Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

AngststoornissenCijfers & ContextOorzaken en gevolgen

Cijfers & Context

Meer vrouwen dan mannen met angststoornis

Regionaal & Internationaal

Prevalentie in Nederland gelijk aan EU-gemiddelde

Kosten

Zorguitgaven angststoornissen 774 miljoen

Preventie & Zorg

Huisarts heeft belangrijke rol in zorg

Risicofactoren angststoornissen

Risicofactoren voor het optreden van angststoornissen

Risicofactoren voor het optreden van angststoornissen

Persoonsgebonden factoren

Genetische factoren

  • erfelijke factoren

Persoonlijkheidskenmerken

  • geremd temperament
  • weinig sociale vaardigheden
  • voortdurend zorgen maken

Gezondheidstoestand

  • aanwezigheid van andere psychische aandoeningen
  • aanwezigheid van andere ziekten

Omgevingsgebonden factoren

Sociale steun

  • weinig steun ontvangen

Eenzaamheid

  • eenzaam voelen

Levensgebeurtenissen

Belastende gebeurtenissen

  • verlies van iets of iemand
  • emotionele verwaarlozing of seksueel geweld
  • ernstig trauma

Niet één oorzaak voor angststoornissen

Er bestaat niet één oorzaak voor angststoornissen. Waarschijnlijk gaat het om een samenspel van factoren. De volgende groepen determinanten worden onderscheiden: persoonsgebonden factoren, omgevingsgebonden factoren en levensgebeurtenissen. Risicofactoren en -groepen voor de verschillende typen angststoornissen komen grotendeels met elkaar overeen; soms zijn er kleine verschillen (van 't Land et al., 2008).

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. van 't Land H, Schoemaker CG, de Ruiter C. Trimbos zakboek psychische stoornissen. Tweede, herziene en uitgebreide druk ed. Utrecht: De Tijdstroom; 2008. Bron

Kwaliteit van leven bij angststoornissen

Verschil in kwaliteit van leven tussen patiënten met een angststoornis en de algemene populatie

Bij 18-64 jarigen, gemeten met de SF-36

SF-36 item

Verschil tussen patiënten en de algemene populatie

Fysiek functioneren

+

Rolfunctioneren fysiek

+

Pijn

+

Ervaren gezondheid

++

Vitaliteit

++

Sociaal functioneren

++

Rolfunctioneren emotioneel

++

0 = geen verschil, + = klein verschil, ++ = middelgroot verschil, +++ = groot verschil 

Een angststoornis beperkt het sociale leven, dagelijkse bezigheden en vitaliteit

Mensen met een angststoornis hebben een slechtere kwaliteit van leven vergeleken met de algemene bevolking (Olatunji et al., 2007). Dit blijkt zowel uit metingen met de vragenlijst SF-36 (Bijl & Ravelli, 2000) als met de World Health Organization Disability Assesment Schedule (WHO-DAS; Iancu et al., 2014). Mensen met een angststoornis ervaren hun gezondheid als minder goed en voelen zich minder vitaal. Ook zijn ze minder in staat dagelijkse bezigheden uit te voeren. Ze vermijden voor hen angstopwekkende situaties en activiteiten of ze hebben extreem veel tijd nodig voor die activiteiten (Kessler et al., 2005; Buist-Bouwman et al., 2005). De impact hiervan op het dagelijks leven hangt af van de situatie(s) of activiteit(en).

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Olatunji BO, Cisler JM, Tolin DF. Quality of life in the anxiety disorders: a meta-analytic review. Clin Psychol Rev. 2007;27(5):572-81. Pubmed | DOI
  2. Bijl RV, Ravelli ACJ. Current and residual functional disability associated with psychopathology: findings from the Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study (NEMESIS). Psychol Med. 2000;30(3):657-68. Pubmed
  3. Iancu SC, Batelaan NM, Zweekhorst MBM, Bunders JFG, Veltman DJ, Penninx BWJH, et al. Trajectories of functioning after remission from anxiety disorders: 2-year course and outcome predictors. Psychol Med. 2014;44(3):593-605. Pubmed | DOI
  4. Kessler RC, Chiu WTat, Demler O, Merikangas KR, Walters EE. Prevalence, severity, and comorbidity of 12-month DSM-IV disorders in the National Comorbidity Survey Replication. Arch Gen Psychiatry. 2005;62(6):617-27. Pubmed | DOI
  5. Buist-Bouwman MA, de Graaf R, Vollebergh WWAM, Ormel JJ. Comorbidity of physical and mental disorders and the effect on work-loss days. Acta Psychiatr Scand. 2005;111(6):436-43. Pubmed | DOI

Comorbiditeit bij angststoornissen

Comorbiditeit versterkt gezondheidsgevolgen

Meer dan de helft van de mensen met een angststoornis heeft daarnaast ook een depressieve stoornis (Wittchen et al., 2000; Lamers et al., 2011). Ook het risico op een andere angststoornis (Ravelli et al., 1998; Lamers et al., 2011) en op afhankelijkheid van alcohol en/of drugs is groter (Ravelli et al., 1998; Boschloo et al., 2011). Naarmate iemand meer psychische stoornissen tegelijkertijd heeft (Klein Hofmeijer-Sevink et al., 2012, Penninx et al., 2011) duren de klachten langer, zijn de sociale gevolgen ernstiger en wordt meer gebruikgemaakt van gezondheidszorgvoorzieningen.

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Wittchen HU, Kessler RC, Pfister H, Lieb M. Why do people with anxiety disorders become depressed? A prospective-longitudinal community study. Acta Psychiatr Scand Suppl. 2000;(406):14-23. Pubmed
  2. Lamers F, van Oppen P, Comijs HC, Smit JH, Spinhoven P, van Balkom AJLM, et al. Comorbidity Patterns of Anxiety and Depressive Disorders in a Large Cohort Study. The Journal of Clinical Psychiatry. 2011;72(03):341-348. Bron | DOI
  3. Ravelli ACJ, Bijl RV, van Zessen G. Comorbiditeit van psychiatrische stoornissen in de Nederlandse bevolking: resultaten van de Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study . Tijdschr Psychiatrie. 1998;40. Bron
  4. Boschloo L, Vogelzangs N, Smit JH, van den Brink W, Veltman DJ, Beekman ATF, et al. Comorbidity and risk indicators for alcohol use disorders among persons with anxiety and/or depressive disorders. Journal of Affective Disorders. 2011;131(1-3):233-242. Bron | DOI
  5. Klein Hofmeijer-Sevink M, Batelaan NM, van Megen HJGM, Penninx BWJH, Cath DC, van den Hout MA, et al. Clinical relevance of comorbidity in anxiety disorders: A report from the Netherlands Study of Depression and Anxiety (NESDA). Journal of Affective Disorders. 2012;137(1-3):106-112. Bron | DOI
  6. Penninx BWJH, Nolen WA, Lamers F, Zitman FG, Smit JH, Spinhoven P, et al. Two-year course of depressive and anxiety disorders: Results from the Netherlands Study of Depression and Anxiety (NESDA). Journal of Affective Disorders. 2011;133(1-2):76-85. Bron | DOI

Verantwoording

Definities
  • Definitie van angststoornissen

    Wanneer heftige angstklachten optreden zonder een reële bedreiging is er mogelijk sprake van een angststoornis. Een angststoornis onderscheidt zich van normale gevoelens van angst of vrees als de angst geen reële grond heeft en iemand er sociale problemen door ondervindt. De symptomen zijn in beide gevallen hetzelfde: hartkloppingen, een droge mond, een beklemd gevoel, nerveuze spanning, prikkelbaarheid, rusteloosheid, verhoogde spierspanning of slaap- en concentratieproblemen. 

  • Onderverdeling angststoornissen meestal volgens DSM-IV

    De onderverdeling van angststoornissen wordt meestal weergegeven volgens de DSM-IV. Deze indeling loopt in grote lijnen parallel aan de indeling in de ICD-10. In de ICD-10 vormen angststoornissen echter niet een apart hoofdstuk, maar maken deel uit van het hoofdstuk 'neurotische, stressgerelateerde en somatoforme stoornissen'. 

     

    Onderverdeling van angststoornissen volgens de DSM-IV.

    Type angststoornis

    DSM-IV code

    Paniekstoornis zonder agorafobie

    300.01

    Gegeneraliseerde angststoornis (met inbegrip van overmatige angststoornis in de kinderleeftijd)

    300.02

    Paniekstoornis met agorafobie

    300.21

    Agorafobie zonder paniekstoornis in de voorgeschiedenis

    300.22

    Sociale fobie

    300.23

    Specifieke fobie

    300.29

    Obsessieve-compulsieve stoornis

    300.3

    Posttraumatische stressstoornis

    309.81

    Acute stressstoornis

    308.3

    Angststoornis niet anderzins omschreven

    300.00

Bronverantwoording
  • Huisartsenregistraties angststoornissen

    Voor bepaling van de prevalentie en het aantal nieuwe gevallen van angststoornissen (huidige situatie en trends) zijn gegevens gebruikt van de NIVEL Zorgregistraties eerste lijn. De in de huisartsenregistraties gebruikte ICPC-codes zijn P74 voor angststoornis en P79 voor angstig/angstgevoelens.

  • Angststoornissen in bevolkingsonderzoek NEMESIS

    Op bevolkingsniveau zijn gegevens over het voorkomen van angststoornissen beschikbaar uit het NEMESIS-onderzoek onder 18- tot 65-jarigen (Bijl et al., 1997; Bijl et al., 1997; de Graaf et al., 2010). NEMESIS-1 was gebaseerd op een landelijke steekproef onder 7.076 personen bij wie in 1996 een psychiatrisch interview is afgenomen met behulp van de CIDI (Composite International Diagnostic Interview). Dezelfde respondenten zijn daarna nog tweemaal benaderd voor een follow-upmeting tussen 1997 en 1999.

    NEMESIS-2 is gebaseerd op een landelijke steekproef onder 6.646 personen bij wie tussen 2007 en 2009 een psychiatrisch interview is afgenomen met behulp van de CIDI 3.0. Dezelfde respondenten zijn tussen 2010 en 2012 nogmaals benaderd voor follow-updeelname. De cijfers over het voorkomen van angststoornissen zijn afkomstig uit de eerste meting; de cijfers over incidentie zijn afkomstig uit de tweede meting. Alle cijfers zijn vervolgens door het RIVM omgerekend naar het jaar 2011.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. NEMESIS-2, Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study-2. zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. Bijl RV, van Zessen G, Ravelli ACJ, de Rijk C, Langendoen Y. Psychiatrische morbiditeit onder volwassenen in Nederland: het NEMESIS-onderzoek. I. Doelstellingen, opzet en methoden. Ned Tijdschr Geneeskd. 1997;141:2448-52. Bron
    2. Bijl RV, van Zessen G, Ravelli ACJ. Psychiatrische morbiditeit onder volwassenen in Nederland: het NEMESIS-onderzoek. II. Prevalentie van psychiatrische stoornissen. Ned Tijdschr Geneeskd. 1997;141:2453-60. Bron
    3. de Graaf R, ten Have MM, van Dorsselaer S. De psychische gezondheid van de Nederlandse bevolking. NEMESIS-2: Opzet en eerste resultaten. Utrecht: Trimbos-instituut; 2010. Bron
  • Angststoornissen in bevolkingsonderzoek LASA

    Het LASA (Longitudinal Aging Study Amsterdam)-onderzoek werd uitgevoerd in 2008/2009 onder 1.601 mensen. 1.286 van de deelnemers aan het onderzoek waren 65 jaar of ouder. Een CIDI is afgenomen als de mensen in 2008 /2009 boven de cut-off scoorden op de screeningslijsten voor angst (HADS-A > 8) of wanneer ze op de baseline meting van LASA een CES-D van 16 of hoger hadden. Bij het berekenen van de prevalenties in de hele groep is de steekproef teruggewogen naar de samenstelling van de bevolking op grond van leeftijd en geslacht in 2011.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. LASA, Longitudinal Aging Study Amsterdam. zorggegevens.nl
  • Kosten van angststoornissen

    De kosten van angststoornissen zijn afkomstig van de Kosten van Ziektenstudie. De voor angststoonissen gebruikte ICD-9-codes zijn 300.0, 300.10-300.15, 300.2-300.3, 300.5, 308 en 309.8. 

  • Gezondheidsmonitor GGD’en, CBS en RIVM

    De ‘Gezondheidsmonitor GGD’en, CBS en RIVM, 2012’ bestaat uit gegevens die in 2012 onder mensen van 19 jaar en ouder zijn verzameld door het CBS en 28 GGD’en. In de ‘Gezondheidsmonitor GGD’en, CBS en RIVM, 2012’ staan na opschoning de gegevens van 387.195 mensen waarvan 376.384 (97,2%) zijn geënquêteerd door de GGD’en en 10.811 (2,8%) door het CBS. Het meest recente jaar is 2012. De ‘Gezondheidsmonitor GGD’en, CBS en RIVM’ verschijnt elke vier jaar; de eerstvolgende bevat dus in 2016 door het CBS en de GGD’en verzamelde gegevens.

    Meer informatie
    Zorggegevens: Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012, GGD'en, CBS en RIVM GGD’en, CBS en RIVM

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012, GGD'en, CBS en RIVM, Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012. zorggegevens.nl
Methoden
  • Regionale verschillen: Schattingen per wijk

    Aanleiding
    Vanwege de decentralisaties in het sociaal domein is steeds meer informatie nodig over gezondheid gerelateerde indicatoren op kleinere geografische niveaus. Daarom heeft het RIVM een model ontwikkeld om cijfers te kunnen berekenen op wijk- en buurtniveau op basis van de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen van GGD’en, CBS en RIVM. Ondanks dat de Gezondheidsmonitor een enorm databestand is, bevat het onvoldoende respondenten om met behulp van weegmethoden cijfers te berekenen voor alle wijken en buurten in Nederland. In 2012 zijn de eerste wijk- en buurtcijfers gepresenteerd. Op basis van de Gezondheidsmonitor 2016 zijn nieuwe cijfers berekend.

    Methode
    In het kader van de Gezondheidsmonitor zijn via vragenlijsten gegevens over gezondheid en leefstijl verzameld over volwassenen van 19 jaar en ouder. De ruim 457.000 deelnemers aan de Gezondheidsmonitor zijn anoniem in een beveiligde omgeving gekoppeld aan registratiebestanden van het CBS. Deze bestanden bevatten informatie over een reeks achtergrondkenmerken, zoals leeftijd, geslacht, herkomst, huishoudsamenstelling, opleidingsniveau, inkomen en woningtype. Er is een statistisch model gebruikt om de gezondheid en leefstijl te relateren aan deze achtergrondkenmerken. Ook wordt informatie uit de naastgelegen gebieden meegenomen. Door middel van deze relatie is het daarna mogelijk om voor alle volwassenen hun verwachte gezondheid en leefstijl te berekenen. De uitkomsten worden vervolgens gemiddeld over de betreffende wijk of buurt.

    Schattingen
    De cijfers op wijk- en buurtniveau moeten met voorzichtigheid worden gebruikt. Met het model wordt de werkelijkheid zo goed mogelijk benaderd, maar de cijfers blijven schattingen van de werkelijkheid. Daarom worden de uitkomsten ook als hele cijfers (dus zonder decimalen) gepresenteerd. 
    De cijfers uit de Gezondheidsmonitor die zijn verkregen met behulp van weegmethoden zijn echter ook een benadering van de werkelijkheid. De weging is nodig vanwege o.a. selectieve non-respons. Net zoals bij de berekeningen van de wijk- en buurtcijfers zijn de weegfactoren van het CBS ook gebaseerd op achtergrondkenmerken van de respondenten. 

    Verschil tussen cijfers
    Verschillende GGD’en hebben voor de Gezondheidsmonitor 2016 de steekproef opgehoogd om voldoende respondenten te hebben om cijfers op wijkniveau te kunnen presenteren. Omdat deze cijfers op een andere manier zijn berekend, kunnen ze afwijken van de cijfers die hier worden gepresenteerd. Niet alleen het onderliggende model is anders, ook het aantal achtergrondkenmerken dat wordt gebruikt verschilt; bij de RIVM schattingen wordt meer informatie over de bevolking gebruikt. Over het algemeen leiden de RIVM schattingen tot kleinere verschillen tussen gebieden dan de cijfers die verkregen zijn door middel van weegmethoden. 

    Let op: de gepresenteerde gemeentecijfers zijn berekend via de weegmethode van het CBS. De gepresenteerde wijk- en buurtcijfers zijn daardoor niet direct vergelijkbaar met deze gemeentecijfers.

    Grote aantallen nodig

    Voor het doen van dit soort schattingen zijn grote aantallen respondenten nodig. Het is dus niet zo dat het ontwikkelde model de Gezondheidsmonitors kan vervangen. Hoe meer respondenten er zijn, hoe minder er geschat hoeft te worden en hoe beter de cijfers zijn.

    Samenwerking
    De cijfers zijn berekend in het kader van het Strategisch Programma RIVM (SPR), een programma voor onderzoek, innovatie en kennisontwikkeling. Een werkgroep van epidemiologen van GGD’en en GGD GHOR NL is er bij betrokken. 

    Meer weten?
    Een uitgebreide toelichting op de gebruikte methode is beschreven in een artikel (van de Kassteele et al., 2017). Voor de cijfers van 2016 zijn enkele aanpassingen gedaan aan het model.

    Voor vragen kunt u contact opnemen met carolien.van.den.brink@rivm.nl.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. van de Kassteele J, Zwakhals L, Breugelmans O, Ameling C, van den Brink C. Estimating the prevalence of 26 health-related indicators at neighbourhood level in the Netherlands using structured additive regression. International Journal of Health Geographics. 2017;(1). Bron | DOI
  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.

Andere websites over Angststoornissen