Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

Bevolkingsonderzoek

Resultaten prenataal bloedonderzoek zwangeren PSIE

Prevalenties uit de monitoring PSIE, 2016

 

Aantal getest

Aantal opgespoord

Percentage opgespoord

Hepatitis B

172.799

507

0,29

Actieve syfilis (verdenking) 

172.785

36

0,02

hiv

172.694

88

0,05

RhD-negatief

172.727

25.170

14,6

Rhc-negatief

172.691

34.950

20,2

Klinisch relevante IEA n.a.v. 1e bloedonderzoek

172.722

235-562

0,14-0,33

RhD = Rhesus (D)-antigeen
Rhc = Rhesus (c)-antigeen
IEA = irregulaire erytrocyten antistoffen

In 2016 had ongeveer 0,05% van zwangere vrouwen hiv

In 2016 bleek uit de Prenatale Screening Infectieziekten en Erytrocytenimmunisatie (PSIE) dat de prevalentie van syfilis en hiv onder zwangere vrouwen respectievelijk 0,02 en 0,05% was. De bevallingen van zwangere vrouwen die in 2016 zijn gescreend, vonden plaats van ongeveer juli 2016 tot juli 2017. In deze periode zijn geen kinderen met congenitale syfilis en/of hiv geboren (van der Maas et al., 2018). 

Ongeveer 0,29% van zwangere vrouwen heeft hepatitis B

De prevalentie van hepatitis B bij zwangere vrouwen was 0,29% in 2016. Bijna alle kinderen van hepatitis B-positieve zwangere vrouwen zijn in 2016 geïmmuniseerd met hepatitis B-immunoglobuline (HBIg) ter voorkoming van transmissie van moeder naar kind (99,8%) (van der Maas et al., 2018). 

Ruim 25 duizend zwangere vrouwen Rhesus D-negatief in 2016 

In 2016 waren ruim 25 duizend zwangere vrouwen Rhesus D-negatief en bijna 35 duizend zwangere vrouwen Rhesus c-negatief (van der Maas et al., 2018). Tijdige toediening van anti-Rhesus D-antistoffen bij Rhesus D-negatieve zwangere vrouwen met een RhD-positief kind is belangrijk om te voorkomen dat deze vrouwen antistoffen maken tegen het bloed van hun kind. Sommige antistoffen kunnen het bloed van het kind afbreken en bloedarmoede veroorzaken. Voor zwangere vrouwen met bloedgroep Rhesus c-negatief is geen injectie met anti-Rhesus c-antistoffen beschikbaar. Deze vrouwen krijgen extra controles door de verloskundige of gynaecoloog.

Meer informatie

Datum publicatie

02-08-2018

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. van der Maas PJ, Schönbeck Y, Oomen P, Vos K. Prenatale Screening Infectieziekten en Erytrocytenimmunisatie (PSIE). Procesmonitor 2016. TNO/RIVM; 2018. Bron

Resultaten prenatale screening down-, edwards- en patausyndroom

Verhoogde kansuitslagen van combinatietest en afwijkende uitslagen 2017

Op basis van 22.235 combinatietesten en 50.439 niet-invasieve testen (NIPT)
 

Percentage

Aantal

Verhoogde kansuitslag combinatietest     

Downsyndroom

4,6

994

Edwardssyndroom

1,4

293

Patausyndroom

1,0

224

Totaal verhoogde kans

5,0

1.080

Afwijkende uitslagen NIPT    
Downsyndroom

0,32

157
Edwardssyndroom 0,07 32
Patausyndroom 0,09 42
Totaal afwijkende uitslagen 0,47 231
  • Een verhoogde kansuitslag is een kans ≥1:200
  • De percentages en aantallen zijn berekend op foetusniveau, inclusief meerlingzwangerschappen.
  • Het gaat hier om combinatietesten die in heel 2017 zijn uitgevoerd, zowel vóór als vanaf 1 april.

Bij 0,5% afwijkende uitslag NIPT

Vanaf de invoering van de Niet‐Invasieve Prenatale Test (NIPT) op 1 april 2017 voor alle zwangere vrouwen, werd in 39,2% van de zwangerschappen een NIPT uitgevoerd en daalde het aantal combinatietesten naar 4,3%. In 0,5% van de NIPT-testen was er een afwijkende uitslag (Liefers et al., 2018). In totaal was er in 2017 bij 4,6% van de combinatietesten een verhoogde kansuitslag voor downsyndroom (trisomie 21). Voor edwardssyndroom (trisomie 18) was dit 1,4% en voor patausyndroom (trisomie 13) ongeveer 1%. Bij 5,0% (1.080) van de combinatietesten was er een verhoogde kansuitslag op ten minste één van deze drie afwijkingen.

Meer informatie

Datum publicatie

19-06-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Liefers J, Cruijsberg J., Atsma F. Monitor 2017. Prenatale screening op down-, edwards- en patausyndroom en het Structureel Echoscopisch Onderzoek. Nijmegen: Scientific Center for Quality of Healthcare (IQ healthcare), Radboudumc; 2018. Bron

Opgespoorde afwijkingen 20 wekenecho

Uitkomsten structureel echoscopisch onderzoek, 2017

Bij 144.499 foetussen

 

Positieve uitslag (vermoeden op afwijking)

 

Aantal

Percentage

Aangeboren afwijking

6.051

4,3

Neurale buisdefect

55

0,04

  • Aantal SEO is exclusief herhalingsonderzoeken en vervolgonderzoeken

Bij ruim 4% afwijking ontdekt door 20 wekenecho

In 2017 resulteerde het structureel echoscopisch onderzoek (SEO) bij 4,3% (6.051) van de foetussen in een vermoeden op een afwijking (inclusief neurale buisdefecten) en bij 0,04% (55) van de foetussen in een vermoeden op een neuraal buisdefect (Liefers et al., 2018). Het SEO, ook wel de 20 wekenecho genoemd, is een prenatale screening rond 20 weken zwangerschap gericht op het opsporen van neurale buisdefecten (open rug, open schedel) en een aantal andere lichamelijke afwijkingen (zoals hart- en nierafwijkingen). Het SEO vervolgonderzoek bestaat uit een geavanceerd ultrageluid onderzoek (GUO). Na een afwijkend SEO vond in 80-85% van de zwangerschappen een GUO plaats (Liefers et al., 2018). 

Meer informatie

Datum publicatie

04-02-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Liefers J, Cruijsberg J., Atsma F. Monitor 2017. Prenatale screening op down-, edwards- en patausyndroom en het Structureel Echoscopisch Onderzoek. Nijmegen: Scientific Center for Quality of Healthcare (IQ healthcare), Radboudumc; 2018. Bron

Opgespoorde aandoeningen hielprikscreening

Hielprik spoort merendeel aandoeningen op waarop gescreend wordt

In 2017 werd 98,9% van de pasgeborenen met een zeldzame ernstige aandoening waarop gescreend wordt, opgespoord via de neonatale hielprikscreening. Dit percentage ligt sinds 2002 tussen de 95 en 100%. De neonatale hielprikscreening bestaat uit het afnemen van bloed bij de pasgeborenen. In de periode 2011-2016 waren 17 of 18 aandoeningen opgenomen in het programma, en in 2017 waren dit er 19. Een snelle opsporing van de aandoeningen kan zeer ernstige schade aan de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van een kind voorkomen of beperken.

Meer informatie

Datum publicatie

17-12-2018

Opgespoord gehoorverlies door neonatale gehoorscreening

Aantal pasgeborenen met gehoorverlies ontdekt via screening

screening door jeugdgezondheidszorg (JGZ) en Neonatale Intensive Care Units (NICU’s)
 

Opgespoord
gehoorverlies JGZ

Opgespoord
gehoorverlies NICU's

Jaar

dubbelzijdig

enkelzijdig

dubbelzijdig

enkelzijdig

2010

115

76

83

24

2011

99

88

82

37

2012

119

91

94

34

2013

113

87

77

40

2014

124

95

89

38

2015

113

82

75

26

2016

128

68

101

31

2017

119

74

88

29

Gemiddeld over
2010-2017

116

83

86

32

Vroegtijdige opsporing maakt eerdere behandeling en begeleiding mogelijk

Door vroegtijdige opsporing van gehoorverlies bij pasgeborenen kunnen behandeling en begeleiding eerder van start gaan. Daardoor draagt vroegtijdige opsporing bij aan betere ontwikkelingsmogelijkheden van slechthorende kinderen.

Per jaar ongeveer 200 kinderen met gehoorverlies opgespoord vanuit JGZ

In de periode 2010-2017 werden in Nederland vanuit de JGZ gemiddeld 116 kinderen per jaar met een dubbelzijdig gehoorverlies en 83 kinderen met een enkelzijdig gehoorverlies opgespoord (respectievelijk 0,68 en 0,48 per 1.000 kinderen die in aanmerking kwamen voor screening). In 2017 ging het om 119 kinderen met een bilateraal verlies en 74 kinderen met een unilateraal verlies (respectievelijk 0,72 en 0,45 per 1.000 kinderen die in aanmerking kwamen voor screening) (van der Ploeg et al., 2018). Hier komen nog de kinderen bij die door middel van de gehoorscreening op de intensive care afdelingen voor pasgeborenen (NICU's) worden opgespoord.

Per jaar ongeveer 120 kinderen met gehoorverlies opgespoord in NICU's

In de periode 2010-2017 werden in de Neonatale Intensive Care Units (NICU's) gemiddeld 86 kinderen per jaar opgespoord met een bilateraal gehoorverlies en 32 kinderen met een unilateraal gehoorverlies. In 2017 ging het om 88 kinderen met een bilateraal verlies en 29 kinderen met een unilateraal verlies (respectievelijk 2,4 en 0,8% van de gescreende kinderen) (de Graaff-Korf et al., 2019).

Meer informatie

Datum publicatie

10-07-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. van der Ploeg K, Wins S, Verkerk P. Neonatale gehoorscreening door de Jeugdgezondheidszorg. Monitor over 2017. Leiden: TNO; 2018. Bron
  2. de Graaff-Korf KS, Wins S, van Dommelen P, van Straaten HLM, Verkerk PH. Jaarverslag neonatale gehoorscreening in de Neonatale Intensive Care Units 2017. Zwolle: Isala; 2019. Bron

Percentages gevonden afwijkingen in bevolkingsonderzoek borstkanker

Ruim 24 op 1.000 vrouwen na screening doorverwezen voor diagnostisch onderzoek

In 2016 zijn in totaal 1.020.983 screeningsonderzoeken naar borstkanker uitgevoerd, en 24,3 per 1.000 gescreende vrouwen werden naar het ziekenhuis verwezen voor diagnostisch onderzoek. Bij 6.969 vrouwen werd de diagnose borstkanker gesteld. Dit komt overeen met 6,8 per 1.000  gescreende vrouwen. Van de opgespoorde borsttumoren was 22,3% een ductaal in situ carcinoom (DCIS) en 77,7% een invasief carcinoom (Bron: Landelijk Evaluatie Team voor bevolkingsonderzoeken naar Borstkanker).

Experts en redactie

Datum publicatie

16-10-2018

Percentages gevonden afwijkingen in bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker

Veruit de meeste uitstrijkjes vertonen geen afwijkingen

In 2014 vertoonde 93,8% van de bevolkingsonderzoekuitstrijkjes geen afwijkingen. Van de uitstrijkjes bevatte 3,7% lichte afwijkingen op grond waarvan volgens de richtlijnen een advies voor een herhalingsuitstrijkje na een half jaar zou moeten worden geadviseerd. En 0,9% van de uitstrijkjes bevatte ernstige afwijkingen waarna volgens de richtlijnen directe verwijzing naar de gynaecoloog plaats zou moeten vinden. In 2014 moest 1,7% van de uitstrijkjes herhaald worden, met als reden dat zij van onvoldoende kwaliteit waren. Het percentage licht afwijkende uitstrijkjes is toegenomen in de periode 2006-2013. Het percentage sterk afwijkende uitstrijkjes is in dezelfde periode licht gestegen (Bron: LEBA).

Aantal afwijkingen gevonden bij eerste vervolguitstrijkje en na verwijzing gestabiliseerd

In de periode 2005-2011 was sprake van een toename van het aantal vrouwen dat op basis van een afwijkend eerste vervolguitstrijkje is verwezen naar de gynaecoloog. Dit percentage lijkt sinds 2011 te stabiliseren. Ook het aantal vrouwen bij wie een relevant voorstadium van baarmoederhalskanker is gedetecteerd na verwijzing naar de gyneacoloog, is na een aanvankelijke toename gestabiliseerd. De detectie van baarmoederhalskanker is hierdoor ook stabiel (Bron: LEBA).

Meer informatie

Landelijk bevolkingsonderzoek darmkanker

Resultaten bevolkingsonderzoek darmkanker 2017

  Aantal
Beoogde doelgroep 2017 2.039.235
Totaal uitgenodigd in 2017 1.941.121
Deelgenomen 1.411.998
Beoordeelbare FIT 1.403.096
FIT positief a) 71.632
Intake 65.015
Coloscopie uitgevoerd 59.321
Diagnose darmkanker 4.203
Diagnose advanced adenoom 23.220

a) FIT-positief: boven de afkapwaarde van 47 µg Hemoglobine (Hb)/g ontlasting.

Tweejaarlijks landelijk bevolkingsonderzoek

Sinds januari 2014 wordt een landelijk bevolkingsonderzoek naar dikkedarmkanker gefaseerd ingevoerd. Het RIVM/Centrum voor Bevolkingsonderzoek coördineert en regisseert het bevolkingsonderzoek in opdracht van het ministerie van VWS. De doelgroep van het bevolkingsonderzoek darmkanker bestaat uit mannen en vrouwen van 55 tot en met 75 jaar. Zij worden elke twee jaar uitgenodigd voor deelname aan een screeningstest (FIT). Deelnemers nemen zelf een monster van de ontlasting en sturen dit monster op naar het laboratorium. Bij een ongunstige uitslag van de test, dat wil zeggen een hoeveelheid bloed die boven de afkapwaarde (47 µg hemoglobine (Hb)/g ontlasting) ligt, volgt verwijzing voor kijkonderzoek (coloscopie).

Deelnamepercentage bevolkingsonderzoek 72,7% in 2017

In 2017, het vierde jaar van het bevolkingsonderzoek, is 95,2% (1.941.121 personen) van de beoogde doelgroep uitgenodigd voor deelname. Van de uitgenodigde personen heeft 72,7% deelgenomen aan het onderzoek (FIT). Van de deelnemers aan het bevolkingsonderzoek met een ongunstige testuitslag hebben 59.321 personen (82,8%) een coloscopie ondergaan. In 2017 werd na screening en vervolgdiagnostiek met coloscopie bij 4.203 deelnemers darmkanker vastgesteld. Dit komt overeen met een detectiecijfer van 3,0 per 1.000 deelnemers. Bij 23.220 deelnemers is een advanced adenoom vastgesteld. Dit komt overeen met een detectiecijfer van 16,4 per 1.000 deelnemers (Bron: Landelijke Monitoring Bevolkingsonderzoek Darmkanker).

Op termijn naar verwachting 2.400 sterfgevallen per jaar voorkomen

Bij een opkomst van 60% kan het bevolkingsonderzoek over de periode 2010-2039 per jaar gemiddeld 1.400 sterfgevallen door dikkedarmkanker voorkomen. Dertien jaar na de volledige invoering (2032) zal het aantal voorkómen sterfgevallen aan darmkanker naar verwachting stabiliseren op ongeveer 2.400 per jaar. De doelgroep van het bevolkingsonderzoek voor dikkedarmkanker bestaat in 2020 uit 4,4 miljoen personen (Gezondheidsraad, 2009).

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Gezondheidsraad. Bevolkingsonderzoek naar darmkanker. Den Haag: Gezondheidsraad; 2009. Bron