Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

AstmaCijfers & ContextSterfte

Cijfers & Context

641.000 mensen met astma

Regionaal & Internationaal

Meeste inwoners met astma in Flevoland

Kosten

422 miljoen euro voor zorg astma

Preventie & Zorg

In 2011 ruim 8.000 ziekenhuisopnamen voor astma

Sterfte door astma

In 2017 in totaal 160 sterfgevallen door astma

In 2017 overleden in totaal 160 personen aan astma: 46 mannen en 114 vrouwen (0,5 per 100.000 mannen en 1,3 per 100.000 vrouwen). Vooral op hogere leeftijd sterven mensen als gevolg van astma.

Datum publicatie

26-09-2018

Verantwoording

Definities
  • Astma is een chronische ontsteking van de luchtwegen

    Astma is een chronische ontsteking van de luchtwegen, die samen gaat met een vernauwing en een verhoogde prikkelbaarheid van de luchtwegen. Dit resulteert bij patiënten in kortademigheid, benauwdheid, piepend ademhalen en hoesten (met name 's nachts en 's ochtends). Bij kinderen zijn de klachten voornamelijk piepen en hoesten, bij kinderen jonger dan één jaar ’volzitten’ en ’zagen’. De klachten treden op in aanvallen, die van korte of langere duur kunnen zijn. De aanvallen en perioden met klachten worden afgewisseld met klachtenvrije perioden.

  • Aanvallen door allergische reacties of aspecifieke hyperreactiviteit

    De aanvallen van kortademigheid en hoesten bij astma zijn het gevolg van een allergische reactie en/of een aspecifieke hyperreactiviteit. Bij een allergie reageert het lichaam op prikkels (allergenen) waarvan niet-allergische personen geen last hebben. Zulke prikkels of allergenen zijn bijvoorbeeld graspollen, huisstof(mijt), kattenharen, schimmelsporen. Bij een aspecifieke hyperreactiviteit bestaat een gevoeligheid van de luchtwegen voor allerlei (niet-allergene) prikkelende stoffen en/of fysische prikkels die de luchtwegen binnendringen zoals koude lucht, mist, rook, baklucht en parfum. Niet iedereen heeft last van alle mogelijke prikkels en ook niet iedereen heeft evenveel last. Het verschilt per persoon hoe en wanneer iemand reageert op een bepaalde prikkel. De ene dag wordt iemand sneller benauwd dan de andere dag en ook per seizoen verschillen de klachten vaak.

  • Astma en COPD zijn verschillende aandoeningen

    Bij zowel astma als COPD is bronchusobstructie een centraal kenmerk. De pathofysiologie van de luchtwegobstructie is echter verschillend. Bij astma wisselen de mate van hyperreactiviteit en de bronchusobstructie, en daarmee de ernst van de symptomen, in de loop van de tijd. De bronchusobstructie en hyperreactiviteit zijn meestal voorbijgaand en zijn afhankelijk van de mate van blootstelling aan prikkels. Bij COPD is de obstructie vrijwel continu in ongeveer dezelfde mate aanwezig. Er is een veel minder direct verband tussen de mate van hyperreactiviteit, de klachten en de ernst van de bronchusobstructie. Reversibiliteit op bronchusverwijders is een belangrijke manier om astma van COPD te onderscheiden; bij astma verbetert de longfunctie na toediening van een bronchusverwijder. Bij kinderen komt COPD niet voor.

  • Veel kinderen met astma zijn atopisch

    Ongeveer de helft tot driekwart (afhankelijk van onder andere de leeftijd) van de kinderen met astma is atopisch (Pinart et al., 2014; Wijga et al., 2011). Zij hebben een verhoogd Immunoglobuline E (IgE) tegen specifieke allergenen in hun bloed, een teken dat hun immuunsysteem allergisch reageert. Waarschijnlijk worden deze kinderen al vroeg in het leven overgevoelig voor allergenen, mogelijk omdat het immuunsysteem van kinderen nog niet voldoende ontwikkeld is.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Pinart M, Benet M, Annesi-Maesano I, von Berg A, Berdel D, Carlsen KCL, et al. Comorbidity of eczema, rhinitis, and asthma in IgE-sensitised and non-IgE-sensitised children in MeDALL: a population-based cohort study. Lancet Respir Med. 2014;2(2):131-40. Pubmed | DOI
    2. Wijga AH, van Buul LW, Blokstra A, Wolse A PH. Astma bij kinderen tot 12 jaar : Resultaten van het PIAMA-onderzoek. Bilthoven: RIVM; 2011. Bron
  • Belangrijkste allergenen zijn huisstofmijt, huidschilfers en pollen

    De belangrijkste allergenen in Nederland zijn huisstofmijt, huidschilfers van katten en honden, berken- en graspollen (die hooikoorts veroorzaken) (de Groot et al., 1990). Allergie tegen binnenshuis voorkomende allergenen, zoals allergenen van huisstofmijt, kat en hond, ontstaat vaak bij kinderen tussen twee en vijf jaar oud. Daarna treden de allergenen die buiten voorkomen, zoals berken- en graspollen, meer op de voorgrond. Een verhoogd specifiek IgE betekent niet altijd dat iemand ook allergische klachten heeft.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. de Groot H, Stapel SO, Aalberse RC. Statistical analysis of IgE antibodies to the common inhalant allergens in 44,496 sera. Ann Allergy. 1990;65(2):97-104. Pubmed
  • Astmaklachten gaan vaak samen met eczeem en hooikoortsklachten

    Kinderen met astma hebben, behalve astmaklachten, vaak ook eczeem en/of hooikoorts. Uit Europees onderzoek, waarin 12 studies in 8 verschillende landen samenwerken, blijkt dat een derde (op leeftijd vier jaar) tot de helft (op leeftijd 8 jaar) van de kinderen met astma ook eczeem en/of hooikoorts heeft. Ook bij kinderen met astma die geen verhoogd IgE tegen specifieke allergenen hebben, komen eczeem en/of hooikoorts vaker voor dan bij kinderen zonder astma (Pinart et al., 2014). In de Nederlandse PIAMA-studie bleek eczeem ongeveer 1,5 tot 2 keer zo vaak voor te komen bij kinderen met astmasymptomen als bij kinderen zonder astmasymptomen. Hooikoortsklachten kwamen ongeveer vier keer zo vaak voor bij kinderen met astmasymptomen (Wijga et al., 2011).

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. PIAMA, Preventie en Incidentie van Astma en Mijt Allergie geboortecohort. zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. Pinart M, Benet M, Annesi-Maesano I, von Berg A, Berdel D, Carlsen KCL, et al. Comorbidity of eczema, rhinitis, and asthma in IgE-sensitised and non-IgE-sensitised children in MeDALL: a population-based cohort study. The Lancet Respiratory Medicine. 2014;2(2):131-140. Bron | DOI
    2. Wijga AH, van Buul LW, Blokstra A, Wolse A PH. Astma bij kinderen tot 12 jaar : Resultaten van het PIAMA-onderzoek. Bilthoven: RIVM; 2011. Bron
  • Kinderen hebben al op jonge leeftijd klachten

    Astma ontstaat vaak al in de eerste levensjaren. Bij kinderen is astma de meest voorkomende chronische ziekte. Veel kinderen die op latere leeftijd astma ontwikkelen, hebben al recidiverende luchtwegklachten voordat ze vier jaar zijn. Sommigen vertonen al symptomen van astma gedurende het eerste levensjaar. Maar het is niet zo dat alle kinderen die als peuter of kleuter luchtwegklachten hebben, nog steeds symptomen of astma hebben als ze ouder zijn. Bij de meeste jonge kinderen met astmaklachten zijn deze klachten van voorbijgaande aard (Martinez et al., 1995; Wijga et al., 2011; Eysink et al., 2005). Als jonge kinderen met astmaklachten ook eczeem hebben, als ze astmatische ouders hebben en als hun episoden van piepend ademhalen frequent zijn, dan is het onwaarschijnlijker dat de astmaklachten over zullen gaan (Caudri et al., 2009).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Martinez FD, Wright AL, Taussig LM, Holberg CJ, Halonen M, Morgan WJ. Asthma and wheezing in the first six years of life. The Group Health Medical Associates. N Engl J Med. 1995;332(3):133-8. Pubmed | DOI
    2. Wijga AH, van Buul LW, Blokstra A, Wolse A PH. Astma bij kinderen tot 12 jaar : Resultaten van het PIAMA-onderzoek. Bilthoven: RIVM; 2011. Bron
    3. Eysink PED, ter Riet G, Aalberse RC, van Aalderen WMC, Roos CM, van der Zee JS, et al. Accuracy of specific IgE in the prediction of asthma: development of a scoring formula for general practice. Br J Gen Pract. 2005;55(511):125-31. Pubmed
    4. Caudri D, Wijga AH, C Schipper MA, Hoekstra M, Postma D, Koppelman GH, et al. Predicting the long-term prognosis of children with symptoms suggestive of asthma at preschool age. J Allergy Clin Immunol. 2009;124(5):903-10.e1-7. Pubmed | DOI
  • Luchtwegklachten kunnen verdwijnen en later weer terugkomen

    Volwassen astmapatiënten zijn in overgrote meerderheid mensen die ook als kind al astma hadden. Gedurende het leven kunnen zich perioden voordoen met meer en met minder klachten en zelfs perioden (vaak gedurende de adolescentie) zonder klachten (Vonk et al., 2004; Vink et al., 2010). De behandeling van astma is erop gericht om klachten te beperken en astma-aanvallen en verslechtering van de longfunctie te voorkomen. Astma is echter niet te genezen.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Vonk JM, Postma D, Boezen HM, Grol MH, Schouten JP, Koëter GH, et al. Childhood factors associated with asthma remission after 30 year follow up. Thorax. 2004;59(11):925-9. Pubmed | DOI
    2. Vink NM, Postma D, Schouten JP, Rosmalen JGM, Boezen HM. Gender differences in asthma development and remission during transition through puberty: the TRacking Adolescents' Individual Lives Survey (TRAILS) study. J Allergy Clin Immunol. 2010;126(3):498-504.e1-6. Pubmed | DOI
  • Complicaties verergeren het ziektebeeld

    Veel voorkomende complicaties zijn bacteriële en/of virale luchtweginfecties. Daarnaast is er een kleine groep patiënten met ernstig astma, bij wie, ondanks behandeling met medicijnen, de klachten niet goed onder controle te krijgen zijn. Een complicatie die weinig voorkomt, maar wel ernstig is, is ernstig zuurstoftekort en onvoldoende uitademing van koolzuur (respiratoire insufficiëntie).

  • Classificatie van astma volgens ICD-codes en ICPC

    Astma valt binnen de ICD-9 onder de chronische obstructieve longziekten en aanverwante aandoeningen (code 493). Binnen de ICD-10 valt astma onder de chronische aandoeningen van onderste luchtwegen (codes J45 (astma) en J46 (status astmaticus)). In huisartsenregistraties wordt gebruik gemaakt van een indeling op grond van ICPC-code. De ICPC-code voor astma is R96.

  • Diagnose gesteld op basis van anamnese, lichamelijk onderzoek en aanvullend onderzoek

    De (huis)arts stelt de diagnose astma op basis van de anamnese, lichamelijk onderzoek (beluisteren van de longen) en aanvullend onderzoek (longfunctiemeting).

    Overzicht van de mogelijkheden voor diagnostiek van astma

    Anamnese

    Anamnese

    Arts vraagt onder andere naar klachten over piepen, hoesten, kortademigheid, hyperreactiviteit en allergie.

    Aanvullend onderzoek

    Longfunctie met piekstroommeter of spirometer

    De arts meet met een spirometer de grootte van het volume dat wordt uitgeademd en of de lucht goed en snel uitgeademd kan worden.

    Reversibiliteitstest

    De longfunctie wordt bepaald voor en na toediening van een zogenaamde luchtwegverwijder. Als de longfunctie na toediening van de luchtwegverwijder verbetert, is er waarschijnlijk sprake van astma. Een reversibiliteitstest is ook een methode om astma van COPD te onderscheiden; bij COPD zal de longfunctie na toediening niet verbeteren.

    Allergietest (bloedtest of huidpriktest)

    De arts verricht een allergietest om te bepalen of er sprake is van een allergie. Bij verergering van de klachten in een vochtige of stoffige omgeving kan er sprake zijn van een huisstofmijtallergie, in voorjaar of zomer van allergie voor boom- of graspollen, bij contact met dieren van allergie voor deze dieren (katten, honden, knaagdieren, paarden etc).

     

  • Bij jonge kinderen diagnose niet met zekerheid te stellen

    Bij kinderen jonger dan 5 jaar kan de arts zelden met zekerheid vaststellen of er sprake is van astma. Dat komt onder andere doordat jonge kinderen relatief vaak - in samenhang met virale luchtweginfecties – luchtwegklachten hebben, zoals piepende ademhaling en hoesten, die niet te onderscheiden zijn van zich ontwikkelend astma (Eysink et al., 2005). Verder kunnen deze jonge kinderen de longfunctietesten die bij oudere kinderen en volwassenen worden gebruikt om astma vast te stellen niet of moeilijk uitvoeren.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Eysink PED, ter Riet G, Aalberse RC, van Aalderen WMC, Roos CM, van der Zee JS, et al. Accuracy of specific IgE in the prediction of asthma: development of a scoring formula for general practice. Br J Gen Pract. 2005;55(511):125-31. Pubmed
  • Behandeling vooral gericht op beperken van klachten

    De behandeling van astma is er op gericht astma-aanvallen te voorkomen, klachten zo veel mogelijk te beperken en een normale nachtrust en normale dagelijkse activiteiten te bereiken. Daarnaast wordt gestreefd naar behoud van een optimale longfunctie (Geijer et al., 2001). De behandeling bestaat uit een combinatie van medicamenteuze en niet-medicamenteuze therapie. 

    Overzicht van de mogelijkheden voor behandeling van astma.

    Niet-medicamenteuze behandeling

    Roken door de patiënt zelf en door anderen in de omgeving van patiënt moet strikt worden vermeden.

    Saneren bij allergie voor huisstofmijt of andere binnenshuis voorkomende allergenen; daarnaast raadt men af (harige) huisdieren te houden als de patiënt een allergie heeft voor deze dieren.

    Vermindering van alle overige uitlokkende prikkels, met uitzondering van lichamelijke inspanning.

    Voldoende lichaamsbeweging.

    Overgewicht en obesitas voorkomen.

    Goede voorlichting, aangezien dit een voorwaarde is voor het succesvol uitvoeren van de medicamenteuze behandeling.

    Medicamenteuze behandeling

    Afhankelijk van de klachten en de onderliggende mechanismen, schrijft de arts medicijnen voor. Men doseert de medicatie in de laagst effectieve dosering, om de kans op bijwerkingen te verminderen. In de praktijk wordt nogal eens met een combinatie van verschillende medicijnen gewerkt.

    • Ontstekingsremmende medicijnen ('luchtwegbeschermers') als onderhoudsmedicatie om de ontsteking van het slijmvlies en de prikkelbaarheid van de luchtwegen te verminderen.
    • Luchtwegverwijders om direct klachten te verlichten als zich een astma-aanval of verergering van klachten voordoet. In de meeste gevallen worden kortwerkende luchtwegverwijders gebruikt.
    • Medicijnen om een allergische reactie te voorkomen.
    • Antibiotica bij het optreden van bacteriële luchtweginfecties.
    • Bij astmabehandeling gaat de voorkeur uit naar inhalatietherapie in plaats van orale toediening. Als onderhoudstherapie noodzakelijk is, gaat de voorkeur uit naar inhalatiecorticosteroïden in de laagst effectieve dosis.

     

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Geijer RMM, van Hensbergen W, Bottema BJAM, van Schayck CP, Sachs APE, Smeele I. NHG-Standaard Astma bij volwassenen: Behandeling. Huisarts Wet. 2001;44(4):153-64. Bron
  • In zeer ernstige gevallen ziekenhuisopname nodig

    Een ziekenhuisopname kan nodig zijn bij zeer ernstige astmatische aanvallen, waarbij de patiënt onvoldoende op medicatie reageert. Daarbij worden medicijnen toegediend, vaak via een infuus of verneveling, en zonodig zuurstof. Voor aantallen ziekenhuisopnamen zie: Zorg

Bronverantwoording
  • Geboortecohort: PIAMA-onderzoek (Epidemiologisch bevolkingsonderzoek)

    Het Preventie en Incidentie van Astma en Mijt Allergie (PIAMA) onderzoek is een geboortecohortstudie onder 3.963 kinderen uit de algemene bevolking in Nederland, die zijn geboren in 1996 en 1997. Informatie over demografische factoren, gezondheid van het kind en risicofactoren voor astma werd verzameld met vragenlijsten die door de ouders werden ingevuld tijdens de zwangerschap, op de leeftijd van 3 maanden en daarna jaarlijks van 1 tot en met 8 jaar en opnieuw toen de kinderen 11 jaar en 14 jaar waren. Daarnaast is in subgroepen ook lichamelijk onderzoek uitgevoerd op 1-, 4-, 8-, 12- en 16-jarige leeftijd, waarbij onder meer lengte, gewicht en longfunctie zijn gemeten en bloed is afgenomen voor de bepaling van IgE (Brunekreef et al., 2002; Wijga et al., 2014).

    Meer informatie

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. PIAMA, Preventie en Incidentie van Astma en Mijt Allergie geboortecohort. zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. Brunekreef B, Smit HA, de Jongste JC, Neijens H, Gerritsen J, Postma D, et al. The prevention and incidence of asthma and mite allergy (PIAMA) birth cohort study: design and first results. Pediatr Allergy Immunol. 2002;13 Suppl 15:55-60. Pubmed
    2. Wijga AH, Kerkhof M, Gehring U, de Jongste JC, Postma D, Aalberse RC, et al. Cohort profile: the prevention and incidence of asthma and mite allergy (PIAMA) birth cohort. Int J Epidemiol. 2014;43(2):527-35. Pubmed | DOI
  • Geboortecohort: Generation R (Epidemiologisch bevolkingsonderzoek)

    Generation R is een Rotterdams cohort onderzoek dat zich richt op omgevings-, endocriene, (epi)genetische, leefstijl, voedings- en socio-demografische factoren in relatie tot normale en abnormale groei, ontwikkeling en gezondheid tijdens het foetale leven, de kinderleeftijd en vroege volwassenheid van bijna 10.000 kinderen geboren tussen 2002 en 2006. Informatie wordt verkregen door middel van vragenlijsten, gedetailleerd lichamelijk en echo onderzoek, gedrag observaties, en bloed- en urine onderzoek. Voor het onderzoeksgebied ‘Astma, allergie en eczeem’ wordt jaarlijks gevraagd naar de diagnose en klachten van deze aandoeningen. Luchtwegontsteking (FeNO) en luchtwegweerstand (Rint) zijn gemeten op 6-jarige leeftijd, en longfunctie (spirometrie), longstructuur (MRI thorax) en allergie (huidpriktest) 9-jarige leeftijd (Jaddoe et al., 2006).

    Meer informatie

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. Generation R, zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. Jaddoe VWV, Mackenbach JP, Moll HA, Steegers EAP, Tiemeier HW, Verhulst FC, et al. The Generation R Study: Design and cohort profile. Eur J Epidemiol. 2006;21(6):475-84. Pubmed | DOI
  • Monitor Zorg- en Leefsituatie van mensen met astma en COPD (Epidemiologisch bevolkingsonderzoek)

    Op verzoek van het Longfonds (voorheen Nederlands Astma Fonds) brengt het NIVEL sinds 2001 jaarlijks de Monitor Zorg- en Leefsituatie van mensen met astma en COPD uit. Hierin wordt gerapporteerd over de kwaliteit van leven, het gebruik van professionele zorg, de ervaren kwaliteit van zorg, zelfzorg, de maatschappelijke participatie en de financiële situatie van mensen met astma en mensen met COPD. Deelnemers aan de Monitor Zorg- en Leefsituatie zijn ongeveer 800 mensen met een medische diagnose astma of COPD in de leeftijd van vijftien jaar en ouder.

  • LifeLines Cohort Studie (Epidemiologisch bevolkingsonderzoek)

    LifeLines is een onderzoek met meer dan 165.000 deelnemers van drie verschillende generaties uit de algemene bevolking in het noorden (Friesland, Groningen, Drenthe) van Nederland (Stolk et al., 2008). De deelnemers worden eens in de vijf jaar opgeroepen voor lichamelijk onderzoek. Er worden zaken gemeten zoals bloeddruk, gewicht, lengte, bloed- en urinewaarden en er wordt een hartfilmpje (ECG) gemaakt. Hiernaast krijgen zij om de anderhalf jaar een uitgebreide vragenlijst voorgelegd over ziekten, leefstijl, gezondheid, medicijngebruik, voedingsgewoonten en dergelijke. De eerste onderzoeksronde heeft plaats gevonden in de periode van 2007 tot 2013.

    Meer informatie

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Stolk RP, Rosmalen JGM, Postma D, de Boer RA, Navis G, Slaets JPJ, et al. Universal risk factors for multifactorial diseases: LifeLines: a three-generation population-based study. Eur J Epidemiol. 2008;23(1):67-74. Pubmed | DOI
  • ISAAC-studie: internationale studie onder 7-14-jarigen (Epidemiologisch bevolkingsonderzoek)

    De ISAAC-studie is een internationale studie bij 6-7-jarigen en 13-14-jarigen die tot doel heeft het verzamelen van gegevens over de prevalentie van astmasymptomen en lichamelijke kenmerken van astma volgens gestandaardiseerde protocollen (Asher et al., 1998). De prevalentie en ernst van luchtwegklachten, astma en allergie zijn in fase I (1991-1995) en fase III (minimaal 3 jaar na fase I) met vragenlijsten onderzocht. Nederland is sinds de tweede fase bij de ISAAC-studie betrokken. In fase II werd bloed afgenomen en werd een longfunctiemeting, een huidtest en een bronchoprovocatietest uitgevoerd. In het serum werd totaal IgE bepaald en werd een multispecifieke Phadiatoptest uitgevoerd. Bij een positieve Phadiatop werd doorgetest op specifiek IgE tegen hond, kat, huisstofmijt, schimmels en grassen. In de huidtest werd getest op sensibilisatie voor hond, kat, huisstofmijt, schimmels, grassen en boompollen. De Nederlandse studie vond plaats bij ongeveer 4.500 kinderen van 7 tot en met 12 jaar afkomstig van in totaal vijftig basisscholen (van Vliet et al., 1999; Aarts et al., 1999).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Asher MI, Anderson HR, Stewart AW, Crane J. Worldwide variations in the prevalence of asthma symptoms: the International Study of Asthma and Allergies in Childhood (ISAAC). Eur Respir J. 1998;12(2):315-35. Pubmed
    2. van Vliet PHN, Aarts FJH, Janssen NAH, Brunekreef B, Fischer PH, van Wiechen CMAG. Luchtwegaandoeningen bij kinderen in de omgeving van de luchthaven Schiphol. Wageningen/Bilthoven: Environmental and Occupational Health Group/RIVM; 1999. Bron
    3. Aarts FJH, van Vliet PHN, Janssen NAH, Harssema H, Brunekreef B. Nader onderzoek naar effecten van verkeersgerelateerde luchtverontreiniging op de luchtwegen van kinderen wonend nabij snelwegen (luchtweg 2). Wageningen: Environmental and Occupational Health Group; 1999. Bron
  • Doetinchem Cohort Studie (1987-heden) (Epidemiologisch bevolkingsonderzoek)

    In de Doetinchem Cohort Studie is eenzelfde groep van bijna 6.400 mensen uit Doetinchem (het cohort) sinds 1987 regelmatig onderzocht (Blokstra et al., 2010). Gegevens over symptomen van astma en COPD werden verzameld met behulp van een verkorte versie van de ELON-vragenlijst. Voor astma zijn de gegevens van de 4e meetronde (2003-2007) gebruikt.

    Meer informatie

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. Doetinchem Cohort Studie, DCS. zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. Blokstra A, Picavet HSJ, Verschuren WMM. De Doetinchem Cohort Studie 4e ronde 2003-2007. Onderzoek naar volksgezondheid en veroudering. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2010. Bron
  • De EC Respiratory Health Survey (Epidemiologisch bevolkingsonderzoek)

    In de EC Respiratory Health Survey (ECRHS) zijn gegevens verzameld over het vóórkomen van luchtwegklachten, luchtwegobstructie, bronchiale hyperreactiviteit, allergie en medicatie. De gegevens zijn verzameld in een groot aantal landen van de Europese Unie en daarbuiten, onder mannen en vrouwen van 20-44 jaar. Ze zijn gestandaardiseerd verzameld, waardoor het mogelijk is internationale vergelijkingen te maken (ECHRS, 1996). Het Nederlandse ELON-onderzoek maakte ook deel van uit van de ECRHS.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. ECHRS. Variations in the prevalence of respiratory symptoms, self-reported asthma attacks, and use of asthma medication in the European Community Respiratory Health Survey (ECRHS). Eur Respir J. 1996;9(4):687-95. Pubmed
  • Huisartsenregistraties ((Zorg)registraties)

    Voor bepaling van de prevalentie en het aantal nieuwe gevallen van astma (huidige situatie) zijn gegevens gebruikt van de NIVEL Zorgregistraties eerste lijn. Voor de beschrijving van de trend in prevalentie en het aantal nieuwe gevallen van astma is gebruik gemaakt van een andere huisartsenregistratie: RNH-Limburg. De registratie over het voorkomen van ziekten in de huisartsenpraktijk van RNH-Limburg gaat terug tot 1987. NIVEL Zorgregistraties eerste lijn heeft gegevens over een kortere periode en wordt daarom niet gebruikt voor de beschrijving van de trends.

    De in de huisartsenregistraties gebruikte ICPC-1-code is R96.

    Meer informatie over het schatten van de morbiditeit op basis van gegevens uit huisartsenregistraties is te vinden in Gebruik van huisartsenregistraties voor schattingen morbiditeit.

    Kenmerken van astma in de huisartspraktijk

    Astma is een chronische luchtwegziekte met een wisselend klachtenpatroon. Meestal heeft de patiënt hiervoor regelmatig contact met de huisarts, echter soms wordt de zorg geheel overgenomen door de longarts of kinderarts. Soms wordt alleen de diagnostiek gedaan door de specialist. Het maken van een onderscheid tussen astma en COPD is vaak lastig en soms ook tussen astma en luchtweginfecties. Sommige huisartsen zijn mogelijk meer geneigd een klachtcode als hoesten, piepende ademhaling en benauwdheid te registreren in plaats van de ziektediagnose astma.

    Een probleem bij de registraties (maar ook bij vragenlijstonderzoek in de bevolking) is dat bij het stellen van de diagnose vermenging optreedt met concurrerende diagnosen, bijvoorbeeld de (symptoom)diagnosen hoesten, acute bronchitis, bronchiolitis en longontsteking. Verder moet er bij het bekijken van trends rekening mee worden gehouden dat zich in de loop van de tijd verschuivingen hebben voorgedaan in de voorkeur voor bepaalde terminologie. Bovendien kunnen registraties voor bepaalde ziekten specifieke (al dan niet vastgelegde) regels hanteren (zie tabel).

    Bijzonderheden met betrekking tot de registratie van astma in de gebruikte huisartsenregistraties

    Registratie

    Bijzonderheden

    NIVEL Zorgregistraties

    Geen bijzonderheden

    Zorggegevens: NIVEL Zorgregistraties eerste lijn

    RNH-Limburg

    • Het RNH gaat uit van probleemlijsten. Over het algemeen worden daarop alleen langdurige problemen geregistreerd.
    • Wanneer astma als chronisch probleem is geregistreerd en de klachten bij de patiënt verminderen, blijft de aandoening toch vaak als prevalent probleem geregistreerd staan.

    Zorggegevens: RNH-Limburg

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. NIVEL Zorgregistraties eerste lijn, NIVEL Zorgregistraties. zorggegevens.nl
    2. RNH, Registratienet Huisartspraktijken Limburg / Research Network Family Medicine (RNFM) Maastricht. zorggegevens.nl
  • Astma: Landelijke Medische Registratie (LMR) ((Zorg)registraties)

    Een deel van de personen die astma hebben, wordt opgenomen in een ziekenhuis. Voor de ziekenhuisregistraties wordt de ICD-9-code 493 gebruikt. Zie: Zorggegevens Landelijke Medische Registratie (LMR)

  • Gezondheidsmonitor GGD’en, CBS en RIVM, 2012

    De ‘Gezondheidsmonitor GGD’en, CBS en RIVM, 2012’ bestaat uit gegevens die in 2012 onder mensen van 19 jaar en ouder zijn verzameld door het CBS en 28 GGD’en. In de ‘Gezondheidsmonitor GGD’en, CBS en RIVM, 2012’ staan na opschoning de gegevens van 387.195 mensen waarvan 376.384 (97,2%) zijn geënquêteerd door de GGD’en en 10.811 (2,8%) door het CBS. Het meest recente jaar is 2012. De ‘Gezondheidsmonitor GGD’en, CBS en RIVM’ verschijnt elke vier jaar; de eerstvolgende bevat dus in 2016 door het CBS en de GGD’en verzamelde gegevens.

    Meer informatie

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012, GGD'en, CBS en RIVM, Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012. zorggegevens.nl
  • Kosten van Ziektenstudie (Astma en COPD Kostenstudies)

    In de Kosten van Ziektenstudie (Slobbe et al., 2011) zijn de totale kosten van de gezondheidszorg voor het peiljaar via verdeelsleutels toegewezen aan sectoren en diagnosegroepen. De studie is een generieke kostenstudie die gebruik maakt van een 'top-down'-benadering om de kosten te verdelen (voor meer informatie over de methodiek zie de website: Kosten van Ziekten). De kosten voor astma en COPD zijn samengenomen in één diagnosegroep.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Slobbe LCJ, Smit JM, Groen J, Poos MJJC, Kommer GJ. Kosten van ziekten in Nederland 2007. Trends in de Nederlandse zorguitgaven 1999-2010. Bilthoven / Den Haag: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM / Centraal Bureau voor de Statistiek CBS; 2011. Bron
  • Inventarisatie van het gebruik en de kosten van zorg voor astma en COPD in Nederland (Kostenstudies)

    In de studie ‘Inventarisatie van het gebruik en de kosten van zorg voor astma en COPD in Nederland’ (Suijkerbuijk et al., 2013) wordt onderscheid gemaakt in kosten voor astma en COPD. De studie heeft als peiljaar 2007 en kent een ‘bottum-up’-benadering, waarbij prijzen per eenheid zorggebruik zijn gecombineerd met gegevens over het zorggebruik om de totale kosten en de kosten per patiënt te bepalen.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Suijkerbuijk AWM, Hoogeveen RT, de Wit GA, Wijga AH, Hoogendoorn EJI, Rutten-van Molken MPMH. Maatschappelijke kosten voor astma, COPD en respiratoire allergie. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2013. Bron
Methoden
  • Regionaal versus landelijk gemiddelde

    Bij een onderwerp is het mogelijk dat het gemiddelde bij het hoofdstuk 'Cijfers & Context' verschilt van gemiddelde bij het hoofdstuk 'Regionaal & Internationaal'. Dit kan te maken hebben met: 

    • het niveau waarop de informatie geaggregeerd is (van wijkniveau tot landelijk niveau);

    • het presenteren van cijfers uit verschillende jaren;

    • het al dan niet combineren van cijfers van verschillende jaren (bijvoorbeeld een gemiddelde van drie jaren);
    • het kiezen van een verschillende standaard bij het presenteren van gestandaardiseerde gegevens.
  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.