Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

BeroepsziektenCijfers & ContextHuidige situatie

Cijfers & Context

Sterfte aan mesothelioom (asbest) gestegen

Regionaal & Internationaal

Werkgebonden klachten in NL boven EU-gemiddelde

Kosten

Werkgerelateerde zorgkosten 1,6 miljard euro

Preventie & Zorg

Preventie richten op verschillende factoren

Aantal beroepsziekten volgens zelfrapportage

Bijna 4% van de werknemers heeft een beroepsziekte

In 2018 heeft 3,7% van de werknemers naar eigen zeggen een door een arts vastgestelde beroepsziekte opgelopen. Dat blijkt uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) 2018 (Hooftman et al., 2019). Dit percentage komt neer op ongeveer 271.000 werknemers per jaar die een beroepsziekte rapporteren. Dit aantal ligt ver boven het geschatte aantal beroepsziekten op basis van de bedrijfsartsenregistratie. Dit komt mogelijk door een onderrapportage in de bedrijfsartsenregistratie. In 2017 gaf 1,9% (20.100) van de zzp'ers aan een beroepsziekte te hebben opgelopen. Dit blijkt uit de Zelfstandigen Enquête Arbeid (ZEA) 2017 (TNO, 2018).

Meer informatie

Datum publicatie

28-06-2019

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Hooftman W.E., Mars G.M.J., Janssen B., de Vroome E.M.M., Janssen B.J.M., Pleijers A.J.S., et al. Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden 2018: Methodologie en globale resultaten. Leiden / Heerlen: TNO / CBS; 2019. Bron
  2. TNO. Arbobalans 2018: Kwaliteit van de arbeid, effecten en maatregelen in Nederland. Leiden: TNO; 2018. Bron

Aantal beroepsziekten volgens zorgregistratie

Aantal nieuwe beroepsziektegevallen 420.600

In 2015 was het aantal nieuwe gevallen van een beroepsziekte 420.600. Dat blijkt uit schattingen van het RIVM op basis van volksgezondheid- en zorgregistraties. Het aantal nieuwe gevallen in de werkzame beroepsbevolking schat het RIVM op 390.500 (dat komt overeen met 4,7% van de werkzame beroepsbevolking). In de gepensioneerde beroepsbevolking komt het aantal nieuwe beroepsziektegevallen uit op 30.100. De schattingen op basis van zelfgerapporteerde gegevens (NEA) zijn lager, mogelijk omdat de cijfers van de NEA alleen werknemers betreffen en gepensioneerden niet worden meegeteld.

Beroepsziekten ook na pensioen

Beroepsziekten openbaren zich niet alleen tijdens het werkzame leven. Ook na het pensioen kunnen ziekten optreden die tijdens het werk zijn ontstaan. Blootstelling aan bijvoorbeeld carcinogene stoffen tijdens het werk kan, door de lange latentietijd, pas op latere leeftijd kanker veroorzaken. Zo treedt ruim 75% van de mesothelioomgevallen na het 65e jaar op (Eysink et al., 2017).

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Eysink PED, Hulshof TA, Poos MJJC. Gezondheidseffecten van asbest : Huidige en toekomstige omvang in Nederland. Bilthoven: RIVM; 2017. Bron
  2. TNO. Arbobalans 2018: Kwaliteit van de arbeid, effecten en maatregelen in Nederland. Leiden: TNO; 2018. Bron

Aantal beroepsziekten volgens bedrijfsartsen

Ongeveer 15.000 nieuwe gevallen van beroepsziekten in 2017

Een goed beeld van de totale gezondheidsschade door werk is er niet. Het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB) schat (via het Peilstation Intensief Melden) dat 179 werkenden per 100.000 werknemers in 2017 een beroepsziekte hebben opgelopen. Dat komt neer op ongeveer 15.350 nieuwe gevallen. Het aandeel werknemers met een medisch vastgestelde beroepsziekte komt hiermee op 0,18% van de totale werknemerspopulatie. Beroepsziekten komen ongeveer even vaak voor bij mannen als bij vrouwen en komen vaker voor in oudere leeftijdscategorieën. Zo is van het totaal aantal meldingen in 2017 bijna 20% voor mannen en bijna 15% voor vrouwen in de leeftijdscategorie 51-60 jaar (NCvB, 2018). De cijfers van het NCvB betreffen alleen werknemers; gepensioneerden worden niet meegeteld. Terwijl ziekten ook na het pensioen kunnen optreden die tijdens het werk zijn ontstaan.

Meer informatie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. NCvB. Beroepsziekten in Cijfers 2018. Amsterdam: Nederlands Centrum voor Beroepsziekten; 2018. Bron

Verantwoording

Definities
  • Beroepsziekten

    Beroepsziekten worden veroorzaakt door werk of arbeidsomstandigheden

    Beroepsziekten zijn aandoeningen die in hoofdzaak worden veroorzaakt door werk of arbeidsomstandigheden. Het betreft een diverse groep van ziekten, dus niet één specifieke ziekte. Dit maakt het moeilijker om het aantal mensen met een beroepsziekte te kunnen schatten.
    Beroepsziekte wordt op verschillende manieren gedefinieerd. Een beroepsziekte is in de Arbowet gedefinieerd als ‘een ziekte of aandoening als gevolg van een belasting die in overwegende mate in arbeid of arbeidsomstandigheden heeft plaatsgevonden’. Beroepsziekten treffen niet alleen werkenden, maar kunnen zich ook pas openbaren na het werkzame leven. Het gevolg is dat een deel van de beroepsziekten niet terugkomt in de gegevens over de werkzame beroepsbevolking. De cijfers in VZInfo zijn gebaseerd op verschillende bronnen, elk met een eigen operationalisatie van beroepsziekten. De operationalisatie geeft inzicht in de manier waarop gegevens uit deze bronnen zijn verzameld met vermelding van de voor- en nadelen (Zie: Bronverantwoording).

    Verschillende definities van beroepsziekten worden gehanteerd

    De keuze voor een definitie is afhankelijk van de context waarin, en het doel waarvoor de definitie wordt gebruikt. Andere veelgebruikte definities, naast de in deze bijdrage gebruikte definitie, zijn:

    • De wettelijke definitie is: ’Een ziekte of aandoening als gevolg van een belasting die in overwegende mate in arbeid of arbeidsomstandigheden heeft plaatsgevonden’. De definitie van het NCvB sluit hierbij aan (www.wetten.overheid.nl).
    • Juridisch-verzekeringsgeneeskundige definities worden gebruikt bij aansprakelijkheidskwesties of compensatieregelingen (voor uitkeringen). De criteria zijn streng. Binnen deze definities vallen bijna uitsluitend klassieke beroepsziekten zoals mesothelioom en lawaaislechthorendheid. Er is sprake van een exclusieve relatie tussen (één) oorzaak en (één) aandoening.
    • Bedrijfsgezondheidskundige definities zijn gericht op het vaststellen van een relatie tussen aandoening en arbeid en hebben een preventief doel. Ze zijn ruimer geformuleerd. Men spreekt hierbij wel van werkgebonden aandoeningen. Aandoeningen met meer dan één oorzaak kunnen ook als werkgebonden worden aangemerkt. Conform het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB) wordt beroepsziekte gedefinieerd als: 'Een klinisch waarneembare aandoening die in overwegende mate door het werk of arbeidsomstandigheden is veroorzaakt'. Of anders geformuleerd: 'Gezondheidsschade die er niet zou zijn geweest als de werkzaamheden niet zouden zijn uitgevoerd'. Deze definitie heeft een expliciet preventief doel en kent hierdoor criteria om vast te stellen in welke mate werk of arbeidsomstandigheden de oorzaak is. 

    Indeling beroepsziekten op basis van causaal verband

    De relatie tussen ziekte en werk is niet bij alle beroepsziekten even sterk en eenduidig. Een duidelijk causaal verband biedt meer aangrijpingspunten voor preventieve maatregelen. Grofweg kunnen beroepsziekten op basis van de mate van causaal verband in drie groepen worden ingedeeld:

    • Klassieke beroepsziekten
    • Werkgebonden aandoeningen
    • Aandoeningen die vaker voorkomen op groepsniveau

    Klassieke beroepsziekten hebben een duidelijke oorzaak

    Klassieke beroepsziekten zijn beroepsziekten met een duidelijk, vaak enkelvoudig, verband tussen oorzaak en aandoening. Voorbeelden zijn mesothelioom door asbest en astma door isocyanaten, een ingrediënt van onder andere harde lakken.

    Bij werkgebonden aandoeningen spelen meerdere oorzaken een rol

    Werkgebonden aandoeningen zijn aandoeningen waarbij de relatie met werk weliswaar aanwezig is (plausibiliteit), maar minder eenduidig is, omdat meerdere oorzaken een rol spelen. Voorbeelden zijn overspannenheid na overbelasting in het werk en rugklachten bij zwaar tillen. Hierbij kunnen ook privé-omstandigheden en een verminderde belastbaarheid een belangrijke rol spelen.

    Bij bepaalde aandoeningen is relatie met werk niet duidelijk aanwezig

    Er zijn ook aandoeningen die vaker voorkomen op groepsniveau, bijvoorbeeld bij bepaalde beroepsgroepen of in bepaalde arbeidsomstandigheden, maar waarbij de relatie met werk niet duidelijk aanwezig is. Een dergelijke relatie blijkt vaak alleen uit epidemiologisch onderzoek. In individuele gevallen is het daarom moeilijk een causaal verband aan te tonen. Een voorbeeld is een verhoogd risico op hart- en vaataandoeningen bij mensen die in ploegendienst (met nachtdiensten) werken.

    Werkzame beroepsbevolking

    In 2016 bestond de werkzame beroepsbevolking in Nederland uit 8,4 miljoen werkenden, waarvan 7 miljoen werknemers, 1 miljoen zelfstandig ondernemers zonder personeel (zzp’ers) en ruim 330 duizend zelfstandigen met personeel (CBS StatLine).

  • Mesothelioom en asbest

    Mesothelioom is een kwaadaardige aandoening veroorzaakt door asbest

    Mesothelioom is een kwaadaardige aandoening van de vliezen in de borstkas en longen en/of luchtwegen. Het kan in enkele gevallen ook in het hartzakje of in het buikvlies voorkomen. Mesothelioom is ook bekend onder de naam asbestkanker, want in ongeveer 85%-90% van de gevallen is er blootstelling geweest aan asbestvezels (Nederlands Kanker Instituut (NKI), 2016; Instituut Asbestslachtoffers, 2017). 

    Latentietijd mesothelioom is lang

    Mesothelioom komt vaker voor bij mannen: mannen maken zo’n 85-90% van de mesothelioomsterfgevallen uit. De tijd tussen blootstelling aan asbest en het ziek worden, de latentietijd, is bij mesothelioom zeer lang: 30-60 jaar. Dit betekent ook dat de meeste gevallen zich voordoen op latere leeftijd: ongeveer twee derde van de gevallen ontstaat bij personen ouder dan 75 jaar.

    Asbest bestaat uit kleine, naaldachtige vezels

    Asbest is een verzamelnaam voor natuurlijke mineralen die bestaan uit kleine, naaldachtige vezels. Deze zijn met het blote oog niet te zien. De gangbare omschrijving van een (lange) asbestvezel is een asbestdeeltje dat langer is dan 5 µm, een breedte heeft van minder dan 3 µm en een lengte/breedteverhouding van meer dan 3/1 (Arbeidsomstandighedenbesluit, 1997). Er zijn ook kortere vezels.
    Asbestvezels zijn onder te verdelen in twee hoofdgroepen:

    • Spiraalvormige of serpentijnachtige, waaronder chrysotiel (witte asbest).
    • Rechte of amfiboolachtige, waaronder crocidoliet (blauwe asbest), amosiet (bruine asbest), anthophylliet (gele asbest) en actinoliet (groene asbest). 

    De blauwe en bruine asbestvezels worden als gevaarlijker beschouwd dan de witte (Baas & Burgers, 2014; Dekkers et al., 2006; Gezondheidsraad, 1999).

    Inademen van asbest is risico voor gezondheid

    Asbestvezels zijn een risico voor de gezondheid als ze vrijkomen in de lucht en worden ingeademd. Zolang asbest vastzit in ander materiaal is het niet per se gevaarlijk; asbestvezels in water en voedsel lijken geen gevaar op te leveren voor de gezondheid (RIVM & Rikilt, 2014). Asbestvezels kunnen in de lucht vrijkomen bij verwerking, door slijtage, beschadiging of verwijdering van hechtgebonden asbest (Arboportaal, 2016; Atlas Leefomgeving, 2016; Rijksoverheid, 2017; RIVM, 2011).

    Wettelijke blootstellingsgrenswaarden voor bescherming werknemers

    In het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn wettelijke grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling aan verschillende typen van asbestvezels (chrysotiel en asbestamfibolen) opgenomen voor de bescherming van werknemers (Arbeidsomstandighedenbesluit, 1997). Een grenswaarde wil niet zeggen dat blootstelling aan concentraties onder de grenswaarden geen gezondheidseffecten oplevert. Het precieze werkingsmechanisme van asbest is niet bekend; uit voorzorg gaan de Gezondheidsraad en WHO ervan uit dat er voor asbest geen veilige grens is af te leiden (Gezondheidsraad, 2010; WHO, 2014).

    Twee risiconiveaus voor arbeidsgerelateerde grenswaarden

    De Gezondheidsraad gaat voor arbeidsgerelateerde grenswaarden uit van twee risiconiveaus: een verbodsrisiconiveau en een streefrisiconiveau. Het verbodsrisiconiveau gaat uit van één extra sterfgeval door kanker per 250 algemene sterfgevallen bij veertig jaar beroepsmatige blootstelling (oftewel een kans om te overlijden aan kanker van één per 10.000 sterfgevallen per jaar). Het streefrisiconiveau gaat uit van één extra sterfgeval door kanker per 25.000 algemene sterfgevallen uitgaande van veertig jaar beroepsmatige blootstelling. Deze laatste blootstellingsconcentratie komt overeen met een kans om te overlijden aan kanker van één per 1.000.000 sterfgevallen per jaar, en is gelijk aan het MTR voor milieu bij blootstelling gedurende een jaar. 

    Asbest nog steeds aanwezig in Nederland

    Asbest is vooral na 1950 veel toegepast in Nederland, onder meer in scheepsbouw, fabrieken, woningen en scholen. Sinds 1993 is het verboden om asbest te bewerken, te verwerken of in voorraad te houden (Arbeidsomstandighedenbesluit, 1997; Asbest-verwijderingsbesluit, 1993). Toch vindt nog steeds blootstelling plaats: het in het verleden toegepaste asbest is nog op veel plaatsen aanwezig. Zo kan bij gebouwen die voor 1 juli 1993 gebouwd zijn, asbest aanwezig zijn. Bij slopen, verwijderen of verbouwen van dit soort gebouwen kan iemand dus aan asbest worden blootgesteld. 

    Van primaire asbestindustrie naar blootstelling in en om het huis

    De gevallen van asbestgerelateerde gezondheidseffecten zijn een combinatie van verschillende typen (werk)blootstelling. 
    Oorspronkelijk was er vooral sprake van blootstelling in de scheepswerven, isolatiebedrijven en asbestcementindustrie, na 1960 was er een verschuiving waarneembaar van de primaire asbestindustrie naar de asbestgebruikende industrie, zoals bouw, oliewinning en spoorwegbouw en -onderhoud (Burdorf et al., 2009; Dahhan et al., 2003). Hoewel het sinds 1993 verboden is om asbest te bewerken, te verwerken of in voorraad te houden, en de asbestblootstelling in Nederland sindsdien (fors) lager is geworden, is het in het verleden toegepaste asbest nog aanwezig (bijvoorbeeld in oude gebouwen) en vindt nog steeds asbestblootstelling plaats. Tegenwoordig is een relatief steeds groter deel van de gevallen afkomstig van (onbewuste of onbedoelde) blootstelling anders dan de industrie, zoals klussen in een huis met asbest, maar ook van blootstelling, waarbij de bron onbekend of onduidelijk is (‘spontane gevallen’) (Burdorf et al., 2009; Darnton & Hutchings, 2012; Riley & McNab, 2016). Er zijn geen bruikbare gegevens beshcikbaar over hoeveel werknemers in Nederland aan welke waarden sinds 1993 zijn blootgesteld.

    Blootstelling op werkplek, door omgeving en onbekend

    Mensen kunnen dus nog steeds worden blootgesteld aan asbest tijdens werk en werkactiviteiten (werkgerelateerde blootstelling) of in de omgeving. Een (heel) klein deel van de gevallen kan niet worden verklaard door werkgerelateerde of omgevingsblootstelling. Deze gevallen noemen we ‘spontane gevallen’. Met werkgerelateerde blootstelling wordt alle blootstelling tijdens het werk en werkactiviteiten bedoeld. We rekenen tot de werkgerelateerde blootstelling ook alle blootstelling die plaatsvindt buiten het werk, maar die het gevolg is van werkactiviteiten van anderen. Een voorbeeld hiervan is blootstelling die plaatsvond door het wassen van werkkleding gedragen door asbestwerkers. Omgevingsblootstelling kan bijvoorbeeld plaatsvinden wanneer men woont of werkt in asbesthoudende gebouwen die in slechte staat verkeren. Er zijn geen bruikbare gegevens beschikbaar over hoeveel werknemers in Nederland aan welke waarden sinds 1993 zijn blootgesteld.
     

Bronverantwoording
  • Tabel: Bronnen bij de cijfers over beroepsziekten

    Bron

    Indicator in VZinfo

    Gepresenteerde populatie VZinfo

    Meer informatie

    Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB)

    Jaarprevalentie beroepsziekten

    Nederlandse beroepsbevolking

    NCvB, 2016

    Peilstation Intensief Melden (PIM)

    Incidentie (geregistreerd door >150 bedrijfsartsen)

    Nederlandse beroepsbevolking

    PIM

    Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA)

    Prevalentie (zelfgerapporteerd)

    Werknemers tussen de 15 en 75 jaar in Nederland

    NEA, Hooftman et al., 2019

    Zelfstandigen Enquête Arbeid (ZEA)

    Prevalentie (zelfgerapporteerd)

    Zelfstandigen in Nederland

    ZEA (TNO)

    CBS Doodsoorzakenstatistiek

    Prevalentie (zelfgerapporteerd)

    Nederlandse bevolking

    CBS Doodsoorzakenstatistiek

    Labour Force Survey

    Prevalentie (zelfgerapporteerd)

    Europese bevolking van 15 tot 65 jaar

    Eurostat

    Volksgezondheid- en zorgregistraties

    Incidentie, sterfte en ziektelast Nederlandse bevolking

    Gebaseerd op: NZRNKRLISCBS-DOS

     

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. NCvB. Beroepsziekten in Cijfers 2016. Amsterdam: Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB); 2016. Bron
    2. Hooftman W.E., Mars G.M.J., Janssen B., de Vroome E.M.M., Janssen B.J.M., Pleijers A.J.S., et al. Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden 2018: Methodologie en globale resultaten. Leiden / Heerlen: TNO / CBS; 2019. Bron
  • Meldingen en registraties beroepsziekten (NCvB)

    Voor de bepaling van de incidentie en prevalentie van beroepsziekten worden twee gegevensbronnen gebruikt van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB): Nationale Registratie Beroepsziekten en Peilstation Intensief Melden. Het NCvB registreert en signaleert beroepsziekten via het nationale melding- en registratiesysteem. Hierin worden meldingen van beroepsziekten door bedrijfsartsen geregistreerd. Volgens de Arbeidsomstandighedenwet is de bedrijfsarts of arbodienst verplicht om (vermoede) beroepsziekten te melden aan het NCvB. In aanvulling op deze Nationale Registratie Beroepsziekten worden in verschillende peilstations eveneens beroepsziekten geregistreerd met als doel betere cijfers te krijgen over het vóórkomen van beroepsziekten, zoals het Peilstation Intensief Melden (PIM).

    Nationale Registratie Beroepsziekten
    Het aantal meldingen schommelt al enige tijd rond de 6.500 per jaar en naar schatting is dit een onderrapportage van het werkelijke aantal (NCvB, 2012). De meest voorkomende beroepsziekten zijn de psychische aandoeningen, aandoeningen van het houdings- en bewegingsapparaat en gehooraandoeningen. De meeste meldingen van beroepsziekten zijn afkomstig van ongeveer dertig procent van de circa 1.750 bedrijfsartsen, dus van 500 à 600 bedrijfsartsen, 46% van de bedrijfsartsen meldt nooit een beroepsziekte (de ‘chronische nulmelders’) (De Zwart et al., 2014). Bedrijfsartsen in de bouwsector blijken beroepsziekten veel vaker te melden dan bedrijfsartsen in andere sectoren. De bouw is dan ook al jaren verantwoordelijk voor de meerderheid van het aantal beroepsziektemeldingen. In 2013 was 57 procent van de meldingen afkomstig van de bouw. Dat het aantal meldingen in de bouw relatief zo hoog ligt, is een gevolg van het in de bouw ontwikkelde systeem voor het signaleren en voorkomen van beroepsziekten, waarin het PAGO/PMO een cruciale rol speelt. In 2013 stelde I-SZW een onderzoek in onder bedrijfsartsen naar hun meldgedrag. Tussen oktober 2013 en mei 2014 is het aantal meldingen in de niet-bouw sectoren verdubbeld. Ook het aantal bedrijfsartsen dat meldde, is gestegen. Daarnaast heeft het NCvB een 6-stappenplan ontwikkeld om het aantal meldingen te verhogen (Lenderink, 2012).

    Bedrijfsartsen noemen als belemmerende factoren om te melden (SER, 2014):

    • Gebrek aan tijd om te melden en het feit dat de aan melden bestede tijd veelal niet declarabel is. In het contract met de bedrijfsarts zijn hierover vaak geen afspraken opgenomen. Dit komt vaker voor bij externe dan bij interne arbodiensten.
    • Onzekerheid over de juridische en/of economische consequenties van melden. Beroepsziektemeldingen zouden tot een claim van de werknemer bij de werkgever kunnen leiden, met eventuele consequenties voor de relatie en het contract tussen de bedrijfsarts en de werkgever.
    • Moeite met het herkennen en vaststellen van beroepsziekten. Dit geldt voor een deel van de bedrijfsartsen. Zij hebben onvoldoende kennis over de criteria die voor melding gelden en over de meldingsprocedure.
    • De arbeidsomstandigheden bij de bedrijven en instellingen waarvoor zij werken, zijn volgens een deel van de bedrijfsartsen goed, waardoor zij niet hoeven te melden. Er is daar voldoende aandacht voor preventie. Dit komt vaker voor bij interne dan bij externe arbodiensten.
    • Het belang van melden niet inzien en daar tegen een aversie hebben. Dit is de reden dat een klein deel van de bedrijfsartsen niet meldt. In het licht van de wettelijke verplichting tot melden is dit een opmerkelijke reden voor niet melden.

    Peilstation Intensief Melden (PIM)
    In 2009 is het Peilstation Intensief Melden van start gegaan. Dit is een project waar meer dan 150 gemotiveerde bedrijfsartsen aan deelnemen. Deze PIM-bedrijfsartsen worden door middel van workshops begeleid bij de diagnose en melding van beroepsziekten en zijn onderdeel van het PIM bedrijfsartsen netwerk. Dankzij deze begeleiding melden PIM-bedrijfsartsen ongeveer twee keer zoveel beroepsziekten als andere bedrijfsartsen. Daarnaast geven ze regelmatig door over hoeveel mensen zij de zorg hebben en uit welke sectoren die afkomstig zijn. Tegen deze ‘risicopopulatie’ kunnen de meldingen dan worden afgezet en kan het NCvB de incidentie berekenen (het aantal nieuwe gevallen per 100.000 werknemers per jaar). Op die manier wordt ook kennis verkregen over beroepsziekten bij specifieke groepen werknemers.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. NCvB. Beroepsziekten in Cijfers 2012. Amsterdam: Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB); 2012. Bron
    2. De Zwart BCH, Molenaar-Cox PGM, Oostveen A, Haanstra V. Versterken melding beroepsziekten: Resultaten vragenlijstonderzoek. Leiden: AStri Beleidsonderzoek en -advies; 2014. Bron
    3. Lenderink A. Het melden van beroepsziekten: Weten, willen, kunnen en mogen. Amsterdam: Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB); 2012. Bron
    4. SER. Betere zorg voor werkenden. Een visie op de toekomst van de arbeidsgerelateerde zorg. Den Haag: Sociaal Economische Raad (SER); 2014. Bron
  • Enquêtes arbeid en arbeidsomstandigheden (TNO)

    Voor de bepaling van de incidentie van beroepsziekten worden ook gegevens gebruikt uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) en de Zelfstandigen Enquête Arbeid (ZEA). De NEA is het grootste periodieke onderzoek naar de werksituatie van Nederlandse werknemers. De ZEA richt zich op de zelfstandig ondernemer. De hoofdthema’s in deze enquêtes zijn arbeidsomstandigheden, arbeidsmarkt, arbeidsvoorwaarden, arbo en gezondheid en duurzame inzetbaarheid. TNO voert de enquêtes uit in opdracht van het ministerie van SZW en in samenwerking met TNS NIPO en het CBS

    Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA)
    In de NEA wordt aan werknemers gevraagd of zij één of meer beroepsziekten hebben, om wat voor soort aandoening het gaat, in welke periode de beroepsziekten zijn ontstaan, en of de beroepsziekten zijn vastgesteld door een arts. De beroepsziekte is hier dus gedefinieerd als een ziekte die, volgens de werknemer, is ontstaan door het werk en bovendien (volgens de werknemer) is vastgesteld door een arts. De respondent werd gevraagd wanneer de ziekte is ontstaan: in het jaar voorafgaand aan bevraging, of al eerder. Dat betekent dat op basis van de NEA niet alleen een cijfer over de jaarincidentie van beroepsziekten kan worden gegeven, maar ook over de prevalentie ervan. Tot 2013 deden gemiddeld ruim 23.000 werknemers mee. Vanaf 2014 is de steekproef fors verhoogd. In 2015 vulden ruim 42.000 werknemers de NEA in. De verzamelde gegevens worden door weging representatief gemaakt, waardoor het mogelijk is om betrouwbare uitspraken te doen over alle werknemers van Nederland. Naast landelijke cijfers biedt de NEA gegevens voor verschillende sectoren en beroepsgroepen.

    Zelfstandigen Enquête Arbeid (ZEA)
    De ZEA is een enquête over de arbeidsomstandigheden en de inzetbaarheid van zelfstandig ondernemers (met en zonder personeel). In de ZEA 2015 zijn dezelfde vragen over beroepsziekten gesteld als in de NEA 2014. De definitie van beroepsziekte is dus vergelijkbaar met die van de NEA: een ziekte die volgens de zelfstandig ondernemer zelf is ontstaan door het werk en bovendien (opnieuw volgens de zelfstandig ondernemer) door een arts is vastgesteld. Ook in de ZEA wordt gevraagd wanneer de ziekte is ontstaan: in het jaar voorafgaand aan bevraging, of al eerder. Dat betekent dat ook op basis van de ZEA niet alleen een cijfer over de jaarincidentie kan worden gegeven, maar ook over de prevalentie. Ongeveer 5.000 zelfstandig ondernemers vulden de vragenlijst in.

  • Volksgezondheid en Zorg (VZ-)registraties (RIVM)

    Het RIVM verzamelt voor een selectie van ongeveer zestig veel voorkomende ziekten gegevens over het vóórkomen en de sterfte, onder meer ten behoeve van de Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV). Van deze VTV-ziekten is een selectie gemaakt van arbeidsgerelateerde aandoeningen. Van deze aandoeningen is de incidentie, sterfte en ziektelast en ‘het arbeidsgerelateerde deel’ geschat in de werkzame beroepsbevolking voor het jaar 2013 (zie methoden).

    De schattingen van de incidentiecijfers van de arbeidsgerelateerde VTV-ziekten komen uit ziektespecifieke bronnen en registraties. Zoals uit de huisartsenregistratie NZR (Nivel Zorgregistraties eerste lijn) van het NIVEL. De cijfers over kanker komen uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) van het Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL). De cijfers over letsel door arbeidsongevallen uit het Letsel Informatie Systeem (LIS) van VeiligheidNL en de doodsoorzaakspecifieke sterfte is afkomstig uit de CBS Doodsoorzakenstatistiek.

    Met de cijfers uit bovengenoemde bronnen zijn de sterfgevallen, incidentie en ziektelast geschat van verschillende beroepsziekten in zowel de werkzame beroepsbevolking als in de gepensioneerde beroepsbevolking. Beroepsziekten openbaren zich immers vaak nadat de pensioengerechtigde leeftijd is bereikt. Alleen de RIVM-gegevens bieden informatie over beroepsziekten die na de pensionering zijn ontstaan.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. Nivel Zorgregistraties eerste lijn, Nivel Zorgregistraties. zorggegevens.nl
    2. Nederlandse Kankerregistratie, NKR. zorggegevens.nl
    3. Letsel Informatie Systeem, LIS. zorggegevens.nl
    4. CBS Doodsoorzakenstatistiek, Doodsoorzakenstatistiek. zorggegevens.nl
  • Tabel: Bronnen bij de cijfers over mesothelioom

    Tabel: Gebruikte bronnen, maten en jaartallen voor mesothelioom

    Maat

    Bron

    Trends

    Huidig

    Toekomst

    Incidentie

    NKR

    1989-2016

    2016

    2017-2050

    Sterfte

    DOS

    1989-2016

    2016

    -

    10-jaarsprevalentie

    NKR

    -

    2015

    -

    Overleving

    NKR

    -

    2008-2012

    -

    PAFs

    Literatuur

    -

    -

    -

     

    DOS= CBS-Doodsoorzakenstatistiek

    NKR= Nederlandse Kankerregistratie

    PAFs= Populatie attributieve fracties zijn afkomstig uit de literatuur

Methoden
  • Beroepsziekten: schattingen incidentie, prevalentie en sterfte

    Voor de bepaling van de incidentie, prevalentie en sterfte van beroepsziekten worden gegevens gebruikt uit PIM (NCvB), Nationale melding- en registratiesysteem (NCvB), NEA (TNO) en Volksgezondheid- en Zorgregistraties bewerkt door het RIVM. Het RIVM schat op basis van de literatuur hoeveel ziektegevallen op basis van de volksgezondheid- en zorgregistraties in de werkzame en gepensioneerde beroepsbevolking werkgerelateerd zijn. In de NEA moeten werknemers zelf inschatten of hun ziekte een gevolg van hun beroep is. En in PIM doen de bedrijfsartsen dat. Het kan voorkomen dat bedrijfsartsen of werknemers zelf, onterecht een link tussen een ziekte of het werk niet leggen, waardoor een ziekte die door werk is ontstaan niet altijd als een beroepsziekte wordt geclassificeerd. Het omgekeerde kan ook voorkomen: werknemers leggen een link met hun beroep die er niet is.
    De cijfers van PIM, de Beroepsziektenregistratie en NEA worden gebruikt zoals aangeleverd door NCvB en TNO. Voor de incidentie, prevalentie en sterfte van de VTV-ziekten door arbeid is het arbeidsgerelateerde deel geschat.

    Voor schattingen over het vóórkomen van de ziekte en de sterfte eraan maken we zoveel mogelijk gebruik van de gegevens uit Volksgezondheid- en Zorgregistraties die worden verzameld voor de VTV, De Staat en VZInfo. Met de cijfers uit deze registraties en bronnen is de sterfte, incidentie en ziektelastvan de verschillende ziekten in zowel de werkzame beroepsbevolking als in de gepensioneerde beroepsbevolking geschat. Beroepsziekten openbaren zich immers ook vaak na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. De RIVM-data vormen de enige bron waarmee hierop licht kan worden geworpen. De schatting van de incidentie van beroepsziekten en de sterfte als gevolg van werkgerelateerde aandoeningen in de beroepsbevolking en de ziektelastzijn, waar mogelijk, gebaseerd op gekoppelde gegevens. Hiervoor zijn de gegevens uit de Nivel Zorgregistraties eerste lijn en de CBS Doodsoorzakenstatistiek gekoppeld aan CBS-gegevens voor de werkzame beroepsbevolking: ‘CBS Baankenmerken’. Daar waar koppeling van de gegevens niet mogelijk of wenselijk was, is de schatting van de incidentie, sterfte en ziektelast in de werkzame beroepsbevolking gebaseerd op de fractie werkenden per vijfjaarsleeftijdsgroep en geslacht.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. Nivel Zorgregistraties eerste lijn, Nivel Zorgregistraties. zorggegevens.nl
    2. CBS Doodsoorzakenstatistiek, Doodsoorzakenstatistiek. zorggegevens.nl
  • Schattingen ziektelast

    De ziektelast, uitgedrukt in DALY’s, geeft de hoeveelheid gezondheidsverlies door ziekte weer, waarbij vroegtijdige sterfte, de mate van vóórkomen van gezondheidsproblemen en de ernst van de gezondheidsproblemen worden meegenomen. De DALY is opgebouwd uit twee componenten: de jaren geleefd met ziekte (uitgedrukt in ziektejaarequivalenten) en de jaren verloren door vroegtijdige sterfte (uitgedrukt in verloren levensjaren). Met behulp van de DALY zijn de gevolgen van verschillende ziekten rechtstreeks met elkaar te vergelijken. Met de DALY-aanpak wordt niet alleen de ziektelast van de werkzame bevolking in kaart gebracht, maar ook die van de gepensioneerde beroepsbevolking. Dat is belangrijk omdat die laatste groep in enquêtes en beroepsziektemeldingen buiten beeld blijft, terwijl zij wel de gevolgen kunnen ondervinden van een beroepsziekte opgedaan tijdens het werkzame leven. Voor de arbeidsgerelateerde ziektelastschattingen sluiten we aan bij de VTV-2018 (VTV-2018). Voor de VTV2018 is de prevalentie en daarmee de ziektejaarequivalenten en ziektelast voor multimorbiditeit gecorrigeerd. Dit hebben we gedaan omdat een persoon meerdere aandoeningen kan hebben. Een optelling van de wegingsfactoren van de afzonderlijke ziekten zou zonder multimorbiditeitscorrectie een overschatting van het aantal ziektejaarequivalenten opleveren. In werkelijkheid zal de ernst meestal lager zijn dan de som van de afzonderlijke wegingsfactoren waardoor een multimorbiditeitscorrectie nodig is (Hilderink et al., 2016). Ook hebben we voor de VTV2018 een betere schatting kunnen maken van het totaal aantal DALY’s in Nederland.

    De World Health Organization (WHO) berekent ook de ziektelast van beroepsziekten in de Global Burden of Disease maar daarin zijn psychische aandoeningen en gezondheidsschade bij de gepensioneerde bevolking niet meegenomen en in de schattingen van het RIVM wel (Eysink et al., 2007).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Hilderink HBM, Plasmans MHD, Snijders BEP, Boshuizen HC, Poos M.JJC, van Gool CH. Accounting for multimorbidity can affect the estimation of the Burden of Disease: a comparison of approaches. Archives of Public Health. 2016;74(37). Bron | DOI
    2. Eysink PED, Blatter BM, van Gool CH, Gommer AM, van den Bossche SNJ, Hoeymans N. Ziektelast van ongunstige arbeidsomstandigheden in Nederland. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2007. Bron
  • Populatie Attributieve Fracties (PAF)

    Het door arbeid veroorzaakte deel van de ziekte of sterfte is berekend in de werkzame en gepensioneerde beroepsbevolking met behulp van Populatie Attributieve Fracties (PAF) voor de betreffende ziekten (VTV-2018 Integratiematen achtergrondrapport; Eysink et al., 2012; Eysink et al., 2007). De PAF geeft aan hoeveel procent van het gezondheidsverlies door de betreffende aandoening is toe te schrijven aan ongunstige arbeidsomstandigheden. Voor een aantal ziekten is een (internationale) PAF aanwezig die ook gebruikt kan worden voor Nederland. Dit betreft de kankers en astma en COPD. Voor andere ziekten moet de PAF worden geschat met behulp van de prevalentie van de risicofactor in de populatie en een maat voor de sterkte van het verband tussen de risicofactor en de ziekte, meestal het relatieve risico (RR) of de Odds Ratio (OR). Voor informatie over blootstelling aan de diverse arbeidsomstandigheden is vooral gebruik gemaakt van de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA). RR’s en OR’s zijn afkomstig uit de literatuur. Voor psychische aandoeningen, hart- en vaatziekten, aandoeningen van het bewegingsapparaat, contacteczeem en rinitis zijn de PAFs op deze manier berekend. De verschillende arbeidsomstandigheden bij een ziekte mogen we niet altijd bij elkaar optellen vanwege de zeer waarschijnlijke overlap van arbeidsomstandigheden waaraan werknemers zijn blootgesteld. Voor aandoeningen waarvoor geen totale PAF (een PAF die alle arbeidsrisico’s dekt, zoals alle stoffen) en dus geen totale ziektelast als gevolg van arbeidsrisico’s aanwezig is, gaan we uit van het arbeidsrisico dat de meeste ziektelast veroorzaakt. De totale ziektelast van die aandoening kan namelijk nooit lager zijn dan de ziektelast van één van de arbeidsrisico’s.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Eysink PED, Dekkers SAJ, Janssen P, Poos MJJC, Meijer SA. Ziektelast van ongunstige arbeidsomstandigheden in Nederland, 2012. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2012. Bron
    2. Eysink PED, Blatter BM, van Gool CH, Gommer AM, van den Bossche SNJ, Hoeymans N. Ziektelast van ongunstige arbeidsomstandigheden in Nederland. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2007. Bron
  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.

  • Methoden mesothelioom

    Morbiditeit en mortaliteit: huidige omvang mesothelioom

    De huidige incidentie en sterfte voor Nederland is geschat met behulp van data voor de gehele populatie. Mesothelioom wordt voornamelijk veroorzaakt door asbest (Gezondheidsraad, 2005; De Bruin et al., 2009). De cijfers over mesothelioom betreffen voornamelijk asbestgerelateerde cijfers. Vermoedelijk ontstaat een klein deel door andere blootstelling; zo komt mesothelioom bijvoorbeeld ook voor bij patiënten die bestralingstherapie hebben ondergaan. Maar dat laten we hier buiten beschouwing; uitgangspunt is dat mesothelioom alleen door asbest wordt veroorzaakt. 

    Vervolgens is geschat welk deel door werk is ontstaan. In Nederland zijn weinig gegevens beschikbaar over werkgerelateerde ziekten in Nederland (Arbobalans, 2016). Daarom hebben we gegevens van de gehele populatie gebruikt en geschat welk deel door werk is ontstaan. We hebben PAF’s gebruikt om dit door werk ontstane deel te schatten. De PAF geeft bijvoorbeeld aan hoeveel procent van het totale gezondheidsverlies is toe te schrijven aan werkgerelateerde factoren. Op deze manier kunnen we een schatting maken van de bijdrage van asbestblootstelling op de werkplek aan de morbiditeit en mortaliteit in Nederland. 

    Populatie Attributieve Fracties

    Betrouwbare gegevens over morbiditeit en mortaliteit als gevolg van beroep of werkgerelateerde blootstelling zijn meestal niet aanwezig. Daarom wordt internationaal de Populatie Attributieve Fractie-methode (PAF) veel gebruikt om het door werk veroorzaakte deel van een ziekte te schatten (Jongeneel et al., 2016). De PAF geeft aan hoeveel procent van het totaal aantal ziekte- of sterfgevallen is toe te schrijven aan risicofactoren zoals arbeidsrisico’s. Bij mesothelioom gaat het dan om blootstelling aan asbest tijdens het werk als arbeidsrisico. De PAF geeft in dit geval aan de proportie personen met mesothelioom dat is toe te schrijven aan asbestblootstelling op het werk. De PAF kan worden gezien als de proportie gevallen die niet zouden zijn opgetreden in afwezigheid van de blootstelling. De PAF is gebaseerd op de prevalentie van de risicofactor in de populatie en een maat voor de sterkte van het verband tussen risicofactor en ziekte, meestal het relatieve risico (RR). 

    Er is een relatie tussen de blootstelling aan asbest en het risico op een asbestgerelateerde ziekte. De gevallen van asbestgerelateerde effecten zijn een combinatie van verschillende typen blootstelling en (relatieve) risico’s. Oorspronkelijk was er sprake van primaire asbestindustrie met een hoge blootstelling en hoge risico’s, maar relatief klein in aantal. De asbestblootstelling verplaatste zich naar asbestverwerking, waarbij een iets grotere populatie was blootgesteld aan lagere concentraties met een lager risico op ziekte. De derde groep ontstaat door blootstelling aan lage concentraties asbest en omvat de gehele bevolking. De risico’s op asbestgerelateerde ziekten zijn hierbij laag.

    Risicofactoren met een hoog relatief risico (RR) kunnen op populatieniveau toch weinig gezondheidsverlies met zich meebrengen als weinig mensen aan de risicofactor zijn blootgesteld (lage PAF). Andersom kunnen risicofactoren met een lage RR veel gezondheidsverlies in de populatie geven als veel mensen aan deze risicofactor zijn blootgesteld (hoge PAF).

    In de literatuur zijn PAF’s voor mannen en PAF’s voor vrouwen bekend. De PAF’s voor mannen en vrouwen verschillen, omdat het type blootstelling (werk, omgeving) en het bijbehorende blootgestelde percentage mannen en vrouwen verschilt
    Op basis van de beschikbare informatie over de PAF’s is een PAF als gevolg van werk (inclusief ‘paraoccupational’) verondersteld van 90-95% voor de mannen en van 60% voor vrouwen, waarbij voor vrouwen het aandeel ‘paraoccupational’ relatief groot is. 

    Tabel 4.1: Populatie Attributieve Fracties voor mesothelioom als gevolg van blootstelling door arbeid en andere blootstellingsroutes uit internationale literatuur 

    Studie

    Land

    Blootstelling

    PAF Mannen

    PAF Vrouwen

    Darnton & Hutchings, 2012

    VK

    Arbeid

    85-90

    20-30

     

     

    ‘Para’ c)

    6-13

    45-70

     

     

    Achtergrond

    2-4

    10-25

    Sinninghe Damsté et al., 2007 b)

    Nederland

    Arbeid

    -

    14

     

    ‘Para’ c)

    -

    21

     

    Omgeving

    -

    50

    Offermans et al., 2014 d)

    Nederland

    Arbeid

    31,9-34,3

    -

    Lacourt et al., 2014

    Frankrijk

    Arbeid

    83,1

    41,7

     

     

    Overall

    87,3

    64,8

    Goldberg et al., 2006

    Frankrijk

    Arbeid

    83,2

    38,4

    Nurminen & Karjalainen, 2001

    Finland

    Arbeid

    90

    25

    Spirtas et al., 1994

    VS

    Arbeid

    ‘Para’

    84,7

    6,3

    22,5

    7,9

    a.    Voor meer informatie over de PAF’s berekend in de genoemde studies zie Bijlage 4. 
    b.    Studie is uitgevoerd in een gebied met veel asbestblootstelling vergeleken met de rest van Nederland. De bijdrage van het milieu is hierin overschat.
    c.    ‘Paraoccupational’: type blootstelling, dit betreft vaak blootstelling via werkactiviteiten van anderen, soms (zoals bij Darnton & Hutchings) inclusief omgevingsblootstelling. In dit rapport rekenen wij ‘paraoccupational’ tot de werkgerelateerde blootstelling (Paragraaf 2.1.3). PAF’s van verschillende typen blootstelling uit verschillende studies kunnen niet bij elkaar worden opgeteld.
    d.    Studie gebaseerd op een andere methode, zie bijlage 4.


    Trends

    Voor de periode 1989 tot en met 2016 zijn cijfers beschikbaar van de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) van het Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL) voor de incidentie van mesothelioom en longkanker. Per geslacht zijn voor elke kanker zowel de absolute als de aantallen per 100.000 (incidentierates) weergegeven voor alle 5-jaarsleeftijdscategorieën. Met behulp van deze incidentiecijfers hebben we voor mesothelioom de trend voor mannen en vrouwen in de periode 1989-2016 geanalyseerd. 

  • Toekomstscenario's mesothelioom

    Toekomstscenario’s 2017-2050

    Aan de hand van beschikbare gegevens hebben we met trendscenario’s de toekomstige aantallen ziektegevallen voor de periode 2017-2050 geschat (volgens de de VTV-2018 Trendscenario’s (RIVM, 2017)). De toekomstprojecties zijn gebaseerd op een combinatie van demografische en epidemiologische projecties.

    Om een schatting te maken van het aantal gevallen met mesothelioom door werkgerelateerde asbestblootstelling in de toekomst, hebben we met behulp van een leeftijd-cohortmodel voor beide kankers trendscenario’s uitgewerkt. 

    Voor de periode 2017-2050 hebben we geschat hoeveel mensen mesothelioom en asbestlongkanker zullen ontwikkelen (incidentie). 
    De geregistreerde mesothelioomgevallen van het IKNL over de periode 1989-2016 voor mannen en vrouwen zijn omgerekend naar incidentierates. Hierbij is gebruikgemaakt van de leeftijds- en geslachtspecifieke bevolkingsaantallen van het CBS over dezelfde periode. De incidentiecijfers zijn vermenigvuldigd met de PAF voor werkgerelateerde en voor omgevingsblootstelling uit de literatuur. Voor mannen en vrouwen is een aparte PAF gebruikt.

    Voor de werkgerelateerde analyses hebben we het periode-leeftijdbestand van het IKNL omgezet naar een leeftijd-cohortbestand, waarbij cohort betrekking heeft op de geboortecohorten. De geboortecohorten reflecteren de asbestblootstelling in de tijd en daarmee ook de sterk veranderde blootstelling. Met een Poisson-regressiemodel hebben we de leeftijdsspecifieke rates gefit voor de geboortecohorten 1890-2016, overeenkomend met leeftijden 0-99 en periode 1989-2016. De incidentierates worden beschreven met tweedimensionale P-splines. Het model is vervolgens gebruikt om de leeftijdsspecifieke incidentierates te extrapoleren naar de toekomst en terugvertaald naar de periode 2017-2050. Deze geschatte incidentierates zijn vermenigvuldigd met de verwachte populatie-aantallen over de periode 2017-2050 (CBS-bevolkingsprognose 2016) om absolute aantallen te krijgen. 

    Voor de omgevingsblootstelling van mesothelioom zijn we uitgegaan van het gemiddelde van de waargenomen incidentierates over 2014-2016. Dit hebben we gedaan omdat mesothelioom kleine aantallen betreft en toeval dan een belangrijke factor is. We veronderstellen dat deze leeftijd- en geslachtspecifieke incidentierates gelijk blijven in de toekomst. Deze incidentierates hebben we vervolgens vermenigvuldigd met de verwachte populatie-aantallen per leeftijdsgroep over de periode 2017-2050 (CBS-bevolkingsprognose 2016) om absolute aantallen te krijgen. 


    Vier scenario’s voorspellen toekomstige incidentie mesothelioom

    De gezondheidseffecten van asbestblootstelling zijn 25 jaar na het verbod op asbest in 1993 nog steeds zichtbaar. Meer mensen dan ooit worden gediagnosticeerd met mesothelioom. Maar wanneer zien we de effecten van het asbestverbod terug in het aantal mensen dat wordt gediagnosticeerd met mesothelioom? Om dat te schatten, heeft het RIVM vier trendscenario’s opgesteld.

    In 1993 is het asbestverbod ingesteld, dat heeft geleid tot een forse daling van de asbestblootstelling. Maar het is niet bekend hoeveel mensen er nog zijn blootgesteld geweest en tegenwoordig nog zijn blootgesteld aan asbest. 

    1. Dit scenario veronderstelt dat er sinds 1993 geen asbestblootstelling op de werkplek meer heeft plaatsgevonden. In dit scenario worden de incidentierates van geboortecohort 1975 en de jongere geboortecohorten (geboren na 1975) naar (bijna) nul ‘geforceerd’. De incidentierates van de geboortecohorten geboren voor 1975 volgen het natuurlijke scenario. De incidentierates van het milieugerelateerde deel zijn constant.
    2. Dit scenario veronderstelt dat de werkgerelateerde blootstelling fors is verminderd sinds 1993, maar dat ondanks het verbod op het gebruik van asbest in de industrie en het verbeteren van de werkomgeving niet alle blootstelling aan asbest is geëlimineerd en werknemers (onbewust) blootgesteld zijn geweest. Het werkgerelateerde deel van het geboortecohort 1975 en daarmee ook de jongere geboortecohorten, worden naar een incidentie van 10-6 geforceerd (beleidsmatig komt dit overeen met een verwaarloosbaar risiconiveau voor milieu). De incidentierates van de geboortecohorten geboren voor 1975 worden geanalyseerd via het natuurlijke scenario en de incidentierates van het milieugerelateerde deel zijn constant.
    3. Scenario 3 veronderstelt dat de risiconiveaus op de werkplek zijn teruggebracht naar het streefrisiconiveau voor arbeid en het maximaal toelaatbaar risico voor milieu. Dit is gelijk aan het risiconiveau van één per 10.000 gevallen per jaar, ofwel het risiconiveau bij veertig jaar beroepsmatige blootstelling van één extra sterfgeval door kanker per 25.000 algemene sterfgevallen. Dit scenario forceert de incidentierates van het geboortecohort 1975, en daarmee ook de jongere geboortecohorten, naar 10-5. De incidentierates van de geboortecohorten geboren voor 1975 volgen het natuurlijke scenario, de incidentierates van het milieugerelateerde deel worden constant verondersteld.
    4. Scenario 4 gaat uit van een aandeel werk (inclusief ‘paraoccupational’) dat lager is dan in scenario’s 1-3: de PAF’s voor werkgerelateerde blootstelling voor mannen is in dit scenario 85%, voor vrouwen 40%. Tevens gaat dit scenario ervan uit dat de risiconiveaus op de werkplek zijn teruggebracht naar concentraties die overeenkomen met een kans van één op 1.000.000: de geboortecohorten geboren na 1975 hebben een geringe kans om mesothelioom te ontwikkelen. De incidentierates van geboortecohort 1975 en daarmee ook de jongere geboortecohorten, worden geforceerd naar 10-6. De incidentierates van de geboortecohorten geboren voor 1975 worden geanalyseerd volgens het natuurlijke scenario. Alle geboortecohorten hebben kans op het ontwikkelen van mesothelioom door omgevingsblootstelling; deze incidentierates worden constant verondersteld.