Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

AlcoholgebruikCijfers & ContextOorzaken en gevolgen

Cijfers & Context

Bijna één op de vijf scholieren is binge drinker

Regionaal & Internationaal

Minste overmatige drinkers in Flevoland

Kosten

Kosten-baten alcohol 2,3 tot 2,9 miljard

Preventie & Zorg

Meer ziekenhuisopnamen bij mannen dan vrouwen

Oorzaken van problematisch alcoholgebruik

Breed palet aan factoren bepalend voor problematisch alcoholgebruik

Verschillende factoren zijn van invloed op problematisch alcoholgebruik. Het RIVM heeft een overzicht gemaakt van deze achterliggende factoren. Daarbij gaat het om persoonsgebonden factoren, leefstijl, de sociale – en fysieke omgeving en overstijgende drijvende krachten, zoals maatschappelijke ontwikkelingen en trends.

Meer informatie

Experts en redactie

Datum publicatie

05-07-2021

Alcoholgebruik en gezondheid

Alcoholgebruik hangt samen met zestig aandoeningen

Alcoholgebruik heeft invloed op bijna alle organen in het lichaam en hangt samen met ongeveer zestig verschillende aandoeningen (Casswell, 2017; WHO, 2004; Cargiulo, 2007). Hieronder vallen zowel chronische aandoeningen als acute aandoeningen en verwondingen. Daarbij hangt alcoholgebruik samen met problemen die consequenties hebben voor anderen, zoals huwelijksproblemen en verkeersongevallen.

Hoeveelheid en frequentie bepalen mate van schade

Het risico op gezondheidsschade door alcohol hangt af van het totale alcoholgebruik van de drinker, maar ook van het drinkpatroon dat iemand heeft. Het drinkpatroon houdt in hoeveel alcohol iemand per keer drinkt en hoe vaak. In het algemeen geldt (Rehm, 2011; Anderson & Baumberg, 2006; WHO, 2004):

  • Hoe hoger de totale consumptie van alcohol, hoe groter het risico op schade.
  • Hoe meer alcohol per keer wordt gedronken, des te ernstiger de schade (de aandoening of verwonding).

Ter illustratie: stel dat twee personen allebei 25 glazen bier per week drinken. Ze lopen toch verschillende gezondheidsrisico's wanneer de ene persoon dat bier op vrijdag- en zaterdagavond drinkt en de andere persoon het verspreid over de week drinkt. Bij de eerste persoon is bijvoorbeeld het risico op hersenschade, alcoholvergiftiging en ongevallen hoger dan bij iemand die minder drinkt. Terwijl de tweede persoon vooral een hoger risico heeft op chronische gezondheidsschade die zich op lange termijn openbaart, zoals kanker. Voor een aantal aandoeningen geldt dat vooral een langdurig hoog alcoholgebruik bijdraagt aan een hoger risico.

Risico’s anders voor mannen en vrouwen

De gevolgen van alcoholgebruik voor de gezondheid zijn niet voor iedereen hetzelfde: risico's zijn bijvoorbeeld verschillend voor mannen en vrouwen. Dit heeft te maken met een andere lichaamssamenstelling en met een ander alcoholmetabolisme bij vrouwen. Hierdoor hebben vrouwen bij hetzelfde alcoholgebruik, een hoger risico op schade dan mannen. Hier komt nog bij dat vrouwen over het algemeen kleiner van stuk zijn, waardoor ze met dezelfde consumptie gemiddeld een hoger promillage in het bloed krijgen dan mannen (Erol & Karpyak, 2015).

Risico’s hoger voor kinderen en jongeren

De gevolgen zijn ook verschillend voor mensen van verschillende leeftijden. Voor (ongeboren) kinderen en jongvolwassenen geldt dat ze gevoeliger zijn voor de risico's van alcoholgebruik doordat hun lichaam kleiner is, en omdat hun lichaam nog in ontwikkeling is. Het lichaam kan daarom niet alleen schade oplopen, maar ook in de ontwikkeling gestoord worden, onder meer door effect op de hersenontwikkeling. Dit kan zich bijvoorbeeld uiten in gedragsproblematiek of in een hogere gevoeligheid voor alcoholverslaving op latere leeftijd (Feldstein Ewing et al., 2014; Carpenter-Hyland & Chandler, 2007). Voor mensen van middelbare leeftijd geldt dat ze vaker positieve gevolgen kunnen hebben van matig alcoholgebruik. Bij het ouder worden nemen de risico's juist weer toe, door lichamelijke veranderingen en door een verhoogd risico op valongelukken en risicovolle combinaties met medicijnen (Zantinge et al., 2011). 

Alcoholgebruik heeft meer negatieve dan positieve gevolgen

Voor een kleine groep van aandoeningen geldt dat een gemiddeld drinkniveau van één tot enkele glazen per dag een lager risico geeft, terwijl meer drinken weer aan hogere risico's bijdraagt (onder meer coronaire hartziekten, diabetes mellitus type II en dementie). Alles bij elkaar genomen heeft alcoholgebruik echter meer negatieve dan positieve gevolgen. De risicoverlagende effecten van alcoholgebruik gelden namelijk niet alleen voor een klein aantal aandoeningen, maar ook voor een kleine groep mensen. De risicoverlagende effecten overheersen de risicoverhogende effecten van alcoholgebruik alleen bij mensen vanaf middelbare leeftijd, die dagelijks en zeer matig drinken (enkele glazen per dag of minder) (Fernández-Solà, 2015; Klatsky & Udaltsova, 2007; Friesema, 2006; Anderson & Baumberg, 2006). Bovendien neemt het gunstige effect van matig alcohol drinken waarschijnlijk weer af op zeer hoge leeftijd (Anderson & Baumberg, 2006; NIGZ, 2005).

Meer informatie 

Experts en redactie

Datum publicatie

28-03-2018

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Casswell S. Global Alcohol Harm Network: Struggling or Emerging? A Response to Shiffman. International Journal of Health Policy and Management. 2017;6(8):487-488. Bron | DOI
  2. WHO. WHO Global Status Report on Alcohol. Geneve: World Health Organization; 2004. Bron
  3. Cargiulo T. Understanding the health impact of alcohol dependence. Am J Health Syst Pharm. 2007;64(5 Suppl 3):S5-11. Pubmed | DOI
  4. Rehm J. The Risks Associated With Alcohol Use and Alcoholism. Alcohol Res Health. 2011;34(2). Bron
  5. Anderson P, Baumberg B. Alcohol in Europe: a public health perspective. London: Institute of Alcohol Studies; 2006. Bron
  6. Erol A, Karpyak VM. Sex and gender-related differences in alcohol use and its consequences: Contemporary knowledge and future research considerations. Drug and Alcohol Dependence. 2015;156:1-13. Bron | DOI
  7. Feldstein Ewing SSW, Sakhardande A, Blakemore S-J. The effect of alcohol consumption on the adolescent brain: A systematic review of MRI and fMRI studies of alcohol-using youth. NeuroImage: Clinical. 2014;5:420-437. Bron | DOI
  8. Carpenter-Hyland EP, L Chandler J. Adaptive plasticity of NMDA receptors and dendritic spines: implications for enhanced vulnerability of the adolescent brain to alcohol addiction. Pharmacol Biochem Behav. 2007;86(2):200-8. Pubmed | DOI
  9. Zantinge EM, van der Wilk EA, van Wieren S, Schoemaker CG. Gezond ouder worden in Nederland. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2011. Bron
  10. Fernández-Solà J. Cardiovascular risks and benefits of moderate and heavy alcohol consumption. Nature Reviews Cardiology. 2015;12(10):576-587. Bron | DOI
  11. Klatsky AL, Udaltsova N. Alcohol drinking and total mortality risk. Annals of Epidemiology. 2007;17(5):S63-S67. GoogleScholar
  12. Friesema IHM. Alcohol and cardiovascular disease: a longitudal study on impact of intake measurement and health status. Maastricht: Universiteit Maastricht; 2006. GoogleScholar

Sterfte door alcoholgebruik

Sterfte als gevolg van alcoholgebruik 2017

20 jaar en ouder, afgerond op tientallen
  Alcoholgerelateerde sterfte

% toewijsbaar
aan alcohol

Aandoening

Mannen

Vrouwen

Totaal

Totaal

Mondholtekanker

50

             10

   50

14%

Slokdarmkanker

270

-20

250

13%

Dikkedarmkanker

190

50

250

5%

Strottehoofdkanker

40

10

60

26%

Psychische en gedragsstoornissen

420 130

550

100%

Borstkanker

0

140

140

5%

Diabetes

20

50

70

2%

Coronaire hartziekten

-780

-190

-970

-12%

Beroerte 

430

570

1.000

10%

Leverziekten

310

120

420

100%

Verkeersongeval

70

30

90

16%

Totaal (11 oorzaken)

1.010

890

1.910

4,2%
  • Door afronding in tientallen kan de totale alcoholgerelateerde sterfte verschillen van de som van de sterfte van mannen en vrouwen afzonderlijk
  • Psychische en gedragsstoornissen bevat de ICD-10-codes F10.1, F10.2, F10.4, F10.6, F10.7, G31.2, I42.6, K29.2, K86.0, X45, X65, Y15. 
     

In 2017 ruim 1.900 sterfgevallen door alcoholgebruik

In 2017 overleden in Nederland naar schatting 1.910 mensen als gevolg van een selectie van 11 aandoeningen gerelateerd aan alcoholgebruik. Beroerten en psychische en gedragsstoornissen zijn de meest voorkomende doodsoorzaken, gevolgd door leverziekten, slokdarm- en dikkedarmkanker. Er zijn per ziekte duidelijke verschillen in het percentage sterftegevallen dat kan worden toegeschreven aan alcoholgebruik.
Bij de berekening van sterftecijfers is de categorie mensen die tussen de 0 en 0,5 glazen per dag drinkt gekozen als referentiecategorie. Geheelonthouders zijn niet als referentie gekozen omdat deze groep mogelijk meer ex-drinkers of mensen met een slechtere gezondheid bevat. 
Alcoholgebruik kan soms ook beschermend werken (negatieve waarden in tabel) en sterfte voorkomen. Dit geldt met name voor coronaire hartziekten. Over het geheel genomen veroorzaakt alcoholgebruik echter meer sterfte dan dat het sterfte voorkomt, waardoor de voordelen niet opwegen tegen de nadelen. 

Meer informatie

Datum publicatie

25-05-2021

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. van Laar M, Beenakkers E, Cruts G, Ketelaars T, Kuin M, Meijer R, et al. Nationale Drug Monitor. Jaarbericht 2020. Utrecht: Trimbos-instituut; 2021. Bron

Verantwoording

Definities
  • Overmatige drinkers

    Onder overmatige drinkers wordt verstaan: personen die meer dan 14 glazen per week (voor vrouwen) en 21 (voor mannen) glazen alcohol drinken.

  • Zware drinkers

    Onder zware drinkers wordt verstaan: personen die minstens  één keer per week ten minste vier (voor vrouwen) en zes (voor mannen) glazen alcohol op één dag drinken.

  • Binge drinken

    Binge drinken wil zeggen het drinken van vijf glazen alcohol of meer tijdens één enkele gelegenheid.

  • Problematisch alcoholgebruik

    Onder problematisch alcoholgebruik wordt  verstaan:

    • Al het alcoholgebruik door jongeren onder de 18 jaar;
    • Al het alcoholgebruik door zwangere vrouwen;
    • Overmatig drinken;
    • Zwaar drinken;
    • Regelmatig binge drinken (d.w.z. minstens vijf glazen bij één gelegenheid minstens één keer per maand);
    • Een drinkpatroon dat leidt tot lichamelijke klachten en/of psychische of sociale problemen en dat een adequate aanpak van bestaande problemen verhindert.
  • Dronkenschap (ESPAD)

    De grafiek "Dronkenschap onder jongeren" gaat over het percentage jongeren dat zegt de afgelopen 30 dagen minimaal één keer dronken te zijn geweest.

    De onderliggende vraag in de vragenlijst is: "On how many occasions (if any) have you been intoxicated from drinking alcoholic beverages, for example staggered when walking, not being able to speak properly, throwing up or not remembering what happened?”

    Vrij vertaald: "Bij hoeveel gelegenheden (als die er waren) was je zodanig dronken door het drinken van alcohol, dat je bijvoorbeeld zwalkend liep, niet in staat was om normaal te praten, dat je moest overgeven of dat je je niet kon herinneren wat er was gebeurd?"

  • Alcoholgerelateerde ICD-10 codes

    ICD-10 Beschrijving
    F10 Psychische stoornissen en gedragsstoornissen door het gebruik van alcohol
    G31.2 Degeneratie van zenuwstelsel door alcoholgebruik
    G62.1 Alcoholische polyneuropathie
    I42.6 Alcoholische cardiomyopathie
    K29.2 Alcoholische gastritis
    K70.0 Alcoholische vetlever
    K70.1 Alcoholische hepatitis
    K70.2 Alcoholische leverfibrose en leversclerose
    K70.3 Alcoholische levercirrose
    K70.4 Alcoholische leverinsufficiëntie
    K70.9 Alcoholische leverziekten, ongespecificeerd
    K86.0 Alcoholische pancreasontsteking
    Q86.0 Foetaal-alcoholsyndroom (dysmorfisch)
    T51.0 Toxisch gevolg van ethanol
    T51.1 Toxisch gevolg van methanol
    X45 Onopzettelijke vergiftiging door en blootstelling aan alcohol
    X65 Opzettelijke auto-intoxicatie door en opzettelijke blootstelling aan alcohol
    Y15 Vergiftiging door en blootstelling aan alcohol - opzet niet bepaald

     

Bronverantwoording
  • Bronnen bij de cijfers over Alcoholgebruik

    Bron Indicator in VZinfo Gepresenteerde populatie VZinfo Meer informatie
    Leefstijlmonitor (LSM)/Gezondheidsenquête Overmatige drinkers, drinken volgens de richtlijn, zwaar drinken Nederlandse bevolking vanaf 18 jaar  LSMGezondheidsenquête
    Leefstijlmonitor (LSM)/ Peilstationsonderzoek Scholieren Ooit gedronken, afgelopen maand gedronken, binge drinken afgelopen maand Nederlandse scholieren van 12 t/m 16 jaar LSMPeilstationsonderzoek Scholieren Middelengebruik
    Leefstijlmonitor (LSM)/ HBSC-Nederland Ooit gedronken, afgelopen maand gedronken, binge drinken afgelopen maand Nederlandse scholieren van 12 t/m 16 jaar LSM, HBSC-Nederland
    Onderzoek middelengebruik studenten Ooit, afgelopen maand of overmatig gedronken in het weekend Nederlandse mbo en hbo studenten 16 t/m 18 jaar Factsheet Trimbos-instituut
    Gezondheidsmonitor Volwassenen GGD-en, CBS en RIVM 2020 Overmatig drinken, drinken volgens de richtlijn, zwaar drinken Nederlandse bevolking vanaf 18 jaar Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen GGD'en, CBS en RIVMRIVM-StatLine
    Gezondheidsmonitor Jeugd 2019 GGD'en en RIVM Ooit een slokje gedronken, binge drinken afgelopen maand Nederlandse scholieren in klas 2 en 4 Gezondheidsmonitor Jeugd op Zorggegevens, Website Gezondheidsmonitors
    Landelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg (LBZ), CBS Ziekenhuisopnamen door alcoholgebruik Nederlandse bevolking LBZ
    WHO European Health for All Database Alcoholgebruik in liters pure alcohol per jaar Europese bevolking vanaf 15 jaar WHO-HFA
    European School Survey on Alcohol and other Drugs (ESPAD) Percentage dat zegt in de afgelopen maand minimaal één keer dronken te zijn geweest Europese scholieren van 15 en 16 jaar

    ESPAD; ESPAD-Group, 2020

    WHO Global Health Observatory (GHO) Data Repository: Global Information System on Alcohol and Health (GISAH) Bingedrinken Europese bevolking vanaf 15 jaar  WHO GHO, GISAH

     

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. ESPAD-Group. ESPAD Report 2019 — Results from the European School Survey Project on Alcohol and Other Drugs. Luxembourg: EMCDDA/ESPAD; 2020. Bron | DOI
  • Aanvragen data voor wetenschappelijk onderzoek

    De Gezondheidsmonitor (doelgroep Volwassenen en Ouderen) is voor het eerst uitgevoerd in 2012 en opnieuw uitgevoerd in 2016 en 2020. De Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012 en Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 bevatten informatie over de gezondheid, sociale situatie en leefstijl van de Nederlandse bevolking van negentien jaar en ouder. De Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2020 bevat informatie over de Nederlandse bevolking van achttien jaar en ouder. De Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012 en de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 en 2020 zijn uitgevoerd door de GGD’en, CBS en RIVM. In 2012, 2016 en 2020 deden respectievelijk ruim 387.000 personen, 457.000 personen en 539.900 personen mee aan het grootschalige vragenlijstonderzoek. De Gezondheidsmonitor Jeugd 2015 en Gezondheidsmonitor Jeugd 2019 bevatten informatie over de gezondheid, sociale situatie en leefstijl van leerlingen in klas 2 en klas 4 van het voortgezet onderwijs. De Gezondheidsmonitor Jeugd 2015 en 2019 zijn uitgevoerd door de GGD’en en RIVM. In 2015 hebben bijna 97.000 leerlingen en 377 scholen deelgenomen aan deze monitor. In 2019 waren dit 171.192 leerlingen en 707 scholen.

    Meer informatie over de Gezondheidsmonitors vind u hier en hier en voor Gezondheidsmonitors Jeugd vindt u hier. Gewoonlijk kunt u bij het digitale loket Gezondheidsmonitors data of cijfers aanvragen uit de Gezondheidsmonitors voor onderzoek en beleid op zowel lokaal als landelijk niveau. Omdat het digitale loket tijdelijk niet bereikbaar is, kunt u een aanvraag indienen via monitorgezondheid.nl. Momenteel zijn de data en cijfers beschikbaar uit de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2012, Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 en uit de Gezondheidsmonitor Jeugd 2015, Gezondheidsmonitor Jeugd 2019. Data en cijfers uit de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2020 zijn beschikbaar vanaf najaar 2021. Heeft u vragen of wilt u graag meer informatie over de aanvraag van cijfers of data uit de Gezondheidsmonitors? Stuur dan een e-mail.

Methoden
  • Vragenlijsten

    Alcoholgebruik wordt doorgaans met vragenlijsten onderzocht

    Om het alcoholgebruik bij verschillende groepen mensen te onderzoeken, worden meestal vragenlijsten afgenomen. Om een beeld te krijgen van het alcoholgebruik in de hele bevolking, wordt naast de informatie uit vragenlijsten ook wel verkoopinformatie gebruikt. Bij vragenlijstonderzoek is het risico op onderschatting van het alcoholgebruik groter dan het risico op het te hoog inschatten van het eigen alcoholgebruik, in het bijzonder bij de zwaardere drinkers (Garretsen, 1983). 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Garretsen HFL. Probleemdrinken: Prevalentiebepaling, beïnvloedende factoren en preventiemogelijkheden: Theoretische overwegingen en onderzoek in Rotterdam. Tilburg: Tilburg University; 1983. Bron
  • Dataverzameling Gezondheidsenquête 2020

    In 2020 is de dataverzameling voor de Gezondheidsenquête verstoord door de COVID-19-pandemie. Ongeveer een half jaar was het niet mogelijk om aan huis interviews af te nemen. Daardoor kwam er tijdens die periode alleen via internet respons binnen. Om te corrigeren voor het wegvallen van de interviews aan huis is gebruik gemaakt van een aangepast weegmodel met tijdreeksmodellen. Hierdoor zijn de cijfers te vergelijken met de eerdere jaren. Meer informatie over het aangepaste weegmodel kunt u vinden in deze nota.
    De COVID-19-pandemie en de bijbehorende maatregelen hebben mogelijk invloed gehad op het gedrag en de gezondheid van de geïnterviewden. Het is belangrijk hier rekening mee te houden bij het interpreteren van de cijfers van 2020.

  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.

    Toetsing trends

    Toetsing van de trend heeft plaatsgevonden op ongestandaardiseerde data door middel van een logistische regressie, waarbij is gecorrigeerd is voor leeftijd en geslacht. Daarbij wordt getoetst of er een statistisch significante toe- of afname is met een significantieniveau (p-waarde) van 0,05. Vaak is onderscheid gemaakt naar trends in verschillende subpopulaties: mannen, vrouwen en leeftijdsgroepen. Daarnaast is getoetst of de trend voor mannen en vrouwen statistisch significant verschilt.
    De kans op het vinden van een toevallige significante uitkomst neemt toe met het aantal uitgevoerde toetsen. Om hiervoor te corrigeren is een Benjamini‐Hochberg‐correctie op de p‐waardes uitgevoerd.

  • Regionale verschillen: verschil in wijkcijfers

    Verschillende GGD’en hebben voor de Gezondheidsmonitor 2016 de steekproef opgehoogd om voldoende respondenten te hebben om cijfers op wijkniveau te kunnen presenteren. Omdat deze cijfers op een andere manier zijn berekend, kunnen ze afwijken van de cijfers die hier worden gepresenteerd. Niet alleen het onderliggende model is anders, ook het aantal achtergrondkenmerken dat wordt gebruikt verschilt; bij de RIVM schattingen wordt meer informatie over de bevolking gebruikt. Over het algemeen leiden de RIVM schattingen tot kleinere verschillen tussen gebieden dan de cijfers die verkregen zijn door middel van weegmethoden.

    Hieronder vindt u een lijstje van GGD'en met eigen wijkcijfers:

  • Regionale verschillen: Schattingen per wijk

    Aanleiding
    Vanwege de decentralisaties in het sociaal domein is steeds meer informatie nodig over gezondheid gerelateerde indicatoren op kleinere geografische niveaus. Daarom heeft het RIVM een model ontwikkeld om cijfers te kunnen berekenen op wijk- en buurtniveau op basis van de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen van GGD’en, CBS en RIVM. Ondanks dat de Gezondheidsmonitor een enorm databestand is, bevat het onvoldoende respondenten om met behulp van weegmethoden cijfers te berekenen voor alle wijken en buurten in Nederland. In 2012 zijn de eerste wijk- en buurtcijfers gepresenteerd. Op basis van de Gezondheidsmonitor 2016 zijn nieuwe cijfers berekend.

    Methode
    In het kader van de Gezondheidsmonitor zijn via vragenlijsten gegevens over gezondheid en leefstijl verzameld over volwassenen van 19 jaar en ouder. De ruim 457.000 deelnemers aan de Gezondheidsmonitor zijn anoniem in een beveiligde omgeving gekoppeld aan registratiebestanden van het CBS. Deze bestanden bevatten informatie over een reeks achtergrondkenmerken, zoals leeftijd, geslacht, herkomst, huishoudsamenstelling, opleidingsniveau, inkomen en woningtype. Er is een statistisch model gebruikt om de gezondheid en leefstijl te relateren aan deze achtergrondkenmerken. Ook wordt informatie uit de naastgelegen gebieden meegenomen. Door middel van deze relatie is het daarna mogelijk om voor alle volwassenen hun verwachte gezondheid en leefstijl te berekenen. De uitkomsten worden vervolgens gemiddeld over de betreffende wijk of buurt.

    Schattingen
    De cijfers op wijk- en buurtniveau moeten met voorzichtigheid worden gebruikt. Met het model wordt de werkelijkheid zo goed mogelijk benaderd, maar de cijfers blijven schattingen van de werkelijkheid. Daarom worden de uitkomsten ook als hele cijfers (dus zonder decimalen) gepresenteerd. 
    De cijfers uit de Gezondheidsmonitor die zijn verkregen met behulp van weegmethoden zijn echter ook een benadering van de werkelijkheid. De weging is nodig vanwege o.a. selectieve non-respons. Net zoals bij de berekeningen van de wijk- en buurtcijfers zijn de weegfactoren van het CBS ook gebaseerd op achtergrondkenmerken van de respondenten. 

    Verschil tussen cijfers
    Verschillende GGD’en hebben voor de Gezondheidsmonitor 2016 de steekproef opgehoogd om voldoende respondenten te hebben om cijfers op wijkniveau te kunnen presenteren. Omdat deze cijfers op een andere manier zijn berekend, kunnen ze afwijken van de cijfers die hier worden gepresenteerd. Niet alleen het onderliggende model is anders, ook het aantal achtergrondkenmerken dat wordt gebruikt verschilt; bij de RIVM schattingen wordt meer informatie over de bevolking gebruikt. Over het algemeen leiden de RIVM schattingen tot kleinere verschillen tussen gebieden dan de cijfers die verkregen zijn door middel van weegmethoden. 

    Let op: de gepresenteerde gemeentecijfers zijn berekend via de weegmethode van het CBS. De gepresenteerde wijk- en buurtcijfers zijn daardoor niet direct vergelijkbaar met deze gemeentecijfers.

    Grote aantallen nodig

    Voor het doen van dit soort schattingen zijn grote aantallen respondenten nodig. Het is dus niet zo dat het ontwikkelde model de Gezondheidsmonitors kan vervangen. Hoe meer respondenten er zijn, hoe minder er geschat hoeft te worden en hoe beter de cijfers zijn.

    Samenwerking
    De cijfers zijn berekend in het kader van het Strategisch Programma RIVM (SPR), een programma voor onderzoek, innovatie en kennisontwikkeling. Een werkgroep van epidemiologen van GGD’en en GGD GHOR NL is er bij betrokken. 

    Meer weten?
    Een uitgebreide toelichting op de gebruikte methode is beschreven in een artikel (van de Kassteele et al., 2017). Voor de cijfers van 2016 zijn enkele aanpassingen gedaan aan het model.

    Voor vragen kunt u contact opnemen met carolien.van.den.brink@rivm.nl.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. van de Kassteele J, Zwakhals L, Breugelmans O, Ameling C, van den Brink C. Estimating the prevalence of 26 health-related indicators at neighbourhood level in the Netherlands using structured additive regression. International Journal of Health Geographics. 2017;(1). Bron | DOI
  • Inkomensklassen in kwintielen

    Het inkomen van een persoon is uitgedrukt door het gestandaardiseerd besteedbare huishoudensinkomen. Het besteedbare huishoudensinkomen is het totaal aan loon, winst en inkomen uit vermogen, vermeerderd met uitkeringen en toelagen en verminderd met premies en belastingen. Gecorrigeerd voor omvang en samenstelling van het huishouden levert dat vervolgens het gestandaardiseerd besteedbare huishoudensinkomen. De inkomensklassen van personen zijn bepaald aan de hand van de kwintielscore van het huishouden waartoe de persoon (respondent) behoort op basis van het gestandaardiseerd besteedbare huishoudensinkomen. De kwintielscore volgt uit een rangschikking naar oplopend inkomen van alle huishoudens in Nederland met een bekend inkomen, waarna vijf groepen huishoudens van gelijke omvang worden gevormd.

    • De laagste inkomensklasse wordt gevormd door personen met een inkomen van maximaal het 20%-percentiel (het eerste kwintiel).
    • De laag midden inkomensklasse wordt gevormd door personen met een inkomen tussen het 20%-percentiel en het 40%-percentiel (het tweede kwintiel).
    • De midden inkomensklasse wordt gevormd door personen met een inkomen tussen het 40%-percentiel en het 60%-percentiel (het derde kwintiel).
    • De hoog midden inkomensklasse wordt gevormd door personen met een inkomen tussen het 60%-percentiel en het 80%-percentiel (het vierde kwintiel).
    • De hoogste inkomensklasse wordt gevormd door personen met een inkomen van minimaal het 80%-percentiel (het vijfde kwintiel).