Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

ADHDCijfers & ContextOorzaken en gevolgen

Cijfers & Context

Prevalentie ADHD 2,9% in kindertijd

Regionaal & Internationaal

Noord-NL en Brabant meer gebruik ADHD-middelen

Kosten

Preventie & Zorg

Risicofactoren ADHD

Genen belangrijk in ontstaan ADHD 

De oorzaken van ADHD zijn niet geheel bekend. Wel is duidelijk dat genetische factoren een belangrijke rol spelen in het ontstaan van ADHD, en dat ADHD gepaard gaat met veranderingen in de hersenen (Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ, 2005; Foolen, 2011; Kooij, 2017). Door de genetische invloed houden veel kinderen met ADHD hinder van deze stoornis in de volwassenheid (Franke et al., 2012). Ook factoren uit de omgeving spelen een rol in het ontstaan van ADHD, vooral in de vroege ontwikkeling van de foetus en het kind. Van de factoren die samengaan met ADHD is soms moeilijk vast te stellen of ze een oorzaak zijn voor de ontwikkeling van ADHD of hier juist een gevolg van zijn (Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ, 2005; Thapar et al., 2013). 

Gezinskenmerken kunnen beloop van ADHD beïnvloeden 

Opvoedingsomstandigheden zijn waarschijnlijk niet van invloed op de ontwikkeling van ADHD, maar kunnen wel bijdragen aan het beloop en aan de ontwikkeling van eventuele gedragsproblemen (American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014; Chronis et al., 2004; Woodward et al., 1998). Het opvoeden van een kind met ADHD vraagt veel van de ouders. Aansluiten bij de behoeften van hun kind aan structuur en duidelijkheid is één van de belangrijkste uitdagingen voor ouders en kan een gunstige invloed hebben op de ontwikkeling van een kind met ADHD (Johnston & Mash, 2001).  

Meer informatie

Risicofactoren die de kans op ADHD verhogen

Risicofactoren

Toelichting

Bron

Genen

  • Bijdrage genetische factoren aan het ontstaan van ADHD bij kinderen ongeveer 70-80%
  • Ouders van een kind met ADHD hebben 2 tot 8 keer zo hoge kans zelf ook ADHD te hebben
  • Broers/zussen van een kind met ADHD hebben 2 tot 3 keer zo hoge kans op ADHD

Rietveld et al., 2004; Levy et al., 2006; Biederman & Faraone, 2005; Franke et al., 2012; Biederman, 2005; Banerjee et al., 2007; Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ, 2005; Kooij, 2017

Veranderingen in de hersenen

  • Lager activatieniveau van bepaalde hersengebieden
  • Minder hersenvolume
  • Minder verbindingen tussen hersengebieden
  • Mogelijk spelen ook neurotransmitters zoals dopamine en noradrenaline een rol
  • Het is niet duidelijk of deze veranderingen in de hersenen voorafgaan aan ADHD, of hier een gevolg van zijn

Cubillo et al., 2012; Hoogman et al., 2017; Biederman, 2005; Konrad & Eickhoff, 2010; Kooij, 2017

Geboortefactoren

  • Een geboortegewicht van minder dan 1500 gram verhoogt het risico op ADHD met een factor 2 tot 3
  • Vroeggeboorte

Biederman, 2005; American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014; Brassett-Harknett & Butler, 2007; Bhutta et al., 2002; Millichap, 2008

Gedrag van moeder tijdens de zwangerschap

  • Roken
  • Alcoholgebruik
  • Drugsgebruik

Biederman, 2005; Brassett-Harknett & Butler, 2007; Millichap, 2008; American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014; Mill & Petronis, 2008

Negatieve ervaringen in de jeugd

  • Veelvoudige plaatsing in pleeggezinnen

McMillen et al., 2005; Landsverk et al., 2009; American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014

Mannelijk geslacht

  • ADHD komt onder kinderen 2 tot 3 keer vaker voor bij jongens dan bij meisjes; onder volwassenen zijn deze verhoudingen meer gelijk

Tuithof et al., 2014; Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ, 2005

Datum publicatie

26-04-2018

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ. Multidisciplinaire richtlijn ADHD: Richtlijn voor de diagnostiek en behandeling van ADHD bij kinderen en jeugdigen.; 2005. Bron
  2. Foolen N. Oorzaken van ADHD.; 2011. Bron
  3. Kooij JJS. ADHD bij volwassenen. Stand van zaken. Ned Tijdschr Geneeskd. . 2017;161. Bron
  4. Franke B, Faraone SV, Asherson P, Buitelaar JK, Bau CHD, Ramos-Quiroga JA, et al. The genetics of attention deficit/hyperactivity disorder in adults, a review. Molecular Psychiatry. 2012;17(10):960-987. Bron | DOI
  5. Thapar A, Cooper M, Eyre O, Langley K. Practitioner Review: What have we learnt about the causes of ADHD? Journal of Child Psychology and Psychiatry. 2013;54(1):3-16. Bron | DOI
  6. American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. Diagnostic and statistical manual of mental disorders: DSM-5. Washington, D.C.: American Psychiatric Publishing; 2014. Bron | DOI
  7. Chronis AM, Chacko A, Fabiano GA, Wymbs BT, Pelham WE. Enhancements to the behavioral parent training paradigm for families of children with ADHD: review and future directions. Clin Child Fam Psychol Rev. 2004;7(1):1-27. Bron | Pubmed
  8. Woodward L, Taylor E, Dowdney L. The parenting and family functioning of children with hyperactivity. J Child Psychol Psychiatry. 1998;39(2):161-9. Bron | Pubmed
  9. Johnston C, Mash EJ. Families of children with attention-deficit/hyperactivity disorder: review and recommendations for future research. Clin Child Fam Psychol Rev. 2001;4(3):183-207. Bron | Pubmed
  10. Rietveld MJH, Hudziak JJ, Bartels M, van Beijsterveldt CEM, Boomsma DI. Heritability of attention problems in children: longitudinal results from a study of twins, age 3 to 12. J Child Psychol Psychiatry. 2004;45(3):577-88. Bron | Pubmed
  11. Levy F, Hay DA, Bennett KS. Genetics of Attention Deficit Hyperactivity Disorder: A current review and future prospects. International Journal of Disability, Development and Education. 2006;53(1):5-20. Bron | DOI
  12. Biederman J, Faraone SV. Attention-deficit hyperactivity disorder. The Lancet. 2005;366(9481):237-248. Bron | DOI
  13. Biederman J. Attention-Deficit/Hyperactivity Disorder: A Selective Overview. Biological Psychiatry. 2005;57(11):1215-1220. Bron | DOI
  14. Banerjee T-D, Middleton F, Faraone SV. Environmental risk factors for attention-deficit hyperactivity disorder. Acta Paediatrica. 2007;96(9):1269-1274. Bron | DOI
  15. Cubillo A, Halari R, Smith A, Taylor E, Rubia K. A review of fronto-striatal and fronto-cortical brain abnormalities in children and adults with Attention Deficit Hyperactivity Disorder (ADHD) and new evidence for dysfunction in adults with ADHD during motivation and attention. Cortex. 2012;48(2):194-215. Bron | DOI
  16. Hoogman M, Bralten J, Hibar DP, Mennes M, Zwiers MP, Schweren LSJ, et al. Subcortical brain volume differences in participants with attention deficit hyperactivity disorder in children and adults: a cross-sectional mega-analysis. The Lancet Psychiatry. 2017;4(4):310-319. Bron | DOI
  17. Konrad K, Eickhoff SB. Is the ADHD brain wired differently? A review on structural and functional connectivity in attention deficit hyperactivity disorder. Human Brain Mapping. 2010;31(6):904-916. Bron | DOI
  18. Brassett-Harknett A, Butler N. Attention-deficit/hyperactivity disorder: An overview of the etiology and a review of the literature relating to the correlates and lifecourse outcomes for men and women. Clinical Psychology Review. 2007;27(2):188-210. Bron | DOI
  19. Bhutta AT, Cleves MA, Casey PH, Cradock MM, Anand KJS. Cognitive and Behavioral Outcomes of School-Aged Children Who Were Born Preterm. JAMA. 2002;288(6):728. Bron | DOI
  20. Millichap JG. Etiologic Classification of Attention-Deficit/Hyperactivity Disorder. PEDIATRICS. 2008;121(2):e358-e365. Bron | DOI
  21. Mill J, Petronis A. Pre- and peri-natal environmental risks for attention-deficit hyperactivity disorder (ADHD): the potential role of epigenetic processes in mediating susceptibility. Journal of Child Psychology and Psychiatry. 2008;49(10):1020-1030. Bron
  22. J McMillen C, Zima BT, Scott LD, Auslander WF, Munson MR, Ollie MT, et al. Prevalence of Psychiatric Disorders Among Older Youths in the Foster Care System. Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry. 2005;44(1):88-95. Bron | DOI
  23. Landsverk JA, Burns BJ, Stambaugh LF, Reutz JA. Psychosocial interventions for children and adolescents in foster care: review of research literature. Child Welfare. 2009;88(1):49-69. Bron | Pubmed
  24. Tuithof M, ten Have M, van Dorsselaer S, de Graaf R. Prevalence, persistency and consequences of ADHD in the Dutch adult population. Tijdschr Psychiatr. 2014;56(1):10-9. Bron | Pubmed

Gevolgen van ADHD voor het functioneren en kwaliteit van leven

ADHD veroorzaakt problemen op school, werk en in sociaal leven

Kinderen met ADHD ondervinden als gevolg van hun stoornis op diverse gebieden beperkingen. Ze hebben bijvoorbeeld vaker leerproblemen, wat van negatieve invloed kan zijn op de schoolresultaten (Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ, 2005; Tuithof et al., 2010). Ook staat de sociale ontwikkeling onder grotere druk. Kinderen met ADHD worden bijvoorbeeld sneller gepest of afgewezen dan kinderen zonder ADHD. Daarnaast hebben ze vaak minder vrienden en is er vaker schooluitval (Barkley, 2002). Ook bij volwassenen met ADHD kunnen sociale relaties moeizaam verlopen, wat bijvoorbeeld sociale activiteiten met vrienden kan belemmeren. Volwassenen met ADHD functioneren vaak minder goed op hun werk dan volwassenen zonder ADHD. Zo kunnen zij moeite hebben met het uitvoeren van hun werkzaamheden en is er, wellicht daardoor, meer verzuim en werkloosheid onder deze groep (de Graaf et al., 2008; Tuithof et al., 2010; American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014; Tuithof et al., 2014). Daarnaast kunnen er in het gezin problemen ontstaan zoals conflicten en huwelijksproblemen (Brassett-Harknett & Butler, 2007; Wymbs et al., 2008; Barkley, 2002). Zowel ADHD van de ouder(s) als van het kind kunnen hieraan bijdragen (Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ, 2005; Johnston et al., 2012). 

Meer verkeersongevallen onder mensen met ADHD  

Uit internationaal onderzoek blijkt dat verkeersovertredingen (waaronder snelheidsovertredingen) en verkeersongevallen vaker voorkomen onder mensen met ADHD (Fuermaier et al., 2016; Vaa, 2014; Chang et al., 2014). Het hebben van een gedragsstoornis naast ADHD lijkt bij te dragen aan een hogere kans op verkeersongevallen. Letsels door ongelukken lijken vooral meer voor te komen wanneer er sprake is van duidelijke symptomen van hyperactiviteit of impulsiviteit (American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014; Brassett-Harknett & Butler, 2007). De hyperactiviteit en impulsiviteit veroorzaken mogelijk dat mensen met ADHD over het algemeen sneller rijden (Fuermaier et al., 2016; Vaa, 2014).

Mensen met ADHD hebben lagere kwaliteit van leven

Als gevolg van de verstoringen in functioneren die bij ADHD kunnen optreden, wordt vaak een lagere kwaliteit van leven ervaren. Zo kunnen mensen met ADHD last hebben van een verminderde vitaliteit en gezondheidsproblemen in vergelijking met mensen zonder ADHD. Daarnaast hebben mensen met ADHD vaker last van een negatief zelfbeeld. Mensen met ADHD hebben over het algemeen een lager inkomen, wat voor financiële problemen kan zorgen (Tuithof et al., 2010; Tuithof et al., 2014). 

Meer informatie

Datum publicatie

26-04-2018

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ. Multidisciplinaire richtlijn ADHD: Richtlijn voor de diagnostiek en behandeling van ADHD bij kinderen en jeugdigen.; 2005. Bron
  2. Tuithof M, ten Have M, van Dorsselaer S, de Graaf R. ADHD, gedragsstoornissen en antisociale persoonlijkheidsstoornis. Vóórkomen en gevolgen in de algemene bevolking: resultaten van NEMESIS-2. Utrecht: Trimbos-instituut; 2010. Bron
  3. Barkley RA. International consensus statement on ADHD. Clin Child Fam Psychol Rev. 2002;5(2). Bron
  4. de Graaf R, Kessler RC, Fayyad JA, ten Have M, Alonso J, Angermeyer MC, et al. The prevalence and effects of adult attention-deficit/hyperactivity disorder (ADHD) on the performance of workers: results from the WHO World Mental Health Survey Initiative. Occupational and Environmental Medicine. 2008;65(12):835-842. Bron | DOI
  5. American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. Diagnostic and statistical manual of mental disorders: DSM-5. Washington, D.C.: American Psychiatric Publishing; 2014. Bron | DOI
  6. Tuithof M, ten Have M, van Dorsselaer S, de Graaf R. Prevalence, persistency and consequences of ADHD in the Dutch adult population. Tijdschr Psychiatr. 2014;56(1):10-9. Bron | Pubmed
  7. Brassett-Harknett A, Butler N. Attention-deficit/hyperactivity disorder: An overview of the etiology and a review of the literature relating to the correlates and lifecourse outcomes for men and women. Clinical Psychology Review. 2007;27(2):188-210. Bron | DOI
  8. Wymbs BT, Pelham WE, Molina BSG, Gnagy EM, Wilson TK, Greenhouse JB. Rate and predictors of divorce among parents of youths with ADHD. Journal of Consulting and Clinical Psychology. 2008;76(5):735-744. Bron | DOI
  9. Johnston C, Mash EJ, Miller N, Ninowski JE. Parenting in adults with attention-deficit/hyperactivity disorder (ADHD). Clinical Psychology Review. 2012;32(4):215-228. Bron | DOI
  10. Fuermaier ABM, Tucha L, de Vries SM, Koerts J, de Waard D, Brookhuis K, et al. Autorijden met ADHD. Neuropraxis. 2016;20:20-28. Bron | DOI
  11. Vaa T. ADHD and relative risk of accidents in road traffic: A meta-analysis. Accident Analysis & Prevention. 2014;62:415-425. Bron | DOI
  12. Chang Z, Lichtenstein P, Onofrio BM, Ölander, A, Larsson H. Serious Transport Accidents in Adults With Attention-Deficit/Hyperactivity Disorder and the Effect of Medication. JAMA Psychiatry. 2014;71(3):319. Bron | DOI

Comorbiditeit bij ADHD

ADHD gaat vaak gepaard met andere psychische stoornissen 

Kinderen met ADHD hebben een verhoogde kans om als adolescent een gedragsstoornis en in de volwassenheid een antisociale persoonlijkheidsstoornis te ontwikkelen (Brassett-Harknett & Butler, 2007). Ook de kans op middelengerelateerde stoornissen en aanraking met justitie neemt daarmee toe (Charach et al., 2011; Lee et al., 2011; Biederman, 2005; Brassett-Harknett & Butler, 2007). Daarnaast hebben mensen met ADHD zes keer vaker een angststoornis en vier keer vaker een stemmingsstoornis zoals een depressieve stoornis (Tuithof et al., 2010). Andere stoornissen die naast ADHD kunnen optreden zijn een specifieke leerstoornis (dyslexie), obsessieve-compulsieve stoornis, een ticstoornis en een autismespectrumstoornis (American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014; Cormier, 2008; Brassett-Harknett & Butler, 2007). In vergelijking met mensen zonder ADHD hebben volwassenen met ADHD ongeveer vijf keer zoveel kans om naast ADHD een andere stoornis te hebben (Tuithof et al., 2010).

Mensen met ADHD hebben vaker een lichamelijke aandoening 

Naast psychische problemen hebben mensen met ADHD ook vaker last van lichamelijke aandoeningen zoals obesitas, epilepsie, slaapstoornissen en astma. Een deel van deze problemen houdt mogelijk verband met een ongezond en onregelmatig eetpatroon, wat vaker voorkomt onder mensen met ADHD (Cortese et al., 2008; American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014; Dunn & Kronenberger, 2005; Instanes et al., 2016; Kooij, 2017). 

Meer informatie

Datum publicatie

26-04-2018

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Brassett-Harknett A, Butler N. Attention-deficit/hyperactivity disorder: An overview of the etiology and a review of the literature relating to the correlates and lifecourse outcomes for men and women. Clinical Psychology Review. 2007;27(2):188-210. Bron | DOI
  2. Charach A, Yeung E, Climans T, Lillie E. Childhood Attention-Deficit/Hyperactivity Disorder and Future Substance Use Disorders: Comparative Meta-Analyses. Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry. 2011;50(1):9-21. Bron | DOI
  3. Lee SS, Humphreys KL, Flory K, Liu R, Glass K. Prospective association of childhood attention-deficit/hyperactivity disorder (ADHD) and substance use and abuse/dependence: A meta-analytic review. Clinical Psychology Review. 2011;31(3):328-341. Bron | DOI
  4. Biederman J. Attention-Deficit/Hyperactivity Disorder: A Selective Overview. Biological Psychiatry. 2005;57(11):1215-1220. Bron | DOI
  5. Tuithof M, ten Have M, van Dorsselaer S, de Graaf R. ADHD, gedragsstoornissen en antisociale persoonlijkheidsstoornis. Vóórkomen en gevolgen in de algemene bevolking: resultaten van NEMESIS-2. Utrecht: Trimbos-instituut; 2010. Bron
  6. American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. Diagnostic and statistical manual of mental disorders: DSM-5. Washington, D.C.: American Psychiatric Publishing; 2014. Bron | DOI
  7. Cormier E. Attention Deficit/Hyperactivity Disorder: A Review and Update. Journal of Pediatric Nursing. 2008;23(5):345-357. Bron | DOI
  8. Cortese S, Angriman M, Maffeis C, Isnard P, Konofal E, Lecendreux M, et al. Attention-Deficit/Hyperactivity Disorder (ADHD) and Obesity: A Systematic Review of the Literature. Critical Reviews in Food Science and Nutrition. 2008;48(6):524-537. DOI
  9. Dunn DW, Kronenberger WG. Childhood Epilepsy, Attention Problems, and ADHD: Review and Practical Considerations. Seminars in Pediatric Neurology. 2005;12(4):222-228. Bron
  10. Instanes JT, Klungsøyr K, Halmøy A, Fasmer OB, Haavik J. Adult ADHD and Comorbid Somatic Disease. Journal of Attention Disorders. 2016;1(26). Bron | DOI
  11. Kooij JJS. ADHD bij volwassenen. Stand van zaken. Ned Tijdschr Geneeskd. . 2017;161. Bron

Verantwoording

Definities
  • ADHD

    ADHD (Attention-Deficit/Hyperactivity Disorder) staat voor aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis. ADHD behoort tot de neurobiologische ontwikkelingsstoornissen, die meestal vroeg in de ontwikkeling van het kind beginnen, vaak nog voor het kind naar de basisschool gaat, en beperkingen veroorzaken in het persoonlijke, sociale, schoolse of beroepsmatige functioneren. ADHD wordt gedefinieerd door beperkende verstoringen in de aandacht, desorganisatie en/of hyperactiviteit-impulsiviteit (American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014). De symptomen komen voor in een mate die niet past bij de leeftijd of het ontwikkelingsniveau.

    In Nederland vindt de classificatie van psychische stoornissen plaats met behulp van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders-5 (DSM-5; APA, 2014). Deze stelt dat er sprake is van ADHD wanneer aan alle van de volgende criteria (A t/m E) is voldaan:

    Criteria ter classificatie van ADHD

    A Een persisterend patroon van onoplettendheid en/of hyperactiviteit-impulsiviteit dat interfereert met het functioneren of de ontwikkeling, zoals gekenmerkt door (1) en/of (2):
     

    (1) Onoplettendheid: minstens 6 van de volgende symptomen zijn gedurende minstens 6 maanden aanwezig: 

    a. Geeft onvoldoende aandacht aan details of maakt achteloze fouten
    b. Moeite de aandacht bij taken of spelactiviteiten te houden

    c. Lijkt vaak niet te luisteren als hij/zij direct wordt aangesproken

    d. Volgt vaak aanwijzingen niet op en slaagt er vaak niet in om taken af te maken

    e. Heeft moeite met het organiseren van taken en activiteiten

    f. Vermijdt, heeft een afkeer van, of is onwillig zich bezig te houden met taken die langdurige geestelijke inspanning vereisen

    g. Raakt vaak dingen kwijt die nodig zijn voor taken of activiteiten

    h. Wordt makkelijk afgeleid door prikkels

    i. Is vaak vergeetachtig bij dagelijkse bezigheden

     

    (2) Hyperactiviteit en impulsiviteit: minstens 6 van de volgende symptomen zijn gedurende minstens 6 maanden aanwezig (behalve voor mensen vanaf 17 jaar; zij moeten aan minstens 5 symptomen voldoen):

    a. Beweegt vaak onrustig met handen of voeten, of draait in zijn of haar stoel

    b. Staat vaak op in situaties waarin verwacht wordt dat je op je plaats blijft zitten

    c. Rent vaak rond of klimt overal in op ongepaste momenten (volwassenen: gevoel van rusteloosheid)

    d. Kan moeilijk rustig zijn of zich bezighouden met ontspannende activiteiten

    e. Is vaak ‘in de weer’ of ‘draaft maar door’

    f. Praat vaak excessief veel

    g. Gooit het antwoord er vaak al uit voordat een vraag afgemaakt is

    h. Heeft moeite op zijn/haar beurt te wachten

    i. Stoort vaak anderen of dringt zich op

    B Meerdere symptomen van onoplettendheid of hyperactiviteit-impulsiviteit waren voor het 12e levensjaar aanwezig
    C Meerdere symptomen van onoplettendheid of hyperactiviteit-impulsiviteit zijn aanwezig op 2 of meer terreinen (bijvoorbeeld op school/werk en met gezinsleden)
    D De symptomen verstoren het functioneren
    E De symptomen kunnen niet beter worden verklaard door een andere psychische stoornis 


    Naast de genoemde criteria dient te worden aangegeven of er sprake is van de volgende specificaties: 

    • Gecombineerd beeld: er is zowel sprake van onoplettendheid als van hyperactiviteit-impulsiviteit 
    • Overwegend onoplettend beeld: onoplettendheid, maar geen hyperactiviteit-impulsiviteit
    • Overwegend hyperactief-impulsief beeld: hyperactiviteit-impulsiviteit, maar geen onoplettendheid 
    • Gedeeltelijk in remissie: als de symptomen verminderen, maar nog wel beperkingen in het functioneren veroorzaken
    • Ernst: licht, matig of ernstig

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. Handboek voor de classificatie van psychische stoornissen. Nederlandse vertaling van Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders 5th Edition (DSM-5). Amsterdam: Uitgeverij Boom; 2014. Bron
  • Verandering in classificatiesysteem voor psychische stoornissen

    In 2013 is het vernieuwde handboek voor de classificatie van psychische stoornissen (DSM-5) uitgegeven en is een overgang in gang gezet naar het werken met dit classificatiesysteem. Vanaf januari 2017 is de DSM-5 in gebruik genomen en is deze versie het nieuwe uitgangspunt bij de beoordeling of er sprake is van een psychische stoornis. Vóór de uitgave van de DSM-5 werd gebruik gemaakt van de oudere versie, de DSM-IV. Om deze reden is veel onderzoek naar psychische stoornissen nog gebaseerd op DSM-IV. Dit geldt ook voor ADHD. In VZinfo zijn de diagnoses van ADHD in de meeste gevallen nog gesteld op basis van de criteria van de DSM-IV. 

    Er zijn een aantal verschillen tussen de criteria van ADHD in de DSM-5 en die in de DSM-IV. Een belangrijke wijziging is dat de criteria nu voorzien zijn van voorbeelden, waardoor de criteria niet alleen voor kinderen, maar ook voor volwassenen goed toepasbaar zijn. Een andere verandering is dat verscheidene ADHD-symptomen voor het 12e levensjaar, in plaats van voor het 7e jaar aanwezig dienen te zijn. Ook zijn de de verschillende subtypen van ADHD verdwenen en vervangen door specificaties met dezelfde inhoud als de eerdere subtypen. Het stellen van diagnoses volgens de DSM-5 heeft mogelijk gevolgen voor nieuwe cijfers over het vóórkomen van ADHD in Nederland.

     

Bronverantwoording
  • De gebruikte methode om ADHD te schatten bepaalt uitkomsten

    De gevonden prevalentiecijfers voor ADHD , voor zowel kinderen als volwassenen, zijn sterk afhankelijk van de onderzoekspopulatie en gebruikte onderzoeksmethode. Factoren die van invloed kunnen zijn, zijn (Skounti et al., 2006):

    • selectie van de onderzoekspopulatie (bijvoorbeeld leeftijd, etnische achtergrond en sociaaleconomische status van de onderzochte personen)
    • de gebruikte bron van informatie (ouder, leraar of persoon zelf)
    • aantal vereiste terreinen waarop afwijkend gedrag aanwezig is (bijvoorbeeld thuis en/of op school)
    • gehanteerde diagnostische criteria (volgens ICD-10, DSM-III-R, DSM-IV of DSM-5)
    • gebruikte meetinstrumenten

    Bovendien is er verschil tussen het meten van de prevalentie in bevolkingsonderzoek en psychiatrische diagnostiek. In psychiatrisch onderzoek wordt vaak op meerdere momenten met de patiënt, verzorger(s) en zo mogelijk familie, schoolleiders  en partner gesprekken gevoerd, worden testen afgenomen en kan observatie thuis of op het onderzoekscentrum plaatsvinden. In een epidemiologisch onderzoek wordt eenmalig bij de respondent een gestandaardiseerd interview afgenomen (al dan niet door een clinicus).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Skounti M, Philalithis A, Galanakis E. Variations in prevalence of attention deficit hyperactivity disorder worldwide. European Journal of Pediatrics. 2006;166(2):117-123. Bron | DOI
  • ADHD in bevolkingsonderzoek NEMESIS

    Op bevolkingsniveau zijn gegevens over het voorkomen van ADHD beschikbaar uit het NEMESIS-2-onderzoek onder 18- 44-jarigen (Tuithof et al., 2010; Tuithof et al., 2014). NEMESIS-2 is gebaseerd op een landelijke steekproef onder 6.646 personen van 18-64 jaar bij wie tussen 2007 en 2009 een psychiatrisch interview is afgenomen met behulp van de CIDI 3.0. Dezelfde respondenten zijn tussen 2010 en 2012 nogmaals benaderd voor follow-updeelname (de Graaf et al., 2010). De cijfers over het voorkomen van ADHD zijn afkomstig uit de eerste meting. De prevalentie van ADHD is alleen bij 18-44-jarigen vastgesteld (3.309 personen), omdat bij oudere respondenten de kans groter is op herinneringsfouten.

    Het voorkomen van ADHD in de kindertijd is in NEMESIS niet gemeten bij kinderen zelf, maar is retrospectief vastgesteld, door volwassenen van 18-44 jaar te vragen naar het voorkomen van symptomen in de kindertijd. Kindertijd is verder niet gespecificeerd. Hierbij kunnen herinneringseffecten een rol hebben gespeeld, leidend tot zowel over- als onderrapportage. Er is bij de meting niet gebruik gemaakt van informatie van ouders of leerkrachten.

    De non-respons in het onderzoek kan hebben geleid tot een onderschatting van de prevalentie (Tuithof et al., 2010). Onder de non-responders (de mensen die wel gevraagd zijn om mee te doen aan het onderzoek maar die niet meegedaan hebben) kwam namelijk significant vaker minstens één lifetime symptoom van aandachtstekort- en gedragsstoornissen voor dan onder responders (de Graaf et al., 2010). Bij het non-responsonderzoek werden na afloop van het veldwerk de non-respondenten telefonisch benaderd, en werd gevraagd naar het voorkomen van drie symptomen van aandachtstekort- en gedragsstoornissen. Daarnaast bleken de moeilijkst te bereiken of te overreden respondenten vaker aandachts- en gedragsstoornissen te hebben (de Graaf et al., 2010).

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. NEMESIS-2, Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study-2. zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. Tuithof M, ten Have M, van Dorsselaer S, de Graaf R. ADHD, gedragsstoornissen en antisociale persoonlijkheidsstoornis. Vóórkomen en gevolgen in de algemene bevolking: resultaten van NEMESIS-2. Utrecht: Trimbos-instituut; 2010. Bron
    2. Tuithof M, ten Have M, van Dorsselaer S, de Graaf R. Prevalence, persistency and consequences of ADHD in the Dutch adult population. Tijdschr Psychiatr. 2014;56(1):10-9. Bron | Pubmed
    3. de Graaf R, ten Have MM, van Dorsselaer S. De psychische gezondheid van de Nederlandse bevolking. NEMESIS-2: Opzet en eerste resultaten. Utrecht: Trimbos-instituut; 2010. Bron
  • ADHD in bevolkingsonderzoek LASA

    In het bevolkingsonderzoek Longitudinal Aging Study Amsterdam (LASA) is in 2008-2009 onder personen van 60-94 jaar het voorkomen van ADHD onderzocht (Michielsen et al., 2012). Hiertoe werden 1.494 personen gescreend met een ADHD-vragenlijst, afgenomen door een verpleegkundige. Vervolgens werd bij alle personen die een verhoogd risico hadden volgens het screeningsinstrument, een gestructureerd diagnostisch interview afgenomen. Daarnaast werd dit afgenomen bij een steekproef van personen met een matig en laag risico. In totaal werd het diagnostisch instrument afgenomen bij 231 personen. Het instrument Diagnostisch Interview Voor ADHD bij volwassenen (DIVA 2.0) is gebaseerd op de criteria van de DSM-IV-TR (American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014). De prevalentiecijfers werden gewogen naar de kans om in de  steekproef terecht te komen, en teruggewogen naar de Nederlandse bevolkingsopbouw- en samenstelling qua leeftijd en geslacht.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. LASA, Longitudinal Aging Study Amsterdam. zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. Michielsen M, Semeijn E, Comijs HC, van de Ven P, Beekman ATF, Deeg DJH, et al. Prevalence of attention-deficit hyperactivity disorder in older adults in The Netherlands. Br J Psychiatry. 2012;201(4):298-305. Pubmed | DOI
    2. American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. Handboek voor de classificatie van psychische stoornissen. Nederlandse vertaling van Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders 5th Edition (DSM-5). Amsterdam: Uitgeverij Boom; 2014. Bron
  • ADHD-achtige symptomen in de CBS-gezondheidsenquête

    De CBS-gezondheidsenquête, voorheen POLS, gezondheid en welzijn, is een enquête-onderzoek onder de bevolking van Nederland, woonachtig in particuliere huishoudens. In de periode 2001-2013 is aan ouders of verzorgers gevraagd naar symptomen van ADHD bij hun kinderen van 2-11 jaar oud. De vragen die gesteld werden, luidden:

    Kunt u aangeven in welke mate de volgende uitspraken van toepassing zijn op uw kind?

    • Mijn kind vertoont rusteloos gedrag, kan bijna nooit stil zitten
    • Mijn kind zit voortdurend te friemelen en te draaien
    • Mijn kind kan zich slechts kort op een bepaalde bezigheid richten

    De antwoordcategorieën luidden: niet van toepassing, enigszins of soms van toepassing, dat is duidelijk van toepassing. Als op alle drie vragen steeds met de categorie 'duidelijk van toepassing' werd geantwoord, wordt gesteld dat het kind ADHD-achtige symptomen heeft. Er is niet gevraagd naar disfunctioneren. Vanaf 2014 zijn de vragen over ADHD-achtige symptomen niet meer gesteld in de CBS-Gezondheidsenquête.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. CBS-Gezondheidsenquête, CBS-GE. zorggegevens.nl
  • ADHD-achtige symptomen in het HBSC-onderzoek

    Het Health Behaviour in School-Aged Children (HBSC)-onderzoek is een internationaal onderzoek naar de gezondheidsbeleving, psychische gezondheid, mate van sociale integratie en risicogedrag onder jongeren van 11-16 jaar. Sinds 2001 wordt dit onderzoek in Nederland elke vier jaar uitgevoerd. De laatste meting dateert van 2013 (de Looze et al., 2014). Leerlingen vullen klassikaal een vragenlijst in, en krijgen een vragenlijst mee voor hun ouders. Sinds 2005 maakt de Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ) deel uit van de vragenlijst. Hiermee kunnen emotionele problemen en probleemgedrag van jongeren worden vastgesteld, waaronder aan aandachtsstoornissen verwante symptomen. De vragenlijst bevat daarover vijf uitspraken (items): rusteloosheid, wiebelen en friemelen, snel afgeleid zijn, impulsiviteit en gebrek aan concentratie. Een voorbeelditem is: ‘Ik ben rusteloos, ik kan niet lang stilzitten’. Hiervan kunnen zij aangeven of dit de afgelopen zes maanden ‘niet waar’, ‘een beetje waar’ of ‘zeker waar’ was. De mate waarin jongeren beperkt worden in hun functioneren, is niet meegewogen.

    Bij de presentatie van de resultaten van de SDQ is gewerkt met afkappunten. Het afkappunt is zo vastgesteld dat ongeveer 15 procent van de jeugdigen uit het HBSC-onderzoek van 2005 een score boven dit afkappunt vertoonde. Het gebruik van een dergelijk afkappunt kan leiden tot relatief hoge prevalentiecijfers. Daarom is niet zozeer de absolute waarde van de prevalentie interessant, maar veeleer de verschillen tussen bepaalde groepen jeugdigen of veranderingen in de tijd.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. HBSC, Health Behaviour in School-Aged Children. zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. de Looze M, van Dorsselaer S, de Roos S, Verdurmen JEE, Stevens G, Gommans R. HBSC 2013 Gezondheid, welzijn en opvoeding van jongeren in Nederland. Utrecht: Universiteit Utrecht; 2014. Bron
  • ADHD-achtige symptomen in huisartsenregistraties

    Op basis van gegevens van de NIVEL Zorgregistraties eerste lijn is geschat hoeveel mensen bij de huisarts bekend zijn met ADHD (prevalentie) en bij hoeveel personen met ADHD er per jaar bijkomen. Voor ADHD is in het huisartsgeneeskundig classificatiesysteem ICPC-1 geen diagnosecode opgenomen, maar wel twee symptoomcodes. Dat zijn P21, overactief kind/hyperkinetisch syndroom, en P20, geheugen-/concentratie-/oriëntatiestoornissen. Uit de registratie blijkt dat ook volwassenen de symptoomcode P20 of P21 kunnen krijgen. P20 wordt ook gebruikt bij ouderen met geheugenproblemen, daarom worden in VZinfo voor deze code alleen gegevens tot 45 jaar gebruikt. Het is belangrijk om te benadrukken dat de cijfers niet perse verwijzen naar personen met een diagnose die voldoet aan de DSM-5 criteria, maar dat het gaat om indicatieve cijfers. Daarom wordt gesproken van het aantal personen met ADHD-achtige symptomen op basis van de NIVEL Zorgregistraties eerste lijn.

    Voor de beschrijving van de trends in jaarprevalentie en het aantal nieuwe gevallen van ADHD-achtige symptomen worden gegevens gepresenteerd van drie huisartsenregistraties: Transitie-project/FaMe-net, RNH en NIVEL Zorgregistraties eerste lijn. De cijfers uit het Transitieproject/FaMe-net en RNH zijn gebaseerd op de ICPC-1-code P21. De cijfers uit de NIVEL Zorgregistratie Eerste Lijn zijn voor kinderen gebaseerd op ICPC-1-codes P20 en P21, en voor volwassenen op P20, P21 en P22, waarbij P22 staat voor andere zorgen gedrag kind.

    Meer informatie over het schatten van morbiditeit op basis van gegevens uit huisartsenregistraties is te vinden in Gebruik van huisartsenregistraties voor schattingen morbiditeit

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. NIVEL Zorgregistraties eerste lijn, NIVEL Zorgregistraties. zorggegevens.nl
    2. FaMe-net, Family Medicine Network. zorggegevens.nl
    3. RNH, Registratienet Huisartspraktijken Limburg / Research Network Family Medicine (RNFM) Maastricht. zorggegevens.nl
    4. Transitieproject, Transitieproject (zorgepisoderegistratie). zorggegevens.nl