Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

ADHDRegionaal & InternationaalRegionaal

Cijfers & Context

Prevalentie ADHD 2,9% in kindertijd

Regionaal & Internationaal

Noord-NL en Brabant meer gebruik ADHD-middelen

Kosten

Preventie & Zorg

Gebruikers ADHD-middelen per zorgkantoorregio

Gebruikers ADHD-middelen 2014

per zorgkantoorregio, gecorrigeerd voor leeftijd en geslacht
Gebruikers ADHD-middelen per zorgkantoorregio 2014
Gebruikers ADHD-middelen 2014
Zorgkantoorregio2014
Groningen14,0
Friesland13,7
Drenthe15,9
Zwolle15,0
Twente8,0
Apeldoorn/Zutphen10,5
Arnhem11,8
Nijmegen12,1
Utrecht13,2
Flevoland14,0
't Gooi12,9
Noord Holland Noord10,4
Kennemerland11,7
Zaanstreek/Waterland11,1
Amsterdam9,0
Amstelland en De Meerlanden10,6
Zuid Holland Noord14,6
Haaglanden12,2
Delft/Westland/Oostland14,2
Midden-Holland13,4
Rotterdam9,6
Nieuwe Waterweg Noord10,9
Zuid Hollandse Eilanden13,1
Waardenland11,6
Zeeland10,3
West Brabant14,5
Midden-Brabant14,5
Noord-Oost Brabant14,3
Zuid Oost Brabant10,7
Noord- en Midden Limburg8,0
Zuid-Limburg9,7
Midden-IJssel11,6

Bron: Zorginstituut Nederland / www.gipdatabank.nl

View all detail data

In Noord-Nederland en Brabant meer gebruik van ADHD-middelen

In het noorden van Nederland en in Brabant worden ADHD-middelen meer gebruikt dan in de rest van Nederland. Ook in de regio's Delft-Westland-Oost, Midden Holland en Zuid-Holland Noord is het gebruik bovengemiddeld.

Landelijk 12 gebruikers per 1.000 Zvw-verzekerden

In 2014 hebben van iedere 1.000 Zvw-verzekerden 12 verzekerden ten minste een keer een ADHD-middel verkregen dat werd vergoed op basis van de Zorgverzekeringswet. In 2014 zijn er ruim 200.000 gebruikers van ADHD-geneesmiddelen. Voor meer informatie over de gebruikte gegevens zie: Definities en Bronverantwoording.

Vergelijk met andere kaart

Het aantal gebruikers zegt niets over de gebruikte hoeveelheid van geneesmiddelen. De hoeveelheid geneesmiddelen kan per gebruiker variëren. Voor het meten en vergelijken van de gebruikte hoeveelheid wordt daarom gebruik gemaakt van het aantal standaarddagdoseringen (DDD, Defined Daily Dose).

Meer informatie

Verantwoording

Definities
  • ADHD

    ADHD (Attention-Deficit/Hyperactivity Disorder) staat voor aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis. ADHD behoort tot de neurobiologische ontwikkelingsstoornissen, die meestal vroeg in de ontwikkeling van het kind beginnen, vaak nog voor het kind naar de basisschool gaat, en beperkingen veroorzaken in het persoonlijke, sociale, schoolse of beroepsmatige functioneren. ADHD wordt gedefinieerd door beperkende verstoringen in de aandacht, desorganisatie en/of hyperactiviteit-impulsiviteit (American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014). De symptomen komen voor in een mate die niet past bij de leeftijd of het ontwikkelingsniveau.

    In Nederland vindt de classificatie van psychische stoornissen plaats met behulp van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders-5 (DSM-5; APA, 2014). Deze stelt dat er sprake is van ADHD wanneer aan alle van de volgende criteria (A t/m E) is voldaan:

    Criteria ter classificatie van ADHD

    A Een persisterend patroon van onoplettendheid en/of hyperactiviteit-impulsiviteit dat interfereert met het functioneren of de ontwikkeling, zoals gekenmerkt door (1) en/of (2):
     

    (1) Onoplettendheid: minstens 6 van de volgende symptomen zijn gedurende minstens 6 maanden aanwezig: 

    a. Geeft onvoldoende aandacht aan details of maakt achteloze fouten
    b. Moeite de aandacht bij taken of spelactiviteiten te houden

    c. Lijkt vaak niet te luisteren als hij/zij direct wordt aangesproken

    d. Volgt vaak aanwijzingen niet op en slaagt er vaak niet in om taken af te maken

    e. Heeft moeite met het organiseren van taken en activiteiten

    f. Vermijdt, heeft een afkeer van, of is onwillig zich bezig te houden met taken die langdurige geestelijke inspanning vereisen

    g. Raakt vaak dingen kwijt die nodig zijn voor taken of activiteiten

    h. Wordt makkelijk afgeleid door prikkels

    i. Is vaak vergeetachtig bij dagelijkse bezigheden

     

    (2) Hyperactiviteit en impulsiviteit: minstens 6 van de volgende symptomen zijn gedurende minstens 6 maanden aanwezig (behalve voor mensen vanaf 17 jaar; zij moeten aan minstens 5 symptomen voldoen):

    a. Beweegt vaak onrustig met handen of voeten, of draait in zijn of haar stoel

    b. Staat vaak op in situaties waarin verwacht wordt dat je op je plaats blijft zitten

    c. Rent vaak rond of klimt overal in op ongepaste momenten (volwassenen: gevoel van rusteloosheid)

    d. Kan moeilijk rustig zijn of zich bezighouden met ontspannende activiteiten

    e. Is vaak ‘in de weer’ of ‘draaft maar door’

    f. Praat vaak excessief veel

    g. Gooit het antwoord er vaak al uit voordat een vraag afgemaakt is

    h. Heeft moeite op zijn/haar beurt te wachten

    i. Stoort vaak anderen of dringt zich op

    B Meerdere symptomen van onoplettendheid of hyperactiviteit-impulsiviteit waren voor het 12e levensjaar aanwezig
    C Meerdere symptomen van onoplettendheid of hyperactiviteit-impulsiviteit zijn aanwezig op 2 of meer terreinen (bijvoorbeeld op school/werk en met gezinsleden)
    D De symptomen verstoren het functioneren
    E De symptomen kunnen niet beter worden verklaard door een andere psychische stoornis 


    Naast de genoemde criteria dient te worden aangegeven of er sprake is van de volgende specificaties: 

    • Gecombineerd beeld: er is zowel sprake van onoplettendheid als van hyperactiviteit-impulsiviteit 
    • Overwegend onoplettend beeld: onoplettendheid, maar geen hyperactiviteit-impulsiviteit
    • Overwegend hyperactief-impulsief beeld: hyperactiviteit-impulsiviteit, maar geen onoplettendheid 
    • Gedeeltelijk in remissie: als de symptomen verminderen, maar nog wel beperkingen in het functioneren veroorzaken
    • Ernst: licht, matig of ernstig

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. Handboek voor de classificatie van psychische stoornissen. Nederlandse vertaling van Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders 5th Edition (DSM-5). Amsterdam: Uitgeverij Boom; 2014. Bron
  • Verandering in classificatiesysteem voor psychische stoornissen

    In 2013 is het vernieuwde handboek voor de classificatie van psychische stoornissen (DSM-5) uitgegeven en is een overgang in gang gezet naar het werken met dit classificatiesysteem. Vanaf januari 2017 is de DSM-5 in gebruik genomen en is deze versie het nieuwe uitgangspunt bij de beoordeling of er sprake is van een psychische stoornis. Vóór de uitgave van de DSM-5 werd gebruik gemaakt van de oudere versie, de DSM-IV. Om deze reden is veel onderzoek naar psychische stoornissen nog gebaseerd op DSM-IV. Dit geldt ook voor ADHD. In VZinfo zijn de diagnoses van ADHD in de meeste gevallen nog gesteld op basis van de criteria van de DSM-IV. 

    Er zijn een aantal verschillen tussen de criteria van ADHD in de DSM-5 en die in de DSM-IV. Een belangrijke wijziging is dat de criteria nu voorzien zijn van voorbeelden, waardoor de criteria niet alleen voor kinderen, maar ook voor volwassenen goed toepasbaar zijn. Een andere verandering is dat verscheidene ADHD-symptomen voor het 12e levensjaar, in plaats van voor het 7e jaar aanwezig dienen te zijn. Ook zijn de de verschillende subtypen van ADHD verdwenen en vervangen door specificaties met dezelfde inhoud als de eerdere subtypen. Het stellen van diagnoses volgens de DSM-5 heeft mogelijk gevolgen voor nieuwe cijfers over het vóórkomen van ADHD in Nederland.

     

Bronverantwoording
  • De gebruikte methode om ADHD te schatten bepaalt uitkomsten

    De gevonden prevalentiecijfers voor ADHD , voor zowel kinderen als volwassenen, zijn sterk afhankelijk van de onderzoekspopulatie en gebruikte onderzoeksmethode. Factoren die van invloed kunnen zijn, zijn (Skounti et al., 2006):

    • selectie van de onderzoekspopulatie (bijvoorbeeld leeftijd, etnische achtergrond en sociaaleconomische status van de onderzochte personen)
    • de gebruikte bron van informatie (ouder, leraar of persoon zelf)
    • aantal vereiste terreinen waarop afwijkend gedrag aanwezig is (bijvoorbeeld thuis en/of op school)
    • gehanteerde diagnostische criteria (volgens ICD-10, DSM-III-R, DSM-IV of DSM-5)
    • gebruikte meetinstrumenten

    Bovendien is er verschil tussen het meten van de prevalentie in bevolkingsonderzoek en psychiatrische diagnostiek. In psychiatrisch onderzoek wordt vaak op meerdere momenten met de patiënt, verzorger(s) en zo mogelijk familie, schoolleiders  en partner gesprekken gevoerd, worden testen afgenomen en kan observatie thuis of op het onderzoekscentrum plaatsvinden. In een epidemiologisch onderzoek wordt eenmalig bij de respondent een gestandaardiseerd interview afgenomen (al dan niet door een clinicus).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Skounti M, Philalithis A, Galanakis E. Variations in prevalence of attention deficit hyperactivity disorder worldwide. European Journal of Pediatrics. 2006;166(2):117-123. Bron | DOI
  • ADHD in bevolkingsonderzoek NEMESIS

    Op bevolkingsniveau zijn gegevens over het voorkomen van ADHD beschikbaar uit het NEMESIS-2-onderzoek onder 18- 44-jarigen (Tuithof et al., 2010; Tuithof et al., 2014). NEMESIS-2 is gebaseerd op een landelijke steekproef onder 6.646 personen van 18-64 jaar bij wie tussen 2007 en 2009 een psychiatrisch interview is afgenomen met behulp van de CIDI 3.0. Dezelfde respondenten zijn tussen 2010 en 2012 nogmaals benaderd voor follow-updeelname (de Graaf et al., 2010). De cijfers over het voorkomen van ADHD zijn afkomstig uit de eerste meting. De prevalentie van ADHD is alleen bij 18-44-jarigen vastgesteld (3.309 personen), omdat bij oudere respondenten de kans groter is op herinneringsfouten.

    Het voorkomen van ADHD in de kindertijd is in NEMESIS niet gemeten bij kinderen zelf, maar is retrospectief vastgesteld, door volwassenen van 18-44 jaar te vragen naar het voorkomen van symptomen in de kindertijd. Kindertijd is verder niet gespecificeerd. Hierbij kunnen herinneringseffecten een rol hebben gespeeld, leidend tot zowel over- als onderrapportage. Er is bij de meting niet gebruik gemaakt van informatie van ouders of leerkrachten.

    De non-respons in het onderzoek kan hebben geleid tot een onderschatting van de prevalentie (Tuithof et al., 2010). Onder de non-responders (de mensen die wel gevraagd zijn om mee te doen aan het onderzoek maar die niet meegedaan hebben) kwam namelijk significant vaker minstens één lifetime symptoom van aandachtstekort- en gedragsstoornissen voor dan onder responders (de Graaf et al., 2010). Bij het non-responsonderzoek werden na afloop van het veldwerk de non-respondenten telefonisch benaderd, en werd gevraagd naar het voorkomen van drie symptomen van aandachtstekort- en gedragsstoornissen. Daarnaast bleken de moeilijkst te bereiken of te overreden respondenten vaker aandachts- en gedragsstoornissen te hebben (de Graaf et al., 2010).

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. NEMESIS-2, Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study-2. zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. Tuithof M, ten Have M, van Dorsselaer S, de Graaf R. ADHD, gedragsstoornissen en antisociale persoonlijkheidsstoornis. Vóórkomen en gevolgen in de algemene bevolking: resultaten van NEMESIS-2. Utrecht: Trimbos-instituut; 2010. Bron
    2. Tuithof M, ten Have M, van Dorsselaer S, de Graaf R. Prevalence, persistency and consequences of ADHD in the Dutch adult population. Tijdschr Psychiatr. 2014;56(1):10-9. Bron | Pubmed
    3. de Graaf R, ten Have MM, van Dorsselaer S. De psychische gezondheid van de Nederlandse bevolking. NEMESIS-2: Opzet en eerste resultaten. Utrecht: Trimbos-instituut; 2010. Bron
  • ADHD in bevolkingsonderzoek LASA

    In het bevolkingsonderzoek Longitudinal Aging Study Amsterdam (LASA) is in 2008-2009 onder personen van 60-94 jaar het voorkomen van ADHD onderzocht (Michielsen et al., 2012). Hiertoe werden 1.494 personen gescreend met een ADHD-vragenlijst, afgenomen door een verpleegkundige. Vervolgens werd bij alle personen die een verhoogd risico hadden volgens het screeningsinstrument, een gestructureerd diagnostisch interview afgenomen. Daarnaast werd dit afgenomen bij een steekproef van personen met een matig en laag risico. In totaal werd het diagnostisch instrument afgenomen bij 231 personen. Het instrument Diagnostisch Interview Voor ADHD bij volwassenen (DIVA 2.0) is gebaseerd op de criteria van de DSM-IV-TR (American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014). De prevalentiecijfers werden gewogen naar de kans om in de  steekproef terecht te komen, en teruggewogen naar de Nederlandse bevolkingsopbouw- en samenstelling qua leeftijd en geslacht.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. LASA, Longitudinal Aging Study Amsterdam. zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. Michielsen M, Semeijn E, Comijs HC, van de Ven P, Beekman ATF, Deeg DJH, et al. Prevalence of attention-deficit hyperactivity disorder in older adults in The Netherlands. Br J Psychiatry. 2012;201(4):298-305. Pubmed | DOI
    2. American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. Handboek voor de classificatie van psychische stoornissen. Nederlandse vertaling van Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders 5th Edition (DSM-5). Amsterdam: Uitgeverij Boom; 2014. Bron
  • ADHD-achtige symptomen in de CBS-gezondheidsenquête

    De CBS-gezondheidsenquête, voorheen POLS, gezondheid en welzijn, is een enquête-onderzoek onder de bevolking van Nederland, woonachtig in particuliere huishoudens. In de periode 2001-2013 is aan ouders of verzorgers gevraagd naar symptomen van ADHD bij hun kinderen van 2-11 jaar oud. De vragen die gesteld werden, luidden:

    Kunt u aangeven in welke mate de volgende uitspraken van toepassing zijn op uw kind?

    • Mijn kind vertoont rusteloos gedrag, kan bijna nooit stil zitten
    • Mijn kind zit voortdurend te friemelen en te draaien
    • Mijn kind kan zich slechts kort op een bepaalde bezigheid richten

    De antwoordcategorieën luidden: niet van toepassing, enigszins of soms van toepassing, dat is duidelijk van toepassing. Als op alle drie vragen steeds met de categorie 'duidelijk van toepassing' werd geantwoord, wordt gesteld dat het kind ADHD-achtige symptomen heeft. Er is niet gevraagd naar disfunctioneren. Vanaf 2014 zijn de vragen over ADHD-achtige symptomen niet meer gesteld in de CBS-Gezondheidsenquête.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. CBS-Gezondheidsenquête, CBS-GE. zorggegevens.nl
  • ADHD-achtige symptomen in het HBSC-onderzoek

    Het Health Behaviour in School-Aged Children (HBSC)-onderzoek is een internationaal onderzoek naar de gezondheidsbeleving, psychische gezondheid, mate van sociale integratie en risicogedrag onder jongeren van 11-16 jaar. Sinds 2001 wordt dit onderzoek in Nederland elke vier jaar uitgevoerd. De laatste meting dateert van 2013 (de Looze et al., 2014). Leerlingen vullen klassikaal een vragenlijst in, en krijgen een vragenlijst mee voor hun ouders. Sinds 2005 maakt de Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ) deel uit van de vragenlijst. Hiermee kunnen emotionele problemen en probleemgedrag van jongeren worden vastgesteld, waaronder aan aandachtsstoornissen verwante symptomen. De vragenlijst bevat daarover vijf uitspraken (items): rusteloosheid, wiebelen en friemelen, snel afgeleid zijn, impulsiviteit en gebrek aan concentratie. Een voorbeelditem is: ‘Ik ben rusteloos, ik kan niet lang stilzitten’. Hiervan kunnen zij aangeven of dit de afgelopen zes maanden ‘niet waar’, ‘een beetje waar’ of ‘zeker waar’ was. De mate waarin jongeren beperkt worden in hun functioneren, is niet meegewogen.

    Bij de presentatie van de resultaten van de SDQ is gewerkt met afkappunten. Het afkappunt is zo vastgesteld dat ongeveer 15 procent van de jeugdigen uit het HBSC-onderzoek van 2005 een score boven dit afkappunt vertoonde. Het gebruik van een dergelijk afkappunt kan leiden tot relatief hoge prevalentiecijfers. Daarom is niet zozeer de absolute waarde van de prevalentie interessant, maar veeleer de verschillen tussen bepaalde groepen jeugdigen of veranderingen in de tijd.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. HBSC, Health Behaviour in School-Aged Children. zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. de Looze M, van Dorsselaer S, de Roos S, Verdurmen JEE, Stevens G, Gommans R. HBSC 2013 Gezondheid, welzijn en opvoeding van jongeren in Nederland. Utrecht: Universiteit Utrecht; 2014. Bron
  • ADHD-achtige symptomen in huisartsenregistraties

    Op basis van gegevens van de NIVEL Zorgregistraties eerste lijn is geschat hoeveel mensen bij de huisarts bekend zijn met ADHD (prevalentie) en bij hoeveel personen met ADHD er per jaar bijkomen. Voor ADHD is in het huisartsgeneeskundig classificatiesysteem ICPC-1 geen diagnosecode opgenomen, maar wel twee symptoomcodes. Dat zijn P21, overactief kind/hyperkinetisch syndroom, en P20, geheugen-/concentratie-/oriëntatiestoornissen. Uit de registratie blijkt dat ook volwassenen de symptoomcode P20 of P21 kunnen krijgen. P20 wordt ook gebruikt bij ouderen met geheugenproblemen, daarom worden in VZinfo voor deze code alleen gegevens tot 45 jaar gebruikt. Het is belangrijk om te benadrukken dat de cijfers niet perse verwijzen naar personen met een diagnose die voldoet aan de DSM-5 criteria, maar dat het gaat om indicatieve cijfers. Daarom wordt gesproken van het aantal personen met ADHD-achtige symptomen op basis van de NIVEL Zorgregistraties eerste lijn.

    Voor de beschrijving van de trends in jaarprevalentie en het aantal nieuwe gevallen van ADHD-achtige symptomen worden gegevens gepresenteerd van drie huisartsenregistraties: Transitie-project/FaMe-net, RNFM, voorheen RNH-Limburg en NIVEL Zorgregistraties eerste lijn. De cijfers uit het Transitieproject/FaMe-net en RNFM, voorheen RNH-Limburg zijn gebaseerd op de ICPC-1-code P21. De cijfers uit de NIVEL Zorgregistratie Eerste Lijn zijn voor kinderen gebaseerd op ICPC-1-codes P20 en P21, en voor volwassenen op P20, P21 en P22, waarbij P22 staat voor andere zorgen gedrag kind.

    Meer informatie over het schatten van morbiditeit op basis van gegevens uit huisartsenregistraties is te vinden in Gebruik van huisartsenregistraties voor schattingen morbiditeit

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. NIVEL Zorgregistraties eerste lijn, NIVEL Zorgregistraties. zorggegevens.nl
    2. FaMe-net, Family Medicine Network. zorggegevens.nl
    3. RNFM, voorheen RNH-Limburg, Research Network Family Medicine (RNFM) Maastricht voorheen: Registratienet Huisartspraktijken Limburg. zorggegevens.nl
    4. Transitieproject, Transitieproject (zorgepisoderegistratie). zorggegevens.nl