Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

ADHDCijfers & ContextHuidige situatie

Cijfers & Context

Prevalentie ADHD 2,9% in kindertijd

Regionaal & Internationaal

Noord-NL en Brabant meer gebruik ADHD-middelen

Kosten

Preventie & Zorg

Prevalentie van ADHD in bevolkingsonderzoek

Geen gegevens uit epidemiologisch onderzoek bij kinderen

Na 1993 is geen epidemiologisch onderzoek meer uitgevoerd waarbij door middel van bevraging bij jongeren zelf of hun ouders, met behulp van gestandaardiseerde meetinstrumenten, de aanwezigheid van ADHD is vastgesteld (Verhulst et al., 1997). Wel zijn er cijfers beschikbaar uit epidemiologisch onderzoek waarbij een schatting van de prevalentie is gemaakt door volwassenen te vragen naar het voorkomen van symptomen in de kindertijd. 

Prevalentie van ADHD bij kinderen 2,9%

De prevalentie van ADHD in de kindertijd (beneden de 18 jaar) wordt in Nederland op basis van het epidemiologisch bevolkingsonderzoek NEMESIS-2 (uitgevoerd in de periode 2007-2009) geschat op 2,9%. Van de personen met ADHD in de kindertijd is 75% man en 25% vrouw. Het voorkomen van ADHD is niet gemeten bij kinderen zelf, maar is retrospectief vastgesteld, door volwassenen van 18-44 jaar te vragen naar het voorkomen van symptomen in de kindertijd (Tuithof et al., 2010). Hierbij kunnen herinneringseffecten een rol hebben gespeeld, leidend tot zowel over- als onderrapportage. 

Prevalentie van ADHD bij volwassenen 2,1%

De prevalentie van ADHD onder volwassenen van 18-44 jaar wordt in Nederland op basis van het NEMESIS-2 onderzoek geschat op 2,1% (Tuithof et al., 2010). ADHD komt vaker voor bij mannen dan bij vrouwen; 72% van de volwassenen van 18-44 jaar met ADHD is man en 28% vrouw. ADHD komt vaker voor bij jongvolwassenen (18-24 jaar) dan bij personen van 35-44 jaar.

Verandering van criteria heeft effect op prevalentie

In de NEMESIS-2 studie is gebruik gemaakt van de DSM-IV-criteria. Voor ADHD zijn de criteria veranderd met de overgang van de DSM-IV naar de DSM-5, waaronder eisen over de leeftijd waarop de symptomen voor het eerst aanwezig waren (van ‘voor het 7e levensjaar’ naar ‘voor het 12e levensjaar’) en aantal vereiste symptomen voor volwassenen (van 6 naar 5). Volgens de DSM-5 criteria zou de prevalentie van ADHD daarom waarschijnlijk wat hoger zijn geweest.

72% van de kinderen met ADHD heeft ook als volwassene ADHD

Bij 72% van de volwassenen met ADHD die in de kindertijd ADHD hadden volgens het NEMESIS-2 onderzoek, was ADHD nog steeds aanwezig (Tuithof et al., 2010). Bij volwassenen wordt de diagnose ADHD gesteld als de persoon als kind al aan ADHD leed, en dat sindsdien heeft gedaan.

Prevalentie van ADHD bij ouderen 2,8%

De prevalentie van ADHD onder personen van 60-94 jaar is 2,8%. Dat blijkt uit de LASA-studie, uitgevoerd in 2008-2009 (zie Michielsen et al., 2012). 

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. NEMESIS-2, Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study-2. zorggegevens.nl

Literatuur

  1. Verhulst FC, van der Ende J, Ferdinand RF, Kasius MC. The prevalence of DSM-III-R diagnoses in a national sample of Dutch adolescents. Arch Gen Psychiatry. 1997;54(4):329-36. Pubmed
  2. Tuithof M, ten Have M, van Dorsselaer S, de Graaf R. ADHD, gedragsstoornissen en antisociale persoonlijkheidsstoornis. Vóórkomen en gevolgen in de algemene bevolking: resultaten van NEMESIS-2. Utrecht: Trimbos-instituut; 2010. Bron
  3. Michielsen M, Semeijn E, Comijs HC, van de Ven P, Beekman ATF, Deeg DJH, et al. Prevalence of attention-deficit hyperactivity disorder in older adults in The Netherlands. Br J Psychiatry. 2012;201(4):298-305. Pubmed | DOI

Prevalentie van ADHD-achtige symptomen bij kinderen

2,8% van de 2-11-jarigen heeft ADHD-achtige symptomen

Bij 2,8% van de kinderen van 2-11 jaar rapporteerden de ouders dat er sprake was van ADHD-achtige symptomen.  De prevalentie bij jongens (3,6%) was beduidend hoger dan bij meisjes (1,9%). De prevalentie neemt toe met de leeftijd, al lijkt deze bij meisjes van 10-11 jaar lager dan bij meisjes van 4-9 jaar. Deze gegevens zijn afkomstig van de CBS-Gezondheidsenquête, waarbij aan ouders vragen over het gedrag van hun kind zijn voorgelegd.

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. CBS-Gezondheidsenquête, CBS-GE. zorggegevens.nl

Prevalentie van ADHD-achtige symptomen bij scholieren

Een kwart van de leerlingen rapporteert ADHD-achtige symptomen

Van de kinderen op de basisschool (gemiddeld 11,5 jaar oud) rapporteert 24,0% ADHD-achtige symptomen. Voor jongeren in het voortgezet onderwijs (12-16 jaar) ligt dat percentage iets hoger (27,3%). Deze gegevens zijn afkomstig van het HBSC-onderzoek, waarbij de leerlingen klassikaal een vragenlijst over emoties en gedrag hebben ingevuld. In het HBSC-onderzoek wordt gewerkt met afkappunten die erop gericht zijn dat ongeveer 15% van de onderzoeksgroep boven het afkappunt van het hebben van psychische problemen scoort. Dat betekent dat de  prevalentiecijfers afkomstig uit dit onderzoek overschattingen zijn van de werkelijke prevalentiecijfers.

Jongens rapporteren even vaak ADHD-achtige symptomen als meisjes

Uit het HBSC-onderzoek blijkt dat de prevalentie van ADHD-achtige symptomen bij jongens en meisjes niet significant verschilt, zowel op de basisschool als op het voortgezet onderwijs. Autochtone leerlingen rapporteren vaker ADHD-achtige symptomen dan allochtone leerlingen, zowel op de basisschool als op het voorgezet onderwijs. Binnen het voortgezet onderwijs komen ADHD-achtige symptomen vaker voor bij VMBO-leerlingen dan bij havo- of vwo-leerlingen (ongeveer 32% versus 22%). Verder blijkt dat kinderen op het voorgezet onderwijs uit onvolledige gezinnen vaker ADHD-achtige symptomen hebben dan kinderen uit volledige gezinnen (34% versus 25%). 

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. HBSC, Health Behaviour in School-Aged Children. zorggegevens.nl

Literatuur

  1. de Looze M, van Dorsselaer S, de Roos S, Verdurmen JEE, Stevens G, Gommans R. HBSC 2013 Gezondheid, welzijn en opvoeding van jongeren in Nederland. Utrecht: Universiteit Utrecht; 2014. Bron

Jaarprevalentie van ADHD-achtige symptomen in de huisartsenpraktijk

Jaarprevalentie van ADHD-achtige symptomen in huisartsenpraktijk 2016

LeeftijdMannenVrouwen
0-41,90,6
5-931,912,2
10-1471,129,4
15-1958,027,3
20-2431,820,5
25-2920,413,5
30-3414,510,7
35-3915,110,1
40-4410,78,6
45-496,24,2
50-544,03,5
55-592,41,6
60-641,20,8
65-690,40,4
70-740,20,2
75-790,20,1
80-840,10,1
85+0,00,1
  • ADHD-achtige symptomen: ICPC-1-codes P20 (tot 45 jaar) en P21

Bijna 220.000 personen met ADHD-achtige symptomen bij huisarts

In 2016 waren er naar schatting 219.500 mensen met ADHD-achtige symptomen bekend bij de huisarts (jaarprevalentie). Het ging om 144.100 mannen en 75.400 vrouwen (17,1 per 1.000 mannen en 8,8 per 1.000 vrouwen). ADHD-achtige symptomen komen het meest voor onder 10- t/m 14-jarigen. In alle leeftijdsgroepen is de prevalentie bij mannen hoger dan bij vrouwen. ADHD-achtige symptomen worden geregistreerd onder twee verschillende codes: geheugen-/concentratie-/oriëntatiestoornissen (ICPC-code P20) en overactief kind/hyperkinetisch syndroom (ICPC-code P21). Deze laatste diagnose wordt vaker geregistreerd dan geheugen-/concentratie-/oriëntatiestoornissen, respectievelijk in 84% en 16% van alle gevallen. Deze schattingen zijn gebaseerd op de NIVEL Zorgregistraties eerste lijn

Meer informatie

 

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. NIVEL Zorgregistraties eerste lijn, NIVEL Zorgregistraties. zorggegevens.nl

Aantal nieuwe gevallen van ADHD-achtige symptomen in de huisartsenpraktijk

Nieuwe gevallen van ADHD-achtige symptomen naar type 2016

  Mannen Vrouwen
Per 1.000 personen
Geheugen-/concentratie-/oriëntatiestoornis (P20) 1,3 1,0
Overactief kind/hyperkinetisch syndroom (P21) 5,9 3,1
Absolute aantallen
Geheugen-/concentratie-/oriëntatiestoornis (P20) 10.700 8.400
Overactief kind/hyperkinetisch syndroom (P21) 49.400 26.500
  • ADHD-achtige symptomen: ICPC-1-codes P20 (tot 45 jaar) en P21

95.000 nieuwe gevallen van ADHD-achtige symptomen in 2016

In 2016 zijn er naar schatting 95.000 nieuwe gevallen van ADHD-achtige symptomen bij de huisarts geregistreerd. Het ging om 60.100 mannen en 34.900 vrouwen. Hier kunnen dubbeltellingen in zitten, wat mogelijk overschatting veroorzaakt. ADHD-achtige symptomen worden onder twee verschillende codes geregistreerd: geheugen-/concentratie-/oriëntatiestoornissen (ICPC-code P20) en overactief kind/hyperkinetisch syndroom (ICPC-code P21). Van de mensen bij wie ADHD-achtige symptomen werden vastgesteld, was er bij 19.100 mensen sprake van een geheugen-/concentratie-/oriëntatiestoornis. Bij de andere 75.900 mensen werd overactief kind/hyperkinetisch syndroom vastgesteld. Deze schattingen zijn gebaseerd op de NIVEL Zorgregistraties eerste lijn.

Meer informatie

Verantwoording

Definities
  • ADHD

    ADHD (Attention-Deficit/Hyperactivity Disorder) staat voor aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis. ADHD behoort tot de neurobiologische ontwikkelingsstoornissen, die meestal vroeg in de ontwikkeling van het kind beginnen, vaak nog voor het kind naar de basisschool gaat, en beperkingen veroorzaken in het persoonlijke, sociale, schoolse of beroepsmatige functioneren. ADHD wordt gedefinieerd door beperkende verstoringen in de aandacht, desorganisatie en/of hyperactiviteit-impulsiviteit (American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014). De symptomen komen voor in een mate die niet past bij de leeftijd of het ontwikkelingsniveau.

    In Nederland vindt de classificatie van psychische stoornissen plaats met behulp van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders-5 (DSM-5; APA, 2014). Deze stelt dat er sprake is van ADHD wanneer aan alle van de volgende criteria (A t/m E) is voldaan:

    Criteria ter classificatie van ADHD

    A Een persisterend patroon van onoplettendheid en/of hyperactiviteit-impulsiviteit dat interfereert met het functioneren of de ontwikkeling, zoals gekenmerkt door (1) en/of (2):
     

    (1) Onoplettendheid: minstens 6 van de volgende symptomen zijn gedurende minstens 6 maanden aanwezig: 

    a. Geeft onvoldoende aandacht aan details of maakt achteloze fouten
    b. Moeite de aandacht bij taken of spelactiviteiten te houden

    c. Lijkt vaak niet te luisteren als hij/zij direct wordt aangesproken

    d. Volgt vaak aanwijzingen niet op en slaagt er vaak niet in om taken af te maken

    e. Heeft moeite met het organiseren van taken en activiteiten

    f. Vermijdt, heeft een afkeer van, of is onwillig zich bezig te houden met taken die langdurige geestelijke inspanning vereisen

    g. Raakt vaak dingen kwijt die nodig zijn voor taken of activiteiten

    h. Wordt makkelijk afgeleid door prikkels

    i. Is vaak vergeetachtig bij dagelijkse bezigheden

     

    (2) Hyperactiviteit en impulsiviteit: minstens 6 van de volgende symptomen zijn gedurende minstens 6 maanden aanwezig (behalve voor mensen vanaf 17 jaar; zij moeten aan minstens 5 symptomen voldoen):

    a. Beweegt vaak onrustig met handen of voeten, of draait in zijn of haar stoel

    b. Staat vaak op in situaties waarin verwacht wordt dat je op je plaats blijft zitten

    c. Rent vaak rond of klimt overal in op ongepaste momenten (volwassenen: gevoel van rusteloosheid)

    d. Kan moeilijk rustig zijn of zich bezighouden met ontspannende activiteiten

    e. Is vaak ‘in de weer’ of ‘draaft maar door’

    f. Praat vaak excessief veel

    g. Gooit het antwoord er vaak al uit voordat een vraag afgemaakt is

    h. Heeft moeite op zijn/haar beurt te wachten

    i. Stoort vaak anderen of dringt zich op

    B Meerdere symptomen van onoplettendheid of hyperactiviteit-impulsiviteit waren voor het 12e levensjaar aanwezig
    C Meerdere symptomen van onoplettendheid of hyperactiviteit-impulsiviteit zijn aanwezig op 2 of meer terreinen (bijvoorbeeld op school/werk en met gezinsleden)
    D De symptomen verstoren het functioneren
    E De symptomen kunnen niet beter worden verklaard door een andere psychische stoornis 


    Naast de genoemde criteria dient te worden aangegeven of er sprake is van de volgende specificaties: 

    • Gecombineerd beeld: er is zowel sprake van onoplettendheid als van hyperactiviteit-impulsiviteit 
    • Overwegend onoplettend beeld: onoplettendheid, maar geen hyperactiviteit-impulsiviteit
    • Overwegend hyperactief-impulsief beeld: hyperactiviteit-impulsiviteit, maar geen onoplettendheid 
    • Gedeeltelijk in remissie: als de symptomen verminderen, maar nog wel beperkingen in het functioneren veroorzaken
    • Ernst: licht, matig of ernstig

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. Handboek voor de classificatie van psychische stoornissen. Nederlandse vertaling van Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders 5th Edition (DSM-5). Amsterdam: Uitgeverij Boom; 2014. Bron
  • Verandering in classificatiesysteem voor psychische stoornissen

    In 2013 is het vernieuwde handboek voor de classificatie van psychische stoornissen (DSM-5) uitgegeven en is een overgang in gang gezet naar het werken met dit classificatiesysteem. Vanaf januari 2017 is de DSM-5 in gebruik genomen en is deze versie het nieuwe uitgangspunt bij de beoordeling of er sprake is van een psychische stoornis. Vóór de uitgave van de DSM-5 werd gebruik gemaakt van de oudere versie, de DSM-IV. Om deze reden is veel onderzoek naar psychische stoornissen nog gebaseerd op DSM-IV. Dit geldt ook voor ADHD. In VZinfo zijn de diagnoses van ADHD in de meeste gevallen nog gesteld op basis van de criteria van de DSM-IV. 

    Er zijn een aantal verschillen tussen de criteria van ADHD in de DSM-5 en die in de DSM-IV. Een belangrijke wijziging is dat de criteria nu voorzien zijn van voorbeelden, waardoor de criteria niet alleen voor kinderen, maar ook voor volwassenen goed toepasbaar zijn. Een andere verandering is dat verscheidene ADHD-symptomen voor het 12e levensjaar, in plaats van voor het 7e jaar aanwezig dienen te zijn. Ook zijn de de verschillende subtypen van ADHD verdwenen en vervangen door specificaties met dezelfde inhoud als de eerdere subtypen. Het stellen van diagnoses volgens de DSM-5 heeft mogelijk gevolgen voor nieuwe cijfers over het vóórkomen van ADHD in Nederland.

     

Bronverantwoording
  • De gebruikte methode om ADHD te schatten bepaalt uitkomsten

    De gevonden prevalentiecijfers voor ADHD , voor zowel kinderen als volwassenen, zijn sterk afhankelijk van de onderzoekspopulatie en gebruikte onderzoeksmethode. Factoren die van invloed kunnen zijn, zijn (Skounti et al., 2006):

    • selectie van de onderzoekspopulatie (bijvoorbeeld leeftijd, etnische achtergrond en sociaaleconomische status van de onderzochte personen)
    • de gebruikte bron van informatie (ouder, leraar of persoon zelf)
    • aantal vereiste terreinen waarop afwijkend gedrag aanwezig is (bijvoorbeeld thuis en/of op school)
    • gehanteerde diagnostische criteria (volgens ICD-10, DSM-III-R, DSM-IV of DSM-5)
    • gebruikte meetinstrumenten

    Bovendien is er verschil tussen het meten van de prevalentie in bevolkingsonderzoek en psychiatrische diagnostiek. In psychiatrisch onderzoek wordt vaak op meerdere momenten met de patiënt, verzorger(s) en zo mogelijk familie, schoolleiders  en partner gesprekken gevoerd, worden testen afgenomen en kan observatie thuis of op het onderzoekscentrum plaatsvinden. In een epidemiologisch onderzoek wordt eenmalig bij de respondent een gestandaardiseerd interview afgenomen (al dan niet door een clinicus).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Skounti M, Philalithis A, Galanakis E. Variations in prevalence of attention deficit hyperactivity disorder worldwide. European Journal of Pediatrics. 2006;166(2):117-123. Bron | DOI
  • ADHD in bevolkingsonderzoek NEMESIS

    Op bevolkingsniveau zijn gegevens over het voorkomen van ADHD beschikbaar uit het NEMESIS-2-onderzoek onder 18- 44-jarigen (Tuithof et al., 2010; Tuithof et al., 2014). NEMESIS-2 is gebaseerd op een landelijke steekproef onder 6.646 personen van 18-64 jaar bij wie tussen 2007 en 2009 een psychiatrisch interview is afgenomen met behulp van de CIDI 3.0. Dezelfde respondenten zijn tussen 2010 en 2012 nogmaals benaderd voor follow-updeelname (de Graaf et al., 2010). De cijfers over het voorkomen van ADHD zijn afkomstig uit de eerste meting. De prevalentie van ADHD is alleen bij 18-44-jarigen vastgesteld (3.309 personen), omdat bij oudere respondenten de kans groter is op herinneringsfouten.

    Het voorkomen van ADHD in de kindertijd is in NEMESIS niet gemeten bij kinderen zelf, maar is retrospectief vastgesteld, door volwassenen van 18-44 jaar te vragen naar het voorkomen van symptomen in de kindertijd. Kindertijd is verder niet gespecificeerd. Hierbij kunnen herinneringseffecten een rol hebben gespeeld, leidend tot zowel over- als onderrapportage. Er is bij de meting niet gebruik gemaakt van informatie van ouders of leerkrachten.

    De non-respons in het onderzoek kan hebben geleid tot een onderschatting van de prevalentie (Tuithof et al., 2010). Onder de non-responders (de mensen die wel gevraagd zijn om mee te doen aan het onderzoek maar die niet meegedaan hebben) kwam namelijk significant vaker minstens één lifetime symptoom van aandachtstekort- en gedragsstoornissen voor dan onder responders (de Graaf et al., 2010). Bij het non-responsonderzoek werden na afloop van het veldwerk de non-respondenten telefonisch benaderd, en werd gevraagd naar het voorkomen van drie symptomen van aandachtstekort- en gedragsstoornissen. Daarnaast bleken de moeilijkst te bereiken of te overreden respondenten vaker aandachts- en gedragsstoornissen te hebben (de Graaf et al., 2010).

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. NEMESIS-2, Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study-2. zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. Tuithof M, ten Have M, van Dorsselaer S, de Graaf R. ADHD, gedragsstoornissen en antisociale persoonlijkheidsstoornis. Vóórkomen en gevolgen in de algemene bevolking: resultaten van NEMESIS-2. Utrecht: Trimbos-instituut; 2010. Bron
    2. Tuithof M, ten Have M, van Dorsselaer S, de Graaf R. Prevalence, persistency and consequences of ADHD in the Dutch adult population. Tijdschr Psychiatr. 2014;56(1):10-9. Bron | Pubmed
    3. de Graaf R, ten Have MM, van Dorsselaer S. De psychische gezondheid van de Nederlandse bevolking. NEMESIS-2: Opzet en eerste resultaten. Utrecht: Trimbos-instituut; 2010. Bron
  • ADHD in bevolkingsonderzoek LASA

    In het bevolkingsonderzoek Longitudinal Aging Study Amsterdam (LASA) is in 2008-2009 onder personen van 60-94 jaar het voorkomen van ADHD onderzocht (Michielsen et al., 2012). Hiertoe werden 1.494 personen gescreend met een ADHD-vragenlijst, afgenomen door een verpleegkundige. Vervolgens werd bij alle personen die een verhoogd risico hadden volgens het screeningsinstrument, een gestructureerd diagnostisch interview afgenomen. Daarnaast werd dit afgenomen bij een steekproef van personen met een matig en laag risico. In totaal werd het diagnostisch instrument afgenomen bij 231 personen. Het instrument Diagnostisch Interview Voor ADHD bij volwassenen (DIVA 2.0) is gebaseerd op de criteria van de DSM-IV-TR (American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force., 2014). De prevalentiecijfers werden gewogen naar de kans om in de  steekproef terecht te komen, en teruggewogen naar de Nederlandse bevolkingsopbouw- en samenstelling qua leeftijd en geslacht.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. LASA, Longitudinal Aging Study Amsterdam. zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. Michielsen M, Semeijn E, Comijs HC, van de Ven P, Beekman ATF, Deeg DJH, et al. Prevalence of attention-deficit hyperactivity disorder in older adults in The Netherlands. Br J Psychiatry. 2012;201(4):298-305. Pubmed | DOI
    2. American Psychiatric Association. DSM-5 Task Force. Handboek voor de classificatie van psychische stoornissen. Nederlandse vertaling van Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders 5th Edition (DSM-5). Amsterdam: Uitgeverij Boom; 2014. Bron
  • ADHD-achtige symptomen in de CBS-gezondheidsenquête

    De CBS-gezondheidsenquête, voorheen POLS, gezondheid en welzijn, is een enquête-onderzoek onder de bevolking van Nederland, woonachtig in particuliere huishoudens. In de periode 2001-2013 is aan ouders of verzorgers gevraagd naar symptomen van ADHD bij hun kinderen van 2-11 jaar oud. De vragen die gesteld werden, luidden:

    Kunt u aangeven in welke mate de volgende uitspraken van toepassing zijn op uw kind?

    • Mijn kind vertoont rusteloos gedrag, kan bijna nooit stil zitten
    • Mijn kind zit voortdurend te friemelen en te draaien
    • Mijn kind kan zich slechts kort op een bepaalde bezigheid richten

    De antwoordcategorieën luidden: niet van toepassing, enigszins of soms van toepassing, dat is duidelijk van toepassing. Als op alle drie vragen steeds met de categorie 'duidelijk van toepassing' werd geantwoord, wordt gesteld dat het kind ADHD-achtige symptomen heeft. Er is niet gevraagd naar disfunctioneren. Vanaf 2014 zijn de vragen over ADHD-achtige symptomen niet meer gesteld in de CBS-Gezondheidsenquête.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. CBS-Gezondheidsenquête, CBS-GE. zorggegevens.nl
  • ADHD-achtige symptomen in het HBSC-onderzoek

    Het Health Behaviour in School-Aged Children (HBSC)-onderzoek is een internationaal onderzoek naar de gezondheidsbeleving, psychische gezondheid, mate van sociale integratie en risicogedrag onder jongeren van 11-16 jaar. Sinds 2001 wordt dit onderzoek in Nederland elke vier jaar uitgevoerd. De laatste meting dateert van 2013 (de Looze et al., 2014). Leerlingen vullen klassikaal een vragenlijst in, en krijgen een vragenlijst mee voor hun ouders. Sinds 2005 maakt de Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ) deel uit van de vragenlijst. Hiermee kunnen emotionele problemen en probleemgedrag van jongeren worden vastgesteld, waaronder aan aandachtsstoornissen verwante symptomen. De vragenlijst bevat daarover vijf uitspraken (items): rusteloosheid, wiebelen en friemelen, snel afgeleid zijn, impulsiviteit en gebrek aan concentratie. Een voorbeelditem is: ‘Ik ben rusteloos, ik kan niet lang stilzitten’. Hiervan kunnen zij aangeven of dit de afgelopen zes maanden ‘niet waar’, ‘een beetje waar’ of ‘zeker waar’ was. De mate waarin jongeren beperkt worden in hun functioneren, is niet meegewogen.

    Bij de presentatie van de resultaten van de SDQ is gewerkt met afkappunten. Het afkappunt is zo vastgesteld dat ongeveer 15 procent van de jeugdigen uit het HBSC-onderzoek van 2005 een score boven dit afkappunt vertoonde. Het gebruik van een dergelijk afkappunt kan leiden tot relatief hoge prevalentiecijfers. Daarom is niet zozeer de absolute waarde van de prevalentie interessant, maar veeleer de verschillen tussen bepaalde groepen jeugdigen of veranderingen in de tijd.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. HBSC, Health Behaviour in School-Aged Children. zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. de Looze M, van Dorsselaer S, de Roos S, Verdurmen JEE, Stevens G, Gommans R. HBSC 2013 Gezondheid, welzijn en opvoeding van jongeren in Nederland. Utrecht: Universiteit Utrecht; 2014. Bron
  • ADHD-achtige symptomen in huisartsenregistraties

    Op basis van gegevens van de NIVEL Zorgregistraties eerste lijn is geschat hoeveel mensen bij de huisarts bekend zijn met ADHD (prevalentie) en bij hoeveel personen met ADHD er per jaar bijkomen. Voor ADHD is in het huisartsgeneeskundig classificatiesysteem ICPC-1 geen diagnosecode opgenomen, maar wel twee symptoomcodes. Dat zijn P21, overactief kind/hyperkinetisch syndroom, en P20, geheugen-/concentratie-/oriëntatiestoornissen. Uit de registratie blijkt dat ook volwassenen de symptoomcode P20 of P21 kunnen krijgen. P20 wordt ook gebruikt bij ouderen met geheugenproblemen, daarom worden in VZinfo voor deze code alleen gegevens tot 45 jaar gebruikt. Het is belangrijk om te benadrukken dat de cijfers niet perse verwijzen naar personen met een diagnose die voldoet aan de DSM-5 criteria, maar dat het gaat om indicatieve cijfers. Daarom wordt gesproken van het aantal personen met ADHD-achtige symptomen op basis van de NIVEL Zorgregistraties eerste lijn.

    Voor de beschrijving van de trends in jaarprevalentie en het aantal nieuwe gevallen van ADHD-achtige symptomen worden gegevens gepresenteerd van drie huisartsenregistraties: Transitie-project/FaMe-net, RNFM, voorheen RNH-Limburg en NIVEL Zorgregistraties eerste lijn. De cijfers uit het Transitieproject/FaMe-net en RNFM, voorheen RNH-Limburg zijn gebaseerd op de ICPC-1-code P21. De cijfers uit de NIVEL Zorgregistratie Eerste Lijn zijn voor kinderen gebaseerd op ICPC-1-codes P20 en P21, en voor volwassenen op P20, P21 en P22, waarbij P22 staat voor andere zorgen gedrag kind.

    Meer informatie over het schatten van morbiditeit op basis van gegevens uit huisartsenregistraties is te vinden in Gebruik van huisartsenregistraties voor schattingen morbiditeit

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. NIVEL Zorgregistraties eerste lijn, NIVEL Zorgregistraties. zorggegevens.nl
    2. FaMe-net, Family Medicine Network. zorggegevens.nl
    3. RNFM, voorheen RNH-Limburg, Research Network Family Medicine (RNFM) Maastricht voorheen: Registratienet Huisartspraktijken Limburg. zorggegevens.nl
    4. Transitieproject, Transitieproject (zorgepisoderegistratie). zorggegevens.nl