Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

ADHDKostenZorguitgaven

Cijfers & Context

Prevalentie ADHD 2,9% in kindertijd

Regionaal & Internationaal

Noord-NL en Brabant meer gebruik ADHD-middelen

Kosten

Zorguitgaven voor ADHD 267 miljoen

Preventie & Zorg

Zorguitgaven ADHD naar sector

Zorguitgaven voor ADHD 267 miljoen in 2017

De zorguitgaven voor ADHD waren 266,8 miljoen euro in 2017. Dit komt overeen met 1,1% van de totale zorguitgaven voor psychische stoornissen en 0,3% van de totale uitgaven aan de gezondheidszorg in Nederland. Van de zorguitgaven voor ADHD werd het grootste deel besteed aan geestelijke gezondheidszorg (65%), gevolgd door ziekenhuiszorg (15%) en genees- en hulpmiddelen (14%). 

Meer informatie

Zorguitgaven ADHD naar leeftijd en geslacht

Zorguitgaven ADHD 2017

LeeftijdMannenVrouwen
000
1-42,70,4
5-950,813,7
10-1448,615,5
15-1924,710,2
20-247,85,4
25-297,24,6
30-3463,7
35-396,43,7
40-445,93,6
45-495,83,7
50-545,23,6
55-594,33,2
60-643,72,8
65-693,82,9
70-743,31,5
75-791,30,5
80-840,10,2
85-8900
90-9400
95+00
  • Geraamde cijfers
  • ICD-10 code F90

Zorguitgaven ADHD vooral op jonge leeftijd

Ruim 61% van de zorguitgaven voor ADHD worden gemaakt op jongere leeftijd van 5 tot en met 19 jaar. Na het 75e levensjaar worden er nauwelijks nog zorguitgaven gemaakt voor ADHD. De zorguitgaven zijn veel hoger voor mannen (70%) dan voor vrouwen (30%). De verdeling van zorguitgaven komt overeen met de prevalentie van ADHD (zie cijfers & context). De zorguitgaven voor ADHD waren 266,8 miljoen euro in 2017. 

Meer informatie

Verantwoording

Definities
  • ADHD

    ADHD (Attention-Deficit/Hyperactivity Disorder) staat voor aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis. ADHD behoort tot de neurobiologische ontwikkelingsstoornissen, die meestal vroeg in de ontwikkeling van het kind beginnen, vaak nog voor het kind naar de basisschool gaat, en beperkingen veroorzaken in het persoonlijke, sociale, schoolse of beroepsmatige functioneren. ADHD wordt gedefinieerd door beperkende verstoringen in de aandacht, desorganisatie en/of hyperactiviteit-impulsiviteit (American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014). De symptomen komen voor in een mate die niet past bij de leeftijd of het ontwikkelingsniveau.

    In Nederland vindt de classificatie van psychische stoornissen plaats met behulp van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders-5 (DSM-5; APA, 2014). Deze stelt dat er sprake is van ADHD wanneer aan alle van de volgende criteria (A t/m E) is voldaan:

    Criteria ter classificatie van ADHD

    A Een persisterend patroon van onoplettendheid en/of hyperactiviteit-impulsiviteit dat interfereert met het functioneren of de ontwikkeling, zoals gekenmerkt door (1) en/of (2):
     

    (1) Onoplettendheid: minstens 6 van de volgende symptomen zijn gedurende minstens 6 maanden aanwezig: 

    a. Geeft onvoldoende aandacht aan details of maakt achteloze fouten
    b. Moeite de aandacht bij taken of spelactiviteiten te houden

    c. Lijkt vaak niet te luisteren als hij/zij direct wordt aangesproken

    d. Volgt vaak aanwijzingen niet op en slaagt er vaak niet in om taken af te maken

    e. Heeft moeite met het organiseren van taken en activiteiten

    f. Vermijdt, heeft een afkeer van, of is onwillig zich bezig te houden met taken die langdurige geestelijke inspanning vereisen

    g. Raakt vaak dingen kwijt die nodig zijn voor taken of activiteiten

    h. Wordt makkelijk afgeleid door prikkels

    i. Is vaak vergeetachtig bij dagelijkse bezigheden

     

    (2) Hyperactiviteit en impulsiviteit: minstens 6 van de volgende symptomen zijn gedurende minstens 6 maanden aanwezig (behalve voor mensen vanaf 17 jaar; zij moeten aan minstens 5 symptomen voldoen):

    a. Beweegt vaak onrustig met handen of voeten, of draait in zijn of haar stoel

    b. Staat vaak op in situaties waarin verwacht wordt dat je op je plaats blijft zitten

    c. Rent vaak rond of klimt overal in op ongepaste momenten (volwassenen: gevoel van rusteloosheid)

    d. Kan moeilijk rustig zijn of zich bezighouden met ontspannende activiteiten

    e. Is vaak ‘in de weer’ of ‘draaft maar door’

    f. Praat vaak excessief veel

    g. Gooit het antwoord er vaak al uit voordat een vraag afgemaakt is

    h. Heeft moeite op zijn/haar beurt te wachten

    i. Stoort vaak anderen of dringt zich op

    B Meerdere symptomen van onoplettendheid of hyperactiviteit-impulsiviteit waren voor het 12e levensjaar aanwezig
    C Meerdere symptomen van onoplettendheid of hyperactiviteit-impulsiviteit zijn aanwezig op 2 of meer terreinen (bijvoorbeeld op school/werk en met gezinsleden)
    D De symptomen verstoren het functioneren
    E De symptomen kunnen niet beter worden verklaard door een andere psychische stoornis 


    Naast de genoemde criteria dient te worden aangegeven of er sprake is van de volgende specificaties: 

    • Gecombineerd beeld: er is zowel sprake van onoplettendheid als van hyperactiviteit-impulsiviteit 
    • Overwegend onoplettend beeld: onoplettendheid, maar geen hyperactiviteit-impulsiviteit
    • Overwegend hyperactief-impulsief beeld: hyperactiviteit-impulsiviteit, maar geen onoplettendheid 
    • Gedeeltelijk in remissie: als de symptomen verminderen, maar nog wel beperkingen in het functioneren veroorzaken
    • Ernst: licht, matig of ernstig

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. Handboek voor de classificatie van psychische stoornissen. Nederlandse vertaling van Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders 5th Edition (DSM-5). Amsterdam: Uitgeverij Boom; 2014. Bron
  • Verandering in classificatiesysteem voor psychische stoornissen

    In 2013 is het vernieuwde handboek voor de classificatie van psychische stoornissen (DSM-5) uitgegeven en is een overgang in gang gezet naar het werken met dit classificatiesysteem. Vanaf januari 2017 is de DSM-5 in gebruik genomen en is deze versie het nieuwe uitgangspunt bij de beoordeling of er sprake is van een psychische stoornis. Vóór de uitgave van de DSM-5 werd gebruik gemaakt van de oudere versie, de DSM-IV. Om deze reden is veel onderzoek naar psychische stoornissen nog gebaseerd op DSM-IV. Dit geldt ook voor ADHD. In VZinfo zijn de diagnoses van ADHD in de meeste gevallen nog gesteld op basis van de criteria van de DSM-IV. 

    Er zijn een aantal verschillen tussen de criteria van ADHD in de DSM-5 en die in de DSM-IV. Een belangrijke wijziging is dat de criteria nu voorzien zijn van voorbeelden, waardoor de criteria niet alleen voor kinderen, maar ook voor volwassenen goed toepasbaar zijn. Een andere verandering is dat verscheidene ADHD-symptomen voor het 12e levensjaar, in plaats van voor het 7e jaar aanwezig dienen te zijn. Ook zijn de de verschillende subtypen van ADHD verdwenen en vervangen door specificaties met dezelfde inhoud als de eerdere subtypen. Het stellen van diagnoses volgens de DSM-5 heeft mogelijk gevolgen voor nieuwe cijfers over het vóórkomen van ADHD in Nederland.

     

Bronverantwoording
  • De gebruikte methode om ADHD te schatten bepaalt uitkomsten

    De gevonden prevalentiecijfers voor ADHD , voor zowel kinderen als volwassenen, zijn sterk afhankelijk van de onderzoekspopulatie en gebruikte onderzoeksmethode. Factoren die van invloed kunnen zijn, zijn (Skounti et al., 2006):

    • selectie van de onderzoekspopulatie (bijvoorbeeld leeftijd, etnische achtergrond en sociaaleconomische status van de onderzochte personen)
    • de gebruikte bron van informatie (ouder, leraar of persoon zelf)
    • aantal vereiste terreinen waarop afwijkend gedrag aanwezig is (bijvoorbeeld thuis en/of op school)
    • gehanteerde diagnostische criteria (volgens ICD-10, DSM-III-R, DSM-IV of DSM-5)
    • gebruikte meetinstrumenten

    Bovendien is er verschil tussen het meten van de prevalentie in bevolkingsonderzoek en psychiatrische diagnostiek. In psychiatrisch onderzoek wordt vaak op meerdere momenten met de patiënt, verzorger(s) en zo mogelijk familie, schoolleiders  en partner gesprekken gevoerd, worden testen afgenomen en kan observatie thuis of op het onderzoekscentrum plaatsvinden. In een epidemiologisch onderzoek wordt eenmalig bij de respondent een gestandaardiseerd interview afgenomen (al dan niet door een clinicus).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Skounti M, Philalithis A, Galanakis E. Variations in prevalence of attention deficit hyperactivity disorder worldwide. European Journal of Pediatrics. 2006;166(2):117-123. Bron | DOI
  • ADHD in bevolkingsonderzoek NEMESIS

    Op bevolkingsniveau zijn gegevens over het voorkomen van ADHD beschikbaar uit het NEMESIS-2-onderzoek onder 18- 44-jarigen (Tuithof et al., 2010; Tuithof et al., 2014). NEMESIS-2 is gebaseerd op een landelijke steekproef onder 6.646 personen van 18-64 jaar bij wie tussen 2007 en 2009 een psychiatrisch interview is afgenomen met behulp van de CIDI 3.0. Dezelfde respondenten zijn tussen 2010 en 2012 nogmaals benaderd voor follow-updeelname (de Graaf et al., 2010). De cijfers over het voorkomen van ADHD zijn afkomstig uit de eerste meting. De prevalentie van ADHD is alleen bij 18-44-jarigen vastgesteld (3.309 personen), omdat bij oudere respondenten de kans groter is op herinneringsfouten.

    Het voorkomen van ADHD in de kindertijd is in NEMESIS niet gemeten bij kinderen zelf, maar is retrospectief vastgesteld, door volwassenen van 18-44 jaar te vragen naar het voorkomen van symptomen in de kindertijd. Kindertijd is verder niet gespecificeerd. Hierbij kunnen herinneringseffecten een rol hebben gespeeld, leidend tot zowel over- als onderrapportage. Er is bij de meting niet gebruik gemaakt van informatie van ouders of leerkrachten.

    De non-respons in het onderzoek kan hebben geleid tot een onderschatting van de prevalentie (Tuithof et al., 2010). Onder de non-responders (de mensen die wel gevraagd zijn om mee te doen aan het onderzoek maar die niet meegedaan hebben) kwam namelijk significant vaker minstens één lifetime symptoom van aandachtstekort- en gedragsstoornissen voor dan onder responders (de Graaf et al., 2010). Bij het non-responsonderzoek werden na afloop van het veldwerk de non-respondenten telefonisch benaderd, en werd gevraagd naar het voorkomen van drie symptomen van aandachtstekort- en gedragsstoornissen. Daarnaast bleken de moeilijkst te bereiken of te overreden respondenten vaker aandachts- en gedragsstoornissen te hebben (de Graaf et al., 2010).

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. NEMESIS-2, Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study-2. zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. Tuithof M, ten Have M, van Dorsselaer S, de Graaf R. ADHD, gedragsstoornissen en antisociale persoonlijkheidsstoornis. Vóórkomen en gevolgen in de algemene bevolking: resultaten van NEMESIS-2. Utrecht: Trimbos-instituut; 2010. Bron
    2. Tuithof M, ten Have M, van Dorsselaer S, de Graaf R. Prevalence, persistency and consequences of ADHD in the Dutch adult population. Tijdschr Psychiatr. 2014;56(1):10-9. Bron | Pubmed
    3. de Graaf R, ten Have MM, van Dorsselaer S. De psychische gezondheid van de Nederlandse bevolking. NEMESIS-2: Opzet en eerste resultaten. Utrecht: Trimbos-instituut; 2010. Bron
  • ADHD in bevolkingsonderzoek LASA

    In het bevolkingsonderzoek Longitudinal Aging Study Amsterdam (LASA) is in 2008-2009 onder personen van 60-94 jaar het voorkomen van ADHD onderzocht (Michielsen et al., 2012). Hiertoe werden 1.494 personen gescreend met een ADHD-vragenlijst, afgenomen door een verpleegkundige. Vervolgens werd bij alle personen die een verhoogd risico hadden volgens het screeningsinstrument, een gestructureerd diagnostisch interview afgenomen. Daarnaast werd dit afgenomen bij een steekproef van personen met een matig en laag risico. In totaal werd het diagnostisch instrument afgenomen bij 231 personen. Het instrument Diagnostisch Interview Voor ADHD bij volwassenen (DIVA 2.0) is gebaseerd op de criteria van de DSM-IV-TR (American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014). De prevalentiecijfers werden gewogen naar de kans om in de  steekproef terecht te komen, en teruggewogen naar de Nederlandse bevolkingsopbouw- en samenstelling qua leeftijd en geslacht.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. LASA, Longitudinal Aging Study Amsterdam. zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. Michielsen M, Semeijn E, Comijs HC, van de Ven P, Beekman ATF, Deeg DJH, et al. Prevalence of attention-deficit hyperactivity disorder in older adults in The Netherlands. Br J Psychiatry. 2012;201(4):298-305. Pubmed | DOI
    2. American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. Handboek voor de classificatie van psychische stoornissen. Nederlandse vertaling van Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders 5th Edition (DSM-5). Amsterdam: Uitgeverij Boom; 2014. Bron
  • ADHD-achtige symptomen in de CBS-gezondheidsenquête

    De CBS-gezondheidsenquête, voorheen POLS, gezondheid en welzijn, is een enquête-onderzoek onder de bevolking van Nederland, woonachtig in particuliere huishoudens. In de periode 2001-2013 is aan ouders of verzorgers gevraagd naar symptomen van ADHD bij hun kinderen van 2-11 jaar oud. De vragen die gesteld werden, luidden:

    Kunt u aangeven in welke mate de volgende uitspraken van toepassing zijn op uw kind?

    • Mijn kind vertoont rusteloos gedrag, kan bijna nooit stil zitten
    • Mijn kind zit voortdurend te friemelen en te draaien
    • Mijn kind kan zich slechts kort op een bepaalde bezigheid richten

    De antwoordcategorieën luidden: niet van toepassing, enigszins of soms van toepassing, dat is duidelijk van toepassing. Als op alle drie vragen steeds met de categorie 'duidelijk van toepassing' werd geantwoord, wordt gesteld dat het kind ADHD-achtige symptomen heeft. Er is niet gevraagd naar disfunctioneren. Vanaf 2014 zijn de vragen over ADHD-achtige symptomen niet meer gesteld in de CBS-Gezondheidsenquête.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. CBS-Gezondheidsenquête, CBS-GE. zorggegevens.nl
  • ADHD-achtige symptomen in het HBSC-onderzoek

    Het Health Behaviour in School-Aged Children (HBSC)-onderzoek is een internationaal onderzoek naar de gezondheidsbeleving, psychische gezondheid, mate van sociale integratie en risicogedrag onder jongeren van 11-16 jaar. Sinds 2001 wordt dit onderzoek in Nederland elke vier jaar uitgevoerd. De laatste meting dateert van 2013 (de Looze et al., 2014). Leerlingen vullen klassikaal een vragenlijst in, en krijgen een vragenlijst mee voor hun ouders. Sinds 2005 maakt de Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ) deel uit van de vragenlijst. Hiermee kunnen emotionele problemen en probleemgedrag van jongeren worden vastgesteld, waaronder aan aandachtsstoornissen verwante symptomen. De vragenlijst bevat daarover vijf uitspraken (items): rusteloosheid, wiebelen en friemelen, snel afgeleid zijn, impulsiviteit en gebrek aan concentratie. Een voorbeelditem is: ‘Ik ben rusteloos, ik kan niet lang stilzitten’. Hiervan kunnen zij aangeven of dit de afgelopen zes maanden ‘niet waar’, ‘een beetje waar’ of ‘zeker waar’ was. De mate waarin jongeren beperkt worden in hun functioneren, is niet meegewogen.

    Bij de presentatie van de resultaten van de SDQ is gewerkt met afkappunten. Het afkappunt is zo vastgesteld dat ongeveer 15 procent van de jeugdigen uit het HBSC-onderzoek van 2005 een score boven dit afkappunt vertoonde. Het gebruik van een dergelijk afkappunt kan leiden tot relatief hoge prevalentiecijfers. Daarom is niet zozeer de absolute waarde van de prevalentie interessant, maar veeleer de verschillen tussen bepaalde groepen jeugdigen of veranderingen in de tijd.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. HBSC, Health Behaviour in School-Aged Children. zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. de Looze M, van Dorsselaer S, de Roos S, Verdurmen JEE, Stevens G, Gommans R. HBSC 2013 Gezondheid, welzijn en opvoeding van jongeren in Nederland. Utrecht: Universiteit Utrecht; 2014. Bron
  • ADHD-achtige symptomen in Nivel Zorgregistraties eerste lijn

    Op basis van gegevens van Nivel Zorgregistraties eerste lijn is geschat hoeveel mensen bij de huisarts bekend zijn met ADHD (prevalentie) en hoeveel personen met ADHD er per jaar bijkomen. Voor ADHD is in het huisartsgeneeskundig classificatiesysteem ICPC-1 geen diagnosecode opgenomen, maar wel twee symptoomcodes. Dat zijn:

    • P21, overactief kind/hyperkinetisch syndroom
    • P20, geheugen-/concentratie-/oriëntatiestoornissen

    Uit de registratie blijkt dat ook volwassenen de symptoomcode P20 of P21 kunnen krijgen. Omdat P20 ook wordt gebruikt bij ouderen met geheugenproblemen, worden in VZinfo voor deze code alleen gegevens tot 45 jaar gebruikt voor de schatting van het aantal mensen met ADHD-achtige symptomen. De trends in de jaarprevalentie en het aantal nieuwe diagnoses van ADHD-achtige symptomen zijn uitsluitend gebaseerd op de symptoomcode P21.

    Het is belangrijk om te benadrukken dat de cijfers niet direct verwijzen naar personen met een diagnose die voldoet aan de DSM-5 criteria, maar dat het gaat om indicatieve cijfers. Daarom wordt gesproken van het aantal personen met ADHD-achtige symptomen op basis van de Nivel Zorgregistraties eerste lijn.

    Meer informatie over het schatten van morbiditeit op basis van gegevens uit huisartsenregistraties is te vinden in Gebruik van huisartsenregistraties voor schattingen morbiditeit

Methoden
  • Methoden en technieken

    Standaardisatie

    De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd.

    Indexatie

    Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).

    Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.