Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

BeroerteCijfers & ContextOorzaken en gevolgen

Cijfers & Context

In 2018 overleden 9.213 personen aan een beroerte

Regionaal & Internationaal

Sterfte in Nederland relatief laag

Kosten

Zorguitgaven bijna 1,5 miljard euro in 2017

Preventie & Zorg

Bijna 50.000 klinische opnamen voor beroerte

Oorzaken van een beroerte

Plotselinge uitval van een deel van de hersenen bij een beroerte

Bij een beroerte valt plotseling een deel van de functie van de hersenen uit door een herseninfarct, TIA of hersenbloeding.
Bij een herseninfarct of TIA treedt lokaal zuurstoftekort op door afsluiting van een bloedvat door een stolsel (embolie). Een embolie kan ontstaan door atherosclerose in vaten in de hersenen of de slagaders die naar de hersenen lopen, maar kan ook afkomstig zijn uit het hart. Door hartritmestoornissen, klepafwijkingen of een recent hartinfarct pompt het hart niet goed. Het achterblijvende bloed ‘staat stil’ en er kunnen stolsels in ontstaan. Als deze stolsels in de hersenen terechtkomen, kunnen zij daar een bloedvat afsluiten. Bij een TIA is deze afsluiting van korte duur. Het risico op een herseninfarct is verhoogd na een TIA.
Bij een hersenbloeding scheurt een vaatwand (ruptuur) waardoor een hematoom en oedeemvorming (ophoping van vocht) ontstaat. Bij een intracerebrale bloeding gebeurt dit in het hersenweefsel, bij een subarachnoïdale bloeding tussen de hersenvliezen. Door de ruimte die het hematoom of oedeem inneemt, wordt  het omringende hersenweefsel verdrukt.  Daardoor krijgt het zuurstofgebrek  en kan het zijn functie verliezen.

Herseninfarct komt vaker voor dan hersenbloeding

Bij ongeveer 80% van de patiënten met een beroerte is er sprake van een herseninfarct of TIA en 20% heeft een hersenbloeding, onderverdeeld in een intracerebrale bloeding (15%) of een subarachnoïdale bloeding (5%). Bij een TIA herstelt de functie van de hersenen weer (NHG-werkgroep Beroerte, 2018; Hartstichting, 2015; de Boer et al., 2019.)

Meer informatie

Datum publicatie

02-03-2020

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. NHG-werkgroep Beroerte. NHG-standaard Beroerte. Utrecht: Nederlands Huisarten Genootschap; 2018. Bron
  2. Hartstichting. Acute behandeling van beroertes. Hartstichting; 2015. Bron
  3. de Boer AR, van Dis I, Visseren FLJ, Vaartjes I, Bots ML. Kerncijfers over hart- en vaatziekten. In: Hart- en vaatziekten in Nederland 2019, cijfers over incidentie, prevalentie, ziekte en sterfte. Den Haag: Hartstichting; 2019. Bron

Risicofactoren voor beroerte

Risicofactoren voor een herseninfarct, TIA en hersenbloeding komen gedeeltelijk overeen

Het risico op een beroerte stijgt met de leeftijd (vooral bij mensen > 65 jaar). Zie ook onder ‘Verschillen tussen mannen en vrouwen’.
Belangrijke risicofactoren voor een herseninfarct en een TIA zijn hypertensie en roken. Andere risicofactoren zijn hypercholesterolemie, overmatig alcoholgebruik, diabetes mellitus, obesitas, gebruik van bepaalde hormoontherapie tijdens de overgang of als anticonceptie, migraine met aura, arteriële dissectie (scheurtje van de binnenwand van een bloedvat), cerebrale vasculitis (ontsteking van bloedvat(en) in de hersenen) en een verhoogde stollingsneiging van het bloed (NHG-werkgroep Beroerte, 2018).
Belangrijke risicofactoren voor een hersenbloeding zijn hypertensie en amyloïdangiopathie (klontering van amyloïd eiwit in de vaatwand). Andere risicofactoren zijn roken, overmatig alcoholgebruik, amfetamine en cocaïnegebruik, diabetes mellitus, cerebrale vasculitis, verminderde bloedstolling onder andere ten gevolge van het gebruik van antistollingsmedicatie, vaatafwijkingen (zoals een arterioveneuze malformatie), tumoren, traumata en eclampsie (NHG-werkgroep Beroerte, 2018).

Datum publicatie

02-03-2020

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. NHG-werkgroep Beroerte. NHG-standaard Beroerte. Utrecht: Nederlands Huisarten Genootschap; 2018. Bron

Gevolgen van een beroerte

De plotselinge uitval van hersenfuncties kan een scala aan gevolgen hebben

De gevolgen van deze uitval hangen af van de locatie van het infarct of de bloeding en de hoeveelheid hersenweefsel die is beschadigd (NHG-werkgroep Beroerte, 2018). Verschijnselen die in min of meerdere mate kunnen optreden en korter of langer kunnen bestaan zijn bijvoorbeeld:

  • (Eenzijdige) verlamming in het lichaam en/of gezicht ((hemi-)parese)
  • (Eenzijdige) gevoelloosheid en tintelingen
  • Taal- en/of spraakproblemen (afasie en/of dysartrie)
  • (Zware) vermoeidheid
  • Gedeeltelijke en/of tijdelijke blindheid (hemianopsie en/of amaurosis fugax) of dubbelzien (diplopie)
  • Duizeligheid (Vertigo)
  • Slikstoornis (dysfagie)
  • Coördinatiestoornis (Ataxie)
  • Incontinentie voor urine en/of ontlasting
  • Problemen bij het verwerken van prikkels waardoor patiënten snel overprikkeld raken of zich niet kunnen concentreren
  • Emotionele veranderingen zoals een toename van angst, emotionele labiliteit, dwanghuilen, agressie, prikkelbaarheid, depressieve gevoelens, stemmingswisselingen
  • Gedragsveranderingen zoals initiatiefverlies, impulsief of ontremd gedrag, egocentriciteit, aandacht vragend gedrag, agressiviteit, onverschilligheid, minder flexibel zijn, veranderd tijdsbesef
  • Geheugenproblemen, moeite met organiseren of plannen
  • Stoornissen in de ruimtelijke waarneming waarbij patiënten bijvoorbeeld afstanden niet goed kunnen inschatten

Bij een beroerte treden vaak complicaties op

Complicaties die vaak optreden zijn een longontsteking (bij 1 op de 7 patiënten), acute verwardheid (delier) en verstoppingen van bloedvaten in de benen of longen (trombosebenen en longembolie, bij 1 op de 10 patiënten) (Hartstichting, 2015).

Gevolgen hersenbloeding vaak ernstiger dan van herseninfarct

Hersencellen sterven snel af. Om hersenschade door een beroerte te minimaliseren is het belangrijk dat de behandeling zo snel mogelijk start. Het motto is: "time = brain" (NHG-werkgroep Beroerte, 2018; Hartstichting, 2015). Bij een herseninfarct moet zo snel mogelijk de bloedtoevoer naar de hersenen worden hersteld. De behandeling van een hersenbloeding is complexer dan van een herseninfarct. Het is vaak moeilijk om de bloeding te stoppen. Ook kunnen nieuwe bloedingen optreden, vooral bij subarachnoïdale bloedingen.

Herstel kan maanden duren

De grootste vooruitgang vindt plaats in de eerste weken na een beroerte. Na een half jaar kan ongeveer een derde van de patiënten met een hersenbloeding weer zelfstandig functioneren tegenover de helft van de patiënten met een herseninfarct (NHG-werkgroep Beroerte, 2018).

Restverschijnselen zijn vaak ernstig

Hoe meer hersenweefsel is beschadigd, hoe ernstiger de gevolgen zijn. De hierboven beschreven gevolgen van een beroerte kunnen blijven bestaan, hetgeen grote consequenties kan hebben voor het leven van patiënten en hun naasten. Naast de wat meer zichtbare restverschijnselen als (hemi-)parese, afasie of apraxie, kunnen de minder zichtbare neuropsychologische functiestoornissen zeer invaliderend zijn en de sociale relaties (partners, familie, vrienden) verstoren. Neuropsychologische stoornissen kunnen ook nog weken tot maanden na de beroerte ontstaan (NHG-werkgroep Beroerte, 2018).

Kans op hart- en vaatziekten groter na eerder herseninfarct of TIA

Het hart- en vaatstelsel is in slechte conditie bij patiënten met een herseninfarct of TIA. Zij hebben een relatief grote kans op een volgend herseninfarct of een andere hart- en vaatziekte. Vooral de eerste dagen na het herseninfarct of TIA is de kans sterk verhoogd. In de jaren na een herseninfarct of TIA hebben patiënten jaarlijks ongeveer 15% kans op een beroerte of hart- en vaatziekte. Rond de 10% van de patiënten krijgt, zonder behandeling, binnen drie maanden na een TIA een herseninfarct. Het risico is vooral hoger voor ouderen (> 60 jaar), mensen met een verhoogde bloeddruk (>140/90 mmHg) en mensen met diabetes mellitus (NHG-werkgroep Beroerte, 2018).

Verminderen van risico op nieuw herseninfarct

Secundaire preventie na een hersenfarct of TIA, bestaande uit medicatie en leefstijladviezen (stoppen met roken, bewegen en gezonde voeding), vermindert het risico op een nieuw herseninfarct (NHG-werkgroep Beroerte, 2018).

Risico op overlijden na een beroerte is groot

Patiënten met een hersenbloeding overlijden vaker dan patiënten met een herseninfarct. Na een ziekenhuisopname (cijfers 2018) overleed

  • 35% van de patiënten met een hersenbloeding binnen 30 dagen en 45% binnen 1 jaar;
  • 30% van de patiënten met een subarachnoïdale bloeding binnen 30 dagen en 35% binnen 1 jaar;
  • 11% van de patiënten met een herseninfarct binnen 30 dagen en 22% binnen 1 jaar;
  • 1% van de patiënten met een TIA binnen 30 dagen en 6% binnen 1 jaar.

Voor vrouwen zijn deze cijfers iets hoger dan voor mannen, behalve bij een TIA (de Boer et al., 2019).

Leeftijd bij overlijden aan een herseninfarct is het hoogst

De gemiddelde leeftijd bij overlijden aan een subarachnoïdale bloeding is lager dan bij een hersenbloeding en herseninfarct (de Boer et al., 2019). Voor mannen en vrouwen zijn de gemiddelde leeftijden bij overlijden respectievelijk

  • 66 en 69 jaar bij een subarachnoïdale bloeding;
  • 77 jaar en 80 jaar bij een hersenbloeding;
  • 81 jaar en 86 jaar bij een herseninfarct.

Meer informatie

Datum publicatie

02-03-2020

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. NHG-werkgroep Beroerte. NHG-standaard Beroerte. Utrecht: Nederlands Huisarten Genootschap; 2018. Bron
  2. Hartstichting. Acute behandeling van beroertes. Hartstichting; 2015. Bron
  3. de Boer AR, van Dis I, Visseren FLJ, Vaartjes I, Bots ML. Kerncijfers over hart- en vaatziekten. In: Hart- en vaatziekten in Nederland 2019, cijfers over incidentie, prevalentie, ziekte en sterfte. Den Haag: Hartstichting; 2019. Bron

Verschillen tussen mannen en vrouwen

Meer vrouwen dan mannen met een beroerte

Relatief gezien (per 100.000) zijn er meer mannen met een beroerte dan vrouwen (zie 'Prevalentie en nieuwe gevallen beroerte in huisartsenpraktijk'). Maar omdat vrouwen gemiddeld ouder worden dan mannen en de incidentie sterk stijgt bij het ouder worden, zijn er in absolute zin meer vrouwen die een beroerte krijgen dan mannen.

Uitkomsten bij vrouwen vaak slechter

De klinische verschijnselen bij een beroerte verschillen niet tussen mannen en vrouwen. Maar omdat vrouwen veelal ouder zijn op het moment van de beroerte zijn de uitkomsten vaak slechter. Door de hogere leeftijd zijn zij vaak al in slechtere conditie op het moment van de beroerte. Ook wonen zij vaker alleen waardoor er niet tijdig hulp ingeschakeld kan worden (NHG-werkgroep Beroerte, 2018; Hartstichting, 2015). Vrouwen sterven vaker aan een beroerte dan mannen (de Boer et al., 2019).

Vrouwen krijgen vaker subarachnoïdale bloeding

Hoewel relatief gezien dus meer mannen dan vrouwen een beroerte krijgen, geldt dit niet voor de subarachnoïdale bloeding. Vanaf ongeveer de leeftijd van 50 jaar komt een subarachnoïdale bloeding vaker voor bij vrouwen dan mannen (de Boer et al., 2019).

Datum publicatie

02-03-2020

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. NHG-werkgroep Beroerte. NHG-standaard Beroerte. Utrecht: Nederlands Huisarten Genootschap; 2018. Bron
  2. Hartstichting. Acute behandeling van beroertes. Hartstichting; 2015. Bron
  3. de Boer AR, van Dis I, Visseren FLJ, Vaartjes I, Bots ML. Kerncijfers over hart- en vaatziekten. In: Hart- en vaatziekten in Nederland 2019, cijfers over incidentie, prevalentie, ziekte en sterfte. Den Haag: Hartstichting; 2019. Bron

Verantwoording

Definities
  • Beroerte is een hersenbloeding of herseninfarct

    Beroerte, ook wel aangeduid met cerebrovasculair accident (CVA), omvat een verzameling ziektebeelden waarbij sprake is van een stoornis in de bloedvoorziening van de hersenen.

    • Bij een herseninfarct sluit een stolsel een bloedvat af dat een deel van de hersenen van bloed voorziet. Door de afsluiting krijgt het hersenweefsel onvoldoende zuurstof  en treedt een infarct op met als gevolg uitvalsverschijnselen.
    • Bij een TIA (transient ischaemic attack) is sprake van uitvalsverschijnselen door een tijdelijke afsluiting van een bloedvat in de hersenen of het oog. Als de bloedtoevoer zich tijdig herstelt, verdwijnen de uitvalsverschijnselen weer. Er zijn geen restverschijnselen, maar de kans op een herseninfarct is nadien wel verhoogd.
    • Bij een hersenbloeding scheurt een bloedvat waardoor er een bloeding optreedt. Als dit gebeurt in het hersenweefsel heet dit een intracerebrale bloeding, gebeurt dit tussen de hersenvliezen dan heet dit een subarachnoïdale bloeding.

    Ongeveer 80% van de beroertes berust op een herseninfarct, inclusief de TIA's, bij 15% van de beroertes is sprake van een intracerebrale bloeding en bij 5% van een subarachnoïdale bloeding (NHG-werkgroep Beroerte, 2018;de Boer et al., 2019;Hartstichting, 2015).

    Meer informatie

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. NHG-werkgroep Beroerte. NHG-standaard Beroerte. Utrecht: Nederlands Huisarten Genootschap; 2018. Bron
    2. de Boer AR, van Dis I, Visseren FLJ, Vaartjes I, Bots ML. Kerncijfers over hart- en vaatziekten. In: Hart- en vaatziekten in Nederland 2019, cijfers over incidentie, prevalentie, ziekte en sterfte. Den Haag: Hartstichting; 2019. Bron
    3. Hartstichting. Acute behandeling van beroertes. Hartstichting; 2015. Bron
Bronverantwoording
  • Huisartsenregistratie van beroerte

    Voor bepaling van de prevalentie en aantal nieuwe gevallen van beroerte in de huisartsenpraktijk (huidige situatie en trends) zijn de gegevens gebruikt van de NIVEL Zorgregistratie eerste lijn. Hiermee wordt geschat hoeveel mensen bij de huisarts bekend zijn in het betreffende jaar met beroerte (jaarprevalentie) en hoeveel nieuwe patiënten er in dat jaar bij zijn gekomen. Gebruikte ICPC-codes: voor beroerte ICPC-code K90 en voor TIA K89.

    Kenmerken van beroerte in de huisartsenpraktijk

    Beroerte (exclusief TIA) is een chronische aandoening. Veel patiënten liggen in het acute stadium lang in het ziekenhuis. Een huisarts herkent een beroerte in de regel goed en kan deze snel diagnosticeren. Als de huisarts ten onrechte de diagnose stelt, wordt na verloop van tijd wel duidelijk dat er geen sprake was van een beroerte. De registraties stellen de geregistreerde diagnose dan bij.

    Enige tijd na een beroerte zal de situatie mogelijk stabiel worden. Er is dan niet altijd meer contact met de huisarts vanwege de beroerte. Wel krijgen veel patiënten die een herseninfarct hebben gehad, regelmatig een (herhaal)recept voor bepaalde medicijnen, zoals plaatjesaggregatieremmers. Patiënten die langdurig belangrijke activiteiten niet meer kunnen verrichten, worden uiteindelijk opgenomen in een verpleeghuis.

  • Beroerte: Landelijke Medische Registratie (LMR)

    Een deel van de personen die een beroerte krijgen en die niet in de acute fase overlijden, wordt opgenomen in een ziekenhuis. Informatie over ziekenhuisontslagen uit de LMR kan dus gebruikt worden als indicatie van de incidentie van beroerte. Gebruikte ICD-9-codes voor beroert zijn 430-438. 

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. LMR, Landelijke Medische Registratie. zorggegevens.nl
  • Automatisch coderen bij CBS-doodsoorzakenstatistiek

    Met ingang van het statistiekjaar 2013 codeert het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) doodsoorzakenformulieren automatisch met behulp van het softwarepakket IRIS. Dit is een verschil met voorgaande jaren waarin doodsoorzakenformulieren handmatig werden verwerkt. Automatische codering brengt een betere internationale vergelijkbaarheid en reproduceerbaarheid van de gegevens met zich mee. Het veroorzaakt echter ook verschuivingen in doodsoorzaken. Daardoor zijn de sterftecijfers vanaf het jaar 2013 niet altijd goed vergelijkbaar met sterftecijfers uit eerdere jaren. Voor meer informatie over het automatisch coderen verwijzen wij naar vier artikelen van het CBS:

    • Het automatisch coderen van doodsoorzaken. Een nieuwe werkwijze bij de doodsoorzakenstatistiek (Harteloh et al., 2014)
    • Verschuivingen in de doodsoorzakenstatistiek bij de introductie van het automatisch coderen (Harteloh, 2014)
    • Van handmatig naar automatisch coderen van doodsoorzaken. Een bridge coding study (Harteloh, 2015)
    • Veranderingen in de doodsoorzakenstatistiek 2012-2013 (Harteloh, 2016)

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Harteloh PPM, van Hilten O, Kardaun JWPF. Het automatisch coderen van doodsoorzaken. Een nieuwe werkwijze bij de doodsoorzakenstatistiek. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2014. Bron
    2. Harteloh PPM. Verschuivingen in de doodsoorzakenstatistiek bij de introductie van het automatisch coderen. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2014. Bron
    3. Harteloh PPM. Van handmatig naar automatisch coderen van doodsoorzaken. Een bridge coding study. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2015. Bron
    4. Harteloh PPM. Veranderingen in de doodsoorzakenstatistiek 2012-2013. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); 2016. Bron
  • Tabel: Bronnen bij de cijfers over beroerte

    Bron Indicator in VZinfo Gepresenteerde populatie VZinfo Meer informatie
    Nivel Zorgregistraties eerste lijn

    Jaarprevalentie, aantal nieuwe gevallen

    Nederlandse bevolking NZR
    CBS Doodsoorzakenstatistiek

    Aantal sterfgevallen

    Nederlandse bevolking CBS Doodsoorzakenstatistiek
    Landelijke Medische Registratie (LMR)

    Klinische opnamedagen, klinische opnamen, gemiddelde opnameduur, dagbehandelingen
    met beroerte als hoofdontslagdiagnose

    Nederlandse bevolking LMR
    Kosten van Ziektenstudie Kosten van zorg voor beroerte Nederlandse bevolking Kosten van Ziekten database
    Eurostat Aantal sterfgevallen Europese bevolking Eurostat
Methoden
  • Regionaal versus landelijk gemiddelde

    Bij een onderwerp is het mogelijk dat het gemiddelde bij het hoofdstuk 'Cijfers & Context' verschilt van gemiddelde bij het hoofdstuk 'Regionaal & Internationaal'. Dit kan te maken hebben met: 

    • het niveau waarop de informatie geaggregeerd is (van wijkniveau tot landelijk niveau);

    • het presenteren van cijfers uit verschillende jaren;

    • het al dan niet combineren van cijfers van verschillende jaren (bijvoorbeeld een gemiddelde van drie jaren);
    • het kiezen van een verschillende standaard bij het presenteren van gestandaardiseerde gegevens.
  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.