Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

BewegenCijfers & ContextGevolgen

Cijfers & Context

Bijna de helft voldoet aan Beweegrichtlijnen

Regionaal & Internationaal

Nederlanders actiever dan gemiddelde EU-burger

Kosten

Preventie & Zorg

Sport en veilig bewegen zijn beleidsprioriteit

Positieve gezondheidseffecten van bewegen

Positieve effecten op gezondheid

Verlaagt direct het risico op de volgende ziekten en aandoeningen Verlaagt indirect (via determinanten) het risico op ziekten en aandoeningen
Beroerte Bloeddruk
Borstkanker Botdichtheid
Coronaire hartziekten, o.a. acuut myocard infarct Cognitief functioneren
Depressie Glucose-intolerantie en insulinegevoeligheid
Diabetes mellitus type 2 Overgewicht en vetpercentage
Dikkedarmkanker Ratio HDL/LDL-cholesterol
Osteoporose Triglyceridengehalte
Valincidenten bij ouderen  

 

Lichamelijke activiteit beschermt tegen tal van ziekten

Regelmatig bewegen heeft verschillende gezondheidsvoordelen. Zo kan bewegen het risico op hart- en vaatziekten, diabetes type 2, een beroerte, depressies, borst- en darmkanker en vroegtijdig overlijden verlagen (PAGAC, 2018; Gezondheidsraad, 2017). Ook kan regelmatig bewegen de kwaliteit van slaap verbeteren en het risico op gewichtstoename verlagen. Voor ouderen verlaagt bewegen daarnaast het risico op botbreuken, lichamelijke beperkingen, cognitieve achteruitgang en dementie (PAGAC, 2018; Gezondheidsraad, 2017). Matig intensieve lichamelijke activiteit, zoals fietsen of stevig wandelen, heeft al een gunstig effect op de gezondheid. Zwaar intensieve lichamelijke activiteit, zoals hardlopen, voetballen en tennis, bevordert bovendien de conditie van hart en longen, ofwel de cardiorespiratoire fitheid. Een nadeel van bewegen is het risico op blessures, maar de voordelen wegen op tegen de nadelen (PAGAC, 2018). 

Verband tussen bewegen en gezondheid

De Gezondheidsraad adviseert in de huidige Beweegrichtlijnen minstens 150 minuten per week verdeeld over diverse dagen aan matig intensieve inspanning, zoals wandelen en fietsen. Mensen die langer, vaker en/of intensiever bewegen, kunnen extra gezondheidswinst behalen. Veel studies wijzen echter wel in de richting van een curve-lineair verband. Dit wil zeggen dat de gezondheidswinst met een lange duur van lichamelijke activiteit afvlakt (PAGAC, 2018).

Voldoende bewegen gunstig voor mensen met chronische aandoening

Voldoende bewegen verkleint het risico op het ontwikkelen van een chronische aandoening. Voor mensen die al een chronische aandoening hebben, neemt het risico op het krijgen van nog een chronische aandoening (multimorbiditeit) of op het verergeren van hun huidige ziekte af. Ook kan bewegen de kwaliteit van leven en fysieke functies verbeteren. Dit geldt voor bijvoorbeeld aandoeningen als artrosecoronaire hartziekten, en diabetes mellitus type 2 (PAGAC, 2018). 

Meer informatie

Datum publicatie

13-06-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. PAGAC. Physical Activity Guidelines Advisory Committee Scientific Report. Washington, DC: U.S. Department of Health and Human Services; 2018. Bron
  2. Gezondheidsraad. Beweegrichtlijnen 2017. Den Haag: Gezondheidsraad; 2017. Bron

Ziektelast en sterfte

Ziektelast en sterfte

De bijdrage van te weinig bewegen aan de totale ziektelast (uitgedrukt in DALY's) ligt in Nederland op 2,3%. Dit is lager dan de bijdrage van roken en overgewicht. Dit percentage is berekend op basis van de VTV-selectie van ziekten. Jaarlijks overlijden bijna 6000 mensen als gevolg van aandoeningen gerelateerd aan te weinig bewegen (VTV-2018).

Meer informatie

Experts en redactie

Zitgedrag en gezondheid

Negatieve gevolgen van veel zitten

Veel zitten hangt samen met een hoger risico op hart- en vaatziekten, diabetes type 2 en vroegtijdige sterfte. Dit verband is sterker naarmate mensen minder bewegen en is daarentegen bijna niet aanwezig bij mensen die zeer actief zijn en meer dan de Beweegrichtlijnen bewegen (PAGAC, 2018Gezondheidsraad, 2017). De wetenschappelijke onderbouwing voor de causaliteit wordt niet door elk onderzoek bevestigd, maar er is wel consensus over dat te veel zitten negatieve gezondheidseffecten kan hebben. De Gezondheidsraad adviseert daarom om veel stilzitten te beperken (Gezondheidsraad, 2017). 

Meer informatie

Datum publicatie

13-06-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. PAGAC. Physical Activity Guidelines Advisory Committee Scientific Report. Washington, DC: U.S. Department of Health and Human Services; 2018. Bron
  2. Gezondheidsraad. Beweegrichtlijnen 2017. Den Haag: Gezondheidsraad; 2017. Bron

Verantwoording

Definities
  • Normen en adviezen voor sport en bewegen

    Definitie Beweegrichtlijnen

    De Gezondheidsraad publiceerde in augustus 2017 het adviesrapport ‘Beweegrichtlijnen 2017’. In november 2017 zijn de beweegrichtlijnen die in dit rapport zijn onderbouwd aangenomen door de Minister van Volksgezondheid Welzijn en Zorg.

    De beweegrichtlijnen zijn als volgt gedefinieerd:

    Volwassenen en ouderen

    • Bewegen is goed, meer bewegen is beter
    • Doe minstens 150 minuten per week aan matig intensieve inspanning, zoals wandelen en fietsen, verspreid over diverse dagen. Langer, vaker en/of intensiever bewegen geeft extra gezondheidsvoordeel
    • Doe minstens tweemaal per week spier- en botversterkende activiteiten, voor ouderen gecombineerd met balansoefeningen.
    • En: voorkom veel stilzitten

    Kinderen van 4 tot 18 jaar

    • Bewegen is goed, meer bewegen is beter
    • Doe minstens elke dag een uur matig intensieve inspanning. Langer, vaker en/of intensiever bewegen geeft extra gezondheidsvoordeel
    • Doe minstens driemaal per week spier- en botversterkende activiteiten​

    De Gezondheidsraad hanteert de volgende onderliggende definities in haar adviesrapport.

    Beweging kent verschillende vormen.

    • Bewegen (ook wel lichamelijke activiteit) is gedefinieerd als elke lichaamsbeweging door skeletspieren die resulteert in energieverbruik. In de context van de beweegrichtlijnen gaat het hierbij om activiteiten waarbij een of meer grote spiergroepen betrokken zijn. De meeste vormen van lichamelijke activiteit bestaan zowel uit een duur- als een krachtcomponent.
    • Balansoefeningen zijn statische en dynamische oefeningen gericht op het verbeteren van balans terwijl iemand staat of beweegt, zoals op een been staan of een voorwerp van de grond oprapen.
    • Botversterkende activiteiten bestaan uit krachttraining en activiteiten waarbij het lichaam met het eigen gewicht wordt belast, zoals springen, traplopen, wandelen, hardlopen en dansen.
    • Duurtraining omvat activiteiten gericht op het uithoudingsvermogen. Hierbij zijn gewoonlijk grote spiergroepen betrokken en wordt op een snelheid bewogen die langer dan een paar minuten vol te houden is. Voorbelleden zijn wandelen, zwemmen, fietsen en dansen.
    • Krachttraining: zie spierversterkende activiteiten. Voorbeelden zijn oefeningen waarbij lichaamsgewicht, losse gewichten (halters) of machines als weerstand worden gebruikt.
    • Spierversterkende activiteiten (krachttraining of de combinatie van kracht- en duuractiviteiten) omvatten activiteiten om kracht, vermogen, uithoudingsvermogen en omvang van de skeletspieren te verbeteren. Voorbeelden zijn krachttrainingsoefeningen met eigen lichaamsgewicht en duuractiviteiten als fietsen.

    De hoeveelheid bewegen wordt bepaald door de intensiteit, frequentie en duur/volume.

    • Metabole equivalent (MET) is een meeteenheid om de intensiteit van lichamelijke activiteit te definiëren, in veelvouden van de benodigde energie in rust. Eén MET is het energieverbruik in rust.
    • Absolute intensiteit is ingedeeld in licht, matig en zwaar.
      1. Lichte lichamelijke activiteit bestaat uit activiteiten waarbij iemand rechtop staat of licht beweegt. Voorbeleden zijn koken, boodschappen doen, darten. Het energieverbruik varieert van 1,6 tot en met 2,9 MET.
      2. Matige lichamelijke activiteit betreft activiteiten op een intensiteit die wat moeite kost, maar waarbij praten mogelijk blijft. Voorbeelden zijn wandelen, fietsen en rustig zwemmen. Het energieverbruik varieert van 3,0 MET t/m 5,9 MET.
      3. Zwaar intensieve activiteit leidt ertoe dat iemand zwaarder gaat ademen of gaat puffen en hijgen, afhankelijk van hoe fit iemand is. Voorbeelden zijn aerobics, hardlopen, wielrennen en bepaalde competitieve sporten. Het energieverbruik is 6 MET of meer.

    Duur betreft de tijd dat een lichamelijke activiteit per sessie wordt volgehouden (aantal minuten zitten of wandelen) of de totale tijd waarin de lichamelijke activiteit wordt uitgevoerd (bijvoorbeeld aantal minuten zitten of wandelen per week).

    Frequentie betreft het aantal keer per tijdseenheid dat een bepaalde lichamelijke activiteit wordt uitgevoerd, veelal uitgedrukt in keren per dag of per week.

    Volume (per training) betreft het aantal oefeningen, sets en herhalingen binnen een set per training.

    Zitten (ook wel sedentair gedrag) omvat zittende en (half)liggende activiteiten, waarbij weinig energie wordt verbruikt (≤1,5 metabole equivalenten (MET), met uitzondering van slapen. Voorbeelden zijn tv-kijken, lezen, naaien, op de computer werken, zittend gamen of zitten tijdens transport.

Bronverantwoording
  • Aanvragen data voor wetenschappelijk onderzoek

    De Gezondheidsmonitor (doelgroep Volwassenen en Ouderen) is voor het eerst uitgevoerd in 2012. De Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012 en de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 bevatten informatie over de gezondheid, sociale situatie en leefstijl van de Nederlandse bevolking van negentien jaar en ouder. De Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012 en de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 zijn uitgevoerd door de GGD’en, CBS en RIVM. In 2012 en 2016 deden respectievelijk ruim 387.000 personen en 457.000 personen mee aan het grootschalige vragenlijstonderzoek. De Gezondheidsmonitor Jeugd 2015 bevat informatie over de gezondheid, sociale situatie en leefstijl van leerlingen in klas 2 en klas 4 van het voortgezet onderwijs. De Gezondheidsmonitor Jeugd is uitgevoerd door de GGD’en en RIVM. In totaal hebben bijna 97.000 leerlingen en 377 scholen deelgenomen aan deze monitor.

    Meer informatie over de Gezondheidsmonitors vind u hier. Bij het digitale loket Gezondheidsmonitors kunt u data of cijfers aanvragen uit de Gezondheidsmonitors voor onderzoek en beleid op zowel lokaal als landelijk niveau. Momenteel zijn de data en cijfers beschikbaar uit de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2012, Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 en uit de Gezondheidsmonitor Jeugd 2015. Heeft u vragen of wilt u graag meer informatie over de aanvraag van cijfers of data uit de Gezondheidsmonitors? Stuur dan een e-mail.

  • Tabel: Bronnen bij de cijfers over bewegen

    Bron

    Indicator in VZinfo

    Gepresenteerde populatie VZinfo

    Meer informatie

     

    Leefstijlmonitor (LSM)/Gezondheidsenquête, voorheen POLS, gezondheid en welzijn

    Voldoen aan Beweegrichtlijnen

    Nederlandse bevolking vanaf 4 jaar 

    LSMGezondheidsenquêtePOLS, gezondheid en welzijn

    Gezondheidsmonitor Volwassenen GGD-en, CBS en RIVM

    Voldoen aan Beweegrichtlijnen

    Nederlandse bevolking vanaf 19 jaar

    Gezondheidsmonitor GGD'en, CBS en RIVM

    Eurobarometer

    Frequentie van sporten/bewegen; uren zitten per dag

    Europese bevolking

    Eurobarometer Sport and physical activity

    Health Behaviour in School-Aged Children (HBSC) Study

    Minimaal 1 uur per dag sporten/bewegen, uren schermgebruik per dag

    Europese scholieren van 11, 13 en 15 jaar

    HBSC InternationaalInchley et al., 2016

     

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Inchley J, Currie D, Young T, Samdal O, Torsheim T, Augustson L, et al. Growing up unequal: gender and socioeconomic differences in young people’s health and well-being. Denemarken: World Health Organization; 2016. Bron
Methoden
  • Regionale verschillen: verschil in wijkcijfers

    Verschillende GGD’en hebben voor de Gezondheidsmonitor 2016 de steekproef opgehoogd om voldoende respondenten te hebben om cijfers op wijkniveau te kunnen presenteren. Omdat deze cijfers op een andere manier zijn berekend, kunnen ze afwijken van de cijfers die hier worden gepresenteerd. Niet alleen het onderliggende model is anders, ook het aantal achtergrondkenmerken dat wordt gebruikt verschilt; bij de RIVM schattingen wordt meer informatie over de bevolking gebruikt. Over het algemeen leiden de RIVM schattingen tot kleinere verschillen tussen gebieden dan de cijfers die verkregen zijn door middel van weegmethoden.

    Hieronder vindt u een lijstje van GGD'en met eigen wijkcijfers:

  • Regionale verschillen: Schattingen per wijk

    Aanleiding
    Vanwege de decentralisaties in het sociaal domein is steeds meer informatie nodig over gezondheid gerelateerde indicatoren op kleinere geografische niveaus. Daarom heeft het RIVM een model ontwikkeld om cijfers te kunnen berekenen op wijk- en buurtniveau op basis van de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen van GGD’en, CBS en RIVM. Ondanks dat de Gezondheidsmonitor een enorm databestand is, bevat het onvoldoende respondenten om met behulp van weegmethoden cijfers te berekenen voor alle wijken en buurten in Nederland. In 2012 zijn de eerste wijk- en buurtcijfers gepresenteerd. Op basis van de Gezondheidsmonitor 2016 zijn nieuwe cijfers berekend.

    Methode
    In het kader van de Gezondheidsmonitor zijn via vragenlijsten gegevens over gezondheid en leefstijl verzameld over volwassenen van 19 jaar en ouder. De ruim 457.000 deelnemers aan de Gezondheidsmonitor zijn anoniem in een beveiligde omgeving gekoppeld aan registratiebestanden van het CBS. Deze bestanden bevatten informatie over een reeks achtergrondkenmerken, zoals leeftijd, geslacht, herkomst, huishoudsamenstelling, opleidingsniveau, inkomen en woningtype. Er is een statistisch model gebruikt om de gezondheid en leefstijl te relateren aan deze achtergrondkenmerken. Ook wordt informatie uit de naastgelegen gebieden meegenomen. Door middel van deze relatie is het daarna mogelijk om voor alle volwassenen hun verwachte gezondheid en leefstijl te berekenen. De uitkomsten worden vervolgens gemiddeld over de betreffende wijk of buurt.

    Schattingen
    De cijfers op wijk- en buurtniveau moeten met voorzichtigheid worden gebruikt. Met het model wordt de werkelijkheid zo goed mogelijk benaderd, maar de cijfers blijven schattingen van de werkelijkheid. Daarom worden de uitkomsten ook als hele cijfers (dus zonder decimalen) gepresenteerd. 
    De cijfers uit de Gezondheidsmonitor die zijn verkregen met behulp van weegmethoden zijn echter ook een benadering van de werkelijkheid. De weging is nodig vanwege o.a. selectieve non-respons. Net zoals bij de berekeningen van de wijk- en buurtcijfers zijn de weegfactoren van het CBS ook gebaseerd op achtergrondkenmerken van de respondenten. 

    Verschil tussen cijfers
    Verschillende GGD’en hebben voor de Gezondheidsmonitor 2016 de steekproef opgehoogd om voldoende respondenten te hebben om cijfers op wijkniveau te kunnen presenteren. Omdat deze cijfers op een andere manier zijn berekend, kunnen ze afwijken van de cijfers die hier worden gepresenteerd. Niet alleen het onderliggende model is anders, ook het aantal achtergrondkenmerken dat wordt gebruikt verschilt; bij de RIVM schattingen wordt meer informatie over de bevolking gebruikt. Over het algemeen leiden de RIVM schattingen tot kleinere verschillen tussen gebieden dan de cijfers die verkregen zijn door middel van weegmethoden. 

    Let op: de gepresenteerde gemeentecijfers zijn berekend via de weegmethode van het CBS. De gepresenteerde wijk- en buurtcijfers zijn daardoor niet direct vergelijkbaar met deze gemeentecijfers.

    Grote aantallen nodig

    Voor het doen van dit soort schattingen zijn grote aantallen respondenten nodig. Het is dus niet zo dat het ontwikkelde model de Gezondheidsmonitors kan vervangen. Hoe meer respondenten er zijn, hoe minder er geschat hoeft te worden en hoe beter de cijfers zijn.

    Samenwerking
    De cijfers zijn berekend in het kader van het Strategisch Programma RIVM (SPR), een programma voor onderzoek, innovatie en kennisontwikkeling. Een werkgroep van epidemiologen van GGD’en en GGD GHOR NL is er bij betrokken. 

    Meer weten?
    Een uitgebreide toelichting op de gebruikte methode is beschreven in een artikel (van de Kassteele et al., 2017). Voor de cijfers van 2016 zijn enkele aanpassingen gedaan aan het model.

    Voor vragen kunt u contact opnemen met carolien.van.den.brink@rivm.nl.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. van de Kassteele J, Zwakhals L, Breugelmans O, Ameling C, van den Brink C. Estimating the prevalence of 26 health-related indicators at neighbourhood level in the Netherlands using structured additive regression. International Journal of Health Geographics. 2017;(1). Bron | DOI
  • Berekening Voldoen aan Beweegrichtlijnen

    Of aan de Beweegrichtlijnen wordt voldaan is vastgesteld met behulp van de SQUASH-vragenlijst waarin het gebruikelijke sport- en beweeggedrag van personen wordt nagevraagd. Deze vragenlijst is onderdeel van de Leefstijlmonitor (zie ‘bronverantwoording’)  

    In deze vragenlijst wordt gevraagd om voor een normale week in de afgelopen maanden aan te geven hoeveel dagen per week een bepaalde activiteit is verricht en hoeveel tijd (uren en minuten) men daar gemiddeld op zo’n dag mee bezig is geweest. De volgende activiteiten worden bevraagd:

    1. Lopen naar werk en/of school (4 jaar en ouder)
    2. Fietsen naar werk en/of school (4 jaar en ouder)
    3. Lichamelijke activiteit op werk (alleen 12 jaar en ouder)
    4. Lichamelijke activeit op school: buitenspelen, schoolgym en schoolzwemmen (alleen 4-12 jaar)
    5. Huishoudelijke activiteiten (alleen 12 jaar en ouder)
    6. Sporten* in de vrije tijd 4 jaar en ouder)
    7. Wandelen in de vrije tijd (4 jaar en ouder)
    8. Fietsen in de vrije tijd (4 jaar en ouder)
    9. Klussen in de vrije tijd (alleen 12 jaar en ouder)
    10. Tuinieren in de vrije tijd (alleen 12 jaar en ouder)
    11. Buitenspelen in de vrije tijd (alleen 4-12 jaar)
    12. Zwemles (alleen 4-12 jaar)

    *Bij sport kan een respondent maximaal vier sporttakken opgeven. Per sporttak wordt vervolgens gevraagd naar de tijd (dagen per week, uren en minuten per dag) die men daaraan doorgaans besteedt.

  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.