EU-burgers daar ten minste één keer per week tijd aan. Voor Nederland is dit percentage 80%. Aan de andere kant doet 35% van de Europeanen en 7% van de Nederlanders nooit aan dit soort activiteiten (Europese Commissie, 2017). 

Nederlanders vaker lid van sportclub dan EU-buurman

Nederlanders (53%), Zweden (59%) en Denen (ook 53%) zijn relatief vaak lid van een club op het gebied van sport of recreatieve lichamelijke activiteit zoals sportclubs of fitnesscentra. Gemiddeld is 30% van de EU-burgers lid van zo'n club. Daarbij zijn Nederlanders het vaakst lid van een sportclub (27%) gevolgd door Denen en Duitsers (beide 23%). Zweden (41%) zijn het vaakst lid van een gezondheids- of fitnesscentrum. Daarna volgen de Denen met 24% en de Nederlanders met 22% (Europese Commissie, 2017).

Meer informatie

Experts en redactie

Datum publicatie

07-11-2018

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Europese Commissie. Sport and physical activity. Special Eurobarometer 472 – Wave EB88.4 – TNS opinion & social. Brussel: Europese Commissie; 2017. Bron

Internationale vergelijking van beweeggedrag jongeren

Percentage dat minimaal één uur per dag beweegt of sport 2018

15-jarigen
JongensMeisjes
Bulgarije2317
Slowakije2412
NEDERLAND2114
Slovenië2411
Kroatië2113
Finland2212
Letland2014
Spanje249
België (Vlaanderen)2210
Ierland2011
HBSC-gemiddelde1911
Oostenrijk1910
Hongarije1811
Litouwen1712
Tsjechië1710
Estland1611
Polen189
België (Wallonië)179
Griekenland179
Schotland1610
Luxemburg176
Roemenië167
Zwitserland158
Wales167
Engeland157
Noorwegen139
Zweden139
Denemarken137
Duitsland137
Malta155
Portugal125
Frankrijk114
Italië74
  • Volgorde op basis van totaal (jongens en meisjes samen)
  • Figuur presenteert EU-landen, Noorwegen en Zwitserland
  • HBSC-gemiddelde: het gemiddelde van alle landen die deelnemen aan de HBSC-studie

Nederlandse 15-jarigen bewegen meer dan in andere Europese landen

Nederlandse jongeren van 15 jaar bewegen meer dan veel andere jongeren in Europa. Dit blijkt uit de internationale Health Behaviour in School-Aged Children study (HBSC-studie). In Bulgarije en Slowakije bewegen 15-jarigen ook relatief veel. In Italië en Frankrijk beweegt slechts 4% van de 15-jarige meisjes minimaal een uur (Inchley et al., 2020).

Nederlandse jongeren van 11 en 13 jaar bewegen minder dan gemiddeld

Het percentage 15-jarigen dat minimaal een uur (intensief) beweegt is hoger dan het HBSC-gemiddelde, maar 11- en 13-jarigen in Nederland scoren juist lager dan gemiddeld (zie tabel). Voor alle onderzochte landen en in alle leeftijdsgroepen geldt dat meer jongens dan meisjes lichamelijk actief zijn. Bij de 11- en 13-jarigen in Frankrijk en Italië ligt dit percentage onder de 10% (Inchley et al., 2020).

Percentage jongeren van 11, 13 en 15 jaar dat minimaal één uur per dag (intensief) beweegt

 

Nederland

HBSC-gemiddelde

 

Jongens

Meisjes

Jongens

Meisjes

11 jaar

23

17

27

21

13 jaar

19

13

23

15

15 jaar

21

14

19

11


Meer informatie

Experts en redactie

Datum publicatie

12-08-2020

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. HBSC, Health Behaviour in School-Aged Children. zorggegevens.nl

Literatuur

  1. Inchley J, Currie D, Budisavljevic S, Torsheim T, Jåstad A, Cosma A, et al. Spotlight on adolescent health and well-being. Findings from the 2017/2018 Health Behaviour in School-aged Children (HBSC) survey in Europe and Canada. Copenhagen: World Health Organization (WHO); 2020. Bron

Internationale vergelijking van zitgedrag

Internationale verschillen in zitgedrag 2017

Hoeveel tijd zit je op een gewone dag?
EU28Nederland
2u30min of minder163
2u31min tot 5u30min4030
5u31min tot 8u30min2935
8u31min of meer1232
Weet ik niet30

Inclusief zitten achter een bureau, op bezoek gaan, studeren en tv-kijken.

Nederlanders zijn ook kampioen langdurig zitten

Gemiddeld zit 12% van de EU-burgers langer dan acht en een half uur op een gemiddelde dag. Nederlanders zitten daar ver boven met 32%, op ruime afstand gevolgd door de Denen met 23%. Het is opvallend dat in de landen waar men lang zit, men ook vaker op regelmatige basis beweegt of sport. Dit is te zien in Nederland, Denemarken en Zweden (Europese Commissie, 2017).

Meer informatie

Experts en redactie

Datum publicatie

07-11-2018

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Europese Commissie. Sport and physical activity. Special Eurobarometer 472 – Wave EB88.4 – TNS opinion & social. Brussel: Europese Commissie; 2017. Bron

Internationale vergelijking van zitgedrag jongeren

Nederlandse kinderen zitten relatief vaak voor tv of computer

Nederlandse kinderen kijken relatief veel tv: 61% van de 11-jarigen, 71% van de 13-jarigen en 74% van de 15-jarigen kijkt minstens twee uur per dag televisie. Gemiddeld liggen deze percentages lager in Health Behaviour in School-Aged Children-landen: 50%, 62% en 63% (Inchley et al., 2016). Jongeren zijn het afgelopen decennium minder tv gaan kijken, maar deze afname is meer dan gecompenseerd met de tijd die met andere schermen (zoals smartphone, tablet of computers) wordt doorgebracht. Ook op de vraag hoe vaak jongeren computeren en/of computerspelletjes spelen scoren Nederlandse jongeren hoog. Over het algemeen geldt dat voor het spelen van computerspellen de percentages hoger liggen onder jongens dan onder meisjes. Meisjes gebruiken de computer vaker voor email, internet of huiswerk (Inchley et al., 2016).

Meer informatie

Datum publicatie

07-11-2018

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. Health Behaviour in School-Aged Children, HBSC. zorggegevens.nl

Literatuur

  1. Inchley J, Currie D, Young T, Samdal O, Torsheim T, Augustson L, et al. Growing up unequal: gender and socioeconomic differences in young people’s health and well-being. Denemarken: World Health Organization; 2016. Bron

Verantwoording

Definities
  • Normen en adviezen voor sport en bewegen

    Definitie Beweegrichtlijnen

    De Gezondheidsraad publiceerde in augustus 2017 het adviesrapport ‘Beweegrichtlijnen 2017’. In november 2017 zijn de beweegrichtlijnen die in dit rapport zijn onderbouwd aangenomen door de Minister van Volksgezondheid Welzijn en Zorg.

    De beweegrichtlijnen zijn als volgt gedefinieerd:

    Volwassenen en ouderen

    • Bewegen is goed, meer bewegen is beter
    • Doe minstens 150 minuten per week aan matig intensieve inspanning, zoals wandelen en fietsen, verspreid over diverse dagen. Langer, vaker en/of intensiever bewegen geeft extra gezondheidsvoordeel
    • Doe minstens tweemaal per week spier- en botversterkende activiteiten, voor ouderen gecombineerd met balansoefeningen.
    • En: voorkom veel stilzitten

    Kinderen van 4 tot 18 jaar

    • Bewegen is goed, meer bewegen is beter
    • Doe minstens elke dag een uur matig intensieve inspanning. Langer, vaker en/of intensiever bewegen geeft extra gezondheidsvoordeel
    • Doe minstens driemaal per week spier- en botversterkende activiteiten​

    De Gezondheidsraad hanteert de volgende onderliggende definities in haar adviesrapport.

    Beweging kent verschillende vormen.

    • Bewegen (ook wel lichamelijke activiteit) is gedefinieerd als elke lichaamsbeweging door skeletspieren die resulteert in energieverbruik. In de context van de beweegrichtlijnen gaat het hierbij om activiteiten waarbij een of meer grote spiergroepen betrokken zijn. De meeste vormen van lichamelijke activiteit bestaan zowel uit een duur- als een krachtcomponent.
    • Balansoefeningen zijn statische en dynamische oefeningen gericht op het verbeteren van balans terwijl iemand staat of beweegt, zoals op een been staan of een voorwerp van de grond oprapen.
    • Botversterkende activiteiten bestaan uit krachttraining en activiteiten waarbij het lichaam met het eigen gewicht wordt belast, zoals springen, traplopen, wandelen, hardlopen en dansen.
    • Duurtraining omvat activiteiten gericht op het uithoudingsvermogen. Hierbij zijn gewoonlijk grote spiergroepen betrokken en wordt op een snelheid bewogen die langer dan een paar minuten vol te houden is. Voorbelleden zijn wandelen, zwemmen, fietsen en dansen.
    • Krachttraining: zie spierversterkende activiteiten. Voorbeelden zijn oefeningen waarbij lichaamsgewicht, losse gewichten (halters) of machines als weerstand worden gebruikt.
    • Spierversterkende activiteiten (krachttraining of de combinatie van kracht- en duuractiviteiten) omvatten activiteiten om kracht, vermogen, uithoudingsvermogen en omvang van de skeletspieren te verbeteren. Voorbeelden zijn krachttrainingsoefeningen met eigen lichaamsgewicht en duuractiviteiten als fietsen.

    De hoeveelheid bewegen wordt bepaald door de intensiteit, frequentie en duur/volume.

    • Metabole equivalent (MET) is een meeteenheid om de intensiteit van lichamelijke activiteit te definiëren, in veelvouden van de benodigde energie in rust. Eén MET is het energieverbruik in rust.
    • Absolute intensiteit is ingedeeld in licht, matig en zwaar.
      1. Lichte lichamelijke activiteit bestaat uit activiteiten waarbij iemand rechtop staat of licht beweegt. Voorbeleden zijn koken, boodschappen doen, darten. Het energieverbruik varieert van 1,6 tot en met 2,9 MET.
      2. Matige lichamelijke activiteit betreft activiteiten op een intensiteit die wat moeite kost, maar waarbij praten mogelijk blijft. Voorbeelden zijn wandelen, fietsen en rustig zwemmen. Het energieverbruik varieert van 3,0 MET t/m 5,9 MET.
      3. Zwaar intensieve activiteit leidt ertoe dat iemand zwaarder gaat ademen of gaat puffen en hijgen, afhankelijk van hoe fit iemand is. Voorbeelden zijn aerobics, hardlopen, wielrennen en bepaalde competitieve sporten. Het energieverbruik is 6 MET of meer.

    Duur betreft de tijd dat een lichamelijke activiteit per sessie wordt volgehouden (aantal minuten zitten of wandelen) of de totale tijd waarin de lichamelijke activiteit wordt uitgevoerd (bijvoorbeeld aantal minuten zitten of wandelen per week).

    Frequentie betreft het aantal keer per tijdseenheid dat een bepaalde lichamelijke activiteit wordt uitgevoerd, veelal uitgedrukt in keren per dag of per week.

    Volume (per training) betreft het aantal oefeningen, sets en herhalingen binnen een set per training.

    Zitten (ook wel sedentair gedrag) omvat zittende en (half)liggende activiteiten, waarbij weinig energie wordt verbruikt (≤1,5 metabole equivalenten (MET), met uitzondering van slapen. Voorbeelden zijn tv-kijken, lezen, naaien, op de computer werken, zittend gamen of zitten tijdens transport.

Bronverantwoording
  • Aanvragen data voor wetenschappelijk onderzoek

    De Gezondheidsmonitor (doelgroep Volwassenen en Ouderen) is voor het eerst uitgevoerd in 2012. De Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012 en de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 bevatten informatie over de gezondheid, sociale situatie en leefstijl van de Nederlandse bevolking van negentien jaar en ouder. De Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012 en de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 zijn uitgevoerd door de GGD’en, CBS en RIVM. In 2012 en 2016 deden respectievelijk ruim 387.000 personen en 457.000 personen mee aan het grootschalige vragenlijstonderzoek. De Gezondheidsmonitor Jeugd 2015 bevat informatie over de gezondheid, sociale situatie en leefstijl van leerlingen in klas 2 en klas 4 van het voortgezet onderwijs. De Gezondheidsmonitor Jeugd is uitgevoerd door de GGD’en en RIVM. In totaal hebben bijna 97.000 leerlingen en 377 scholen deelgenomen aan deze monitor.

    Meer informatie over de Gezondheidsmonitors vind u hier. Bij het digitale loket Gezondheidsmonitors kunt u data of cijfers aanvragen uit de Gezondheidsmonitors voor onderzoek en beleid op zowel lokaal als landelijk niveau. Momenteel zijn de data en cijfers beschikbaar uit de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2012, Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 en uit de Gezondheidsmonitor Jeugd 2015. Heeft u vragen of wilt u graag meer informatie over de aanvraag van cijfers of data uit de Gezondheidsmonitors? Stuur dan een e-mail.

  • Tabel: Bronnen bij de cijfers over bewegen

    Bron

    Indicator in VZinfo

    Gepresenteerde populatie VZinfo

    Meer informatie

     

    Leefstijlmonitor (LSM)/Gezondheidsenquête, voorheen POLS, gezondheid en welzijn

    Voldoen aan Beweegrichtlijnen

    Nederlandse bevolking vanaf 4 jaar 

    LSMGezondheidsenquêtePOLS, gezondheid en welzijn

    Gezondheidsmonitor Volwassenen GGD-en, CBS en RIVM

    Voldoen aan Beweegrichtlijnen

    Nederlandse bevolking vanaf 19 jaar

    Gezondheidsmonitor GGD'en, CBS en RIVM

    Gezondheidsmonitor Jeugd 2019 GGD'en en RIVM Wekelijks sporten Nederlandse scholieren in klas 2 en 4 Gezondheidsmonitor Jeugd op Zorggegevens, Website Gezondheidsmonitors

    Eurobarometer

    Frequentie van sporten/bewegen; uren zitten per dag

    Europese bevolking

    Eurobarometer Sport and physical activity

    Health Behaviour in School-Aged Children (HBSC) Study

    Minimaal 1 uur per dag sporten/bewegen, uren schermgebruik per dag

    Europese scholieren van 11, 13 en 15 jaar

    HBSC InternationaalInchley et al., 2016

     

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Inchley J, Currie D, Young T, Samdal O, Torsheim T, Augustson L, et al. Growing up unequal: gender and socioeconomic differences in young people’s health and well-being. Denemarken: World Health Organization; 2016. Bron
Methoden
  • Regionale verschillen: verschil in wijkcijfers

    Verschillende GGD’en hebben voor de Gezondheidsmonitor 2016 de steekproef opgehoogd om voldoende respondenten te hebben om cijfers op wijkniveau te kunnen presenteren. Omdat deze cijfers op een andere manier zijn berekend, kunnen ze afwijken van de cijfers die hier worden gepresenteerd. Niet alleen het onderliggende model is anders, ook het aantal achtergrondkenmerken dat wordt gebruikt verschilt; bij de RIVM schattingen wordt meer informatie over de bevolking gebruikt. Over het algemeen leiden de RIVM schattingen tot kleinere verschillen tussen gebieden dan de cijfers die verkregen zijn door middel van weegmethoden.

    Hieronder vindt u een lijstje van GGD'en met eigen wijkcijfers:

  • Regionale verschillen: Schattingen per wijk

    Aanleiding
    Vanwege de decentralisaties in het sociaal domein is steeds meer informatie nodig over gezondheid gerelateerde indicatoren op kleinere geografische niveaus. Daarom heeft het RIVM een model ontwikkeld om cijfers te kunnen berekenen op wijk- en buurtniveau op basis van de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen van GGD’en, CBS en RIVM. Ondanks dat de Gezondheidsmonitor een enorm databestand is, bevat het onvoldoende respondenten om met behulp van weegmethoden cijfers te berekenen voor alle wijken en buurten in Nederland. In 2012 zijn de eerste wijk- en buurtcijfers gepresenteerd. Op basis van de Gezondheidsmonitor 2016 zijn nieuwe cijfers berekend.

    Methode
    In het kader van de Gezondheidsmonitor zijn via vragenlijsten gegevens over gezondheid en leefstijl verzameld over volwassenen van 19 jaar en ouder. De ruim 457.000 deelnemers aan de Gezondheidsmonitor zijn anoniem in een beveiligde omgeving gekoppeld aan registratiebestanden van het CBS. Deze bestanden bevatten informatie over een reeks achtergrondkenmerken, zoals leeftijd, geslacht, herkomst, huishoudsamenstelling, opleidingsniveau, inkomen en woningtype. Er is een statistisch model gebruikt om de gezondheid en leefstijl te relateren aan deze achtergrondkenmerken. Ook wordt informatie uit de naastgelegen gebieden meegenomen. Door middel van deze relatie is het daarna mogelijk om voor alle volwassenen hun verwachte gezondheid en leefstijl te berekenen. De uitkomsten worden vervolgens gemiddeld over de betreffende wijk of buurt.

    Schattingen
    De cijfers op wijk- en buurtniveau moeten met voorzichtigheid worden gebruikt. Met het model wordt de werkelijkheid zo goed mogelijk benaderd, maar de cijfers blijven schattingen van de werkelijkheid. Daarom worden de uitkomsten ook als hele cijfers (dus zonder decimalen) gepresenteerd. 
    De cijfers uit de Gezondheidsmonitor die zijn verkregen met behulp van weegmethoden zijn echter ook een benadering van de werkelijkheid. De weging is nodig vanwege o.a. selectieve non-respons. Net zoals bij de berekeningen van de wijk- en buurtcijfers zijn de weegfactoren van het CBS ook gebaseerd op achtergrondkenmerken van de respondenten. 

    Verschil tussen cijfers
    Verschillende GGD’en hebben voor de Gezondheidsmonitor 2016 de steekproef opgehoogd om voldoende respondenten te hebben om cijfers op wijkniveau te kunnen presenteren. Omdat deze cijfers op een andere manier zijn berekend, kunnen ze afwijken van de cijfers die hier worden gepresenteerd. Niet alleen het onderliggende model is anders, ook het aantal achtergrondkenmerken dat wordt gebruikt verschilt; bij de RIVM schattingen wordt meer informatie over de bevolking gebruikt. Over het algemeen leiden de RIVM schattingen tot kleinere verschillen tussen gebieden dan de cijfers die verkregen zijn door middel van weegmethoden. 

    Let op: de gepresenteerde gemeentecijfers zijn berekend via de weegmethode van het CBS. De gepresenteerde wijk- en buurtcijfers zijn daardoor niet direct vergelijkbaar met deze gemeentecijfers.

    Grote aantallen nodig

    Voor het doen van dit soort schattingen zijn grote aantallen respondenten nodig. Het is dus niet zo dat het ontwikkelde model de Gezondheidsmonitors kan vervangen. Hoe meer respondenten er zijn, hoe minder er geschat hoeft te worden en hoe beter de cijfers zijn.

    Samenwerking
    De cijfers zijn berekend in het kader van het Strategisch Programma RIVM (SPR), een programma voor onderzoek, innovatie en kennisontwikkeling. Een werkgroep van epidemiologen van GGD’en en GGD GHOR NL is er bij betrokken. 

    Meer weten?
    Een uitgebreide toelichting op de gebruikte methode is beschreven in een artikel (van de Kassteele et al., 2017). Voor de cijfers van 2016 zijn enkele aanpassingen gedaan aan het model.

    Voor vragen kunt u contact opnemen met carolien.van.den.brink@rivm.nl.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. van de Kassteele J, Zwakhals L, Breugelmans O, Ameling C, van den Brink C. Estimating the prevalence of 26 health-related indicators at neighbourhood level in the Netherlands using structured additive regression. International Journal of Health Geographics. 2017;(1). Bron | DOI
  • Berekening Voldoen aan Beweegrichtlijnen

    Of aan de Beweegrichtlijnen wordt voldaan is vastgesteld met behulp van de SQUASH-vragenlijst waarin het gebruikelijke sport- en beweeggedrag van personen wordt nagevraagd. Deze vragenlijst is onderdeel van de Leefstijlmonitor (zie ‘bronverantwoording’)  

    In deze vragenlijst wordt gevraagd om voor een normale week in de afgelopen maanden aan te geven hoeveel dagen per week een bepaalde activiteit is verricht en hoeveel tijd (uren en minuten) men daar gemiddeld op zo’n dag mee bezig is geweest. De volgende activiteiten worden bevraagd:

    1. Lopen naar werk en/of school (4 jaar en ouder)
    2. Fietsen naar werk en/of school (4 jaar en ouder)
    3. Lichamelijke activiteit op werk (alleen 12 jaar en ouder)
    4. Lichamelijke activeit op school: buitenspelen, schoolgym en schoolzwemmen (alleen 4-12 jaar)
    5. Huishoudelijke activiteiten (alleen 12 jaar en ouder)
    6. Sporten* in de vrije tijd 4 jaar en ouder)
    7. Wandelen in de vrije tijd (4 jaar en ouder)
    8. Fietsen in de vrije tijd (4 jaar en ouder)
    9. Klussen in de vrije tijd (alleen 12 jaar en ouder)
    10. Tuinieren in de vrije tijd (alleen 12 jaar en ouder)
    11. Buitenspelen in de vrije tijd (alleen 4-12 jaar)
    12. Zwemles (alleen 4-12 jaar)

    *Bij sport kan een respondent maximaal vier sporttakken opgeven. Per sporttak wordt vervolgens gevraagd naar de tijd (dagen per week, uren en minuten per dag) die men daaraan doorgaans besteedt.

  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.