Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

Acute zorgCijfers & ContextSamenvatting

Cijfers & Context

Jaarlijks ongeveer 1,8 miljoen SEH-behandelingen

Regionaal & Internationaal

Grote verschillen in tarieven huisartsenposten

Kosten

Nog niet uitgewerkt

Zorgprestaties

Nog niet uitgewerkt

Verantwoording

Definities
  • Acute zorg

    Beleving zorgvrager staat centraal bij acute zorg

    Onder acute zorg wordt binnen VZinfo verstaan: 'Alle zorg die niet kan wachten tot de eerstvolgende mogelijkheid op werkdagen om de huisarts of hulpverlener te raadplegen'. Deze definitie wordt gehanteerd in het Nederlandse Triage Systeem (Drijver & Jochems, 2006) en is oorspronkelijk opgesteld door de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF, 2006). Het ministerie van VWS sluit bij deze definitie aan: ‘een door de zorgvrager en/of zorgverlener ervaren onvoorziene en onmiddellijke behoefte aan diagnostiek en behandeling’ (VWS, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2008). De beleving van de zorgvrager staat in deze definities centraal. Een persoon zal bij grote kans op overlijden of irreversibele gezondheidsschade zeker behoefte hebben aan acute zorg, maar ook bij hevige pijn, ernstig ongemak of ongerustheid kan een persoon dat hebben. Volgens deze definitie kan acute zorg ook bestaan uit alleen een telefonisch advies of een geruststelling.

    Begrip acute zorg hangt af van perspectief

    De definities hangen af van onder andere het gehanteerde perspectief, maar soms ook van de beroepsgroep die de definitie hanteert. Zo wordt acute zorg ook beschreven als ‘zorg in situaties waarin zonder acuut ingrijpen gevaar is voor overlijden of irreversibele gezondheidsschade’. Dan gaat de acute zorg meer om leven en dood of om (zeer) ernstig letsel met kans op blijvende gezondheidsschade (Schrijvers, 2003 , van Blerck-Woerdman et al., 2008). Deze definitie is geformuleerd vanuit het perspectief van de zorgverlener na het beoordelen van de aanvankelijke zorgvraag. Volgens deze definitie valt de hulpverlening bij ernstig ongemak of ongerustheid van een persoon niet onder de acute zorg. In deze lijn behoort het overgrote deel van de huisartsenzorg, al dan niet verleend vanuit een huisartsenpost, ook niet tot de acute zorg. Een term die in de definities van acute zorg ook voorkomt, is dringende zorg (Van Baar et al., 2007). Dringende zorg wordt omschreven als urgente zorg waarvoor de zorgverlening wel een paar uur maar niet veel langer kan wachten.

    Onderscheid tussen acute zorg in individuele gevallen en bij grote ongevallen of rampen (GHOR)

    Er wordt een onderscheid gemaakt tussen acute zorg in individuele gevallen en in het geval van een groot ongeval of een ramp. In individuele gevallen is er sprake van reguliere acute zorg. De reguliere zorg wordt bij grote ongevallen, met meer dan vijf slachtoffers, en bij rampen opgeschaald naar de Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio (GHOR). De GHOR is gericht op rampenbeheersing, rampenbestrijding en de organisatie tijdens rampen en coördineert de inzet van geneeskundige diensten tijdens rampen en grote ongevallen.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Drijver R, Jochems P. Nederlands Triage Systeem: op weg naar eenduidige triage. Utrecht: Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG); 2006. Bron
    2. NPCF. Acute Zorg Uitgangspunten en kwaliteitscriteria vanuit patiëntenperspectief . Utrecht: Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF) ; 2006. Bron
    3. VWS, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Kamerstuk: Kiezen voor bereikbaarheid en kwaliteit van zorg. Den Haag: VWS, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; 2008. Bron
    4. Schrijvers AJP. Achtergrondstudie Acute zorg. RVZ, Raad voor de Volksgezondheid en Zorg ; 2003. Bron
    5. van Blerck-Woerdman A, Bosma H, Braat DDM, Carter ER, Groot WNJ, Mackenbach JP, et al. Achtergrondstudies Schaal en zorg. Den Haag: RVZ, Raad voor de Volksgezondheid en Zorg; 2008. Bron
  • Classificatie van de urgentie van de zorgvraag naar de richtlijnen van het Nederlands Triage Systeem

     

    Urgentie klasse

    Omschrijving

    Te verlenen actie

    U0 Reanimatie Uitval van ten minste één vitale functie (ademhaling, hartslag), wat betekent dat gereanimeerd moet worden.

    U1

    Levensbedreigend

    Onmiddellijk actie, de vitale functies zijn in gevaar of uitstel van behandeling leidt tot ernstige en onherstelbare schade van de gezondheid.

    U2

    Spoed

    Vitale functies zijn (nog) niet in gevaar, maar er is een reële kans dat de toestand snel verslechtert of dat uitstel van behandeling tot ernstige en onherstelbare schade van de gezondheid leidt. Zo vlug mogelijk actie.

    U3

    Dringend

    Niet te lang uitstel, binnen enkele uren om medische en/of humane redenen.

    U4

    Niet dringend

    Er is geen tijdsdruk om medische of andere gronden. Het moment en de plaats van de afspraak worden met de aanvrager/patiënt overeengekomen.

    U5

    Advies

    Een fysieke beoordeling kan wachten tot de volgende werkdag.

    Bron: Nederlandse Triage Standaard (NTS)

  • Spoedeisende hulpafdeling

    Een spoedeisende hulpafdeling (SEH) is een gespecialiseerde afdeling van een ziekenhuis die erop gericht is medische en verpleegkundige zorg te verlenen aan ongevalslachtoffers en aan patiënten met acute aandoeningen.

    Basis SEH

    In de SEH-bereikbaarheidsanalyse gaat het RIVM uit van basis-SEH’s met 24/7-uurs openstelling(zie RIVM-rapport 20170108). De basisfunctie van een SEH betekent dat, er gedurende openingstijden:

    1. altijd een SEH-verpleegkundige aanwezig is,
    2. altijd een SEH-verpleegkundige aanwezig is met specifieke training in de opvang van traumapatiënten,
    3. altijd een SEH-verpleegkundige aanwezig is met specifieke training in de opvang van ernstig zieke kinderen,
    4. er altijd een een SEH-arts of arts-SEH aanwezig is. De arts-SEH kan een aios, anios of medisch specialist zijn die dienst doet op de SEH. Hij of zij beschikt over voldoende ervaring met spoedeisende hulpverlening, is in staat om vitale bedreigingen te onderkennen, en te resusciteren en stabiliseren op volgorde van behandelprioriteit (ALS, APLS) en is in staat te bepalen of de benodigde zorg aan de patiënt de mogelijkheden van de eigen afdeling, het eigen ziekenhuis of de eigen expertise overstijgen.
Bronverantwoording
  • Steeds meer informatie beschikbaar over gebruik acute zorg

    De acute zorg was lange tijd een sector waarover relatief weinig informatie over het zorggebruik bekend was. Mogelijk had dat te maken met de spoedeisendheid van gezondheidsproblemen die zich daar voordoen, waardoor onderzoek en registratie erbij inschoot. Vanaf 2004 heeft een reeks van onderzoeken genaamd ‘meetweken spoedzorg’, uitgevoerd door het Julius Centrum, veel nieuwe informatie opgeleverd over het gebruik van acute zorg op huisartsenposten, afdelingen Spoedeisende hulp, ambulancediensten en andere zorginstellingen. In twee regio’s is recent nog gemeten. Ook de jaarlijkse sectorrapportages van Ambulancezorg Nederland (AZN), waarvan de eerste betrekking had op 2006, hebben een impuls aan de kennis gegeven. Informatie over huisartsenposten is toegenomen door de Brancherapporten van InEen (InEen, 2014) en Nivel Zorgregistraties Eerstelijn. Gegevens over SEH-bezoek kunnen betrokken worden van het DBC-Informatiesysteem (DIS). Hierin worden  zorgactiviteiten (verrichtingen) geregistreerd, waaronder ‘spoedeisende hulp contact op de SEH-afdeling’. Het Letsel Informatie Systeem (LIS) is een bron die onder andere informatie biedt over de oorzaak van letsels van patiënten die een SEH bezoeken. Hieraan doet een steekproef van SEH’s in Nederland mee. De meeste SEH’s die aan LIS deelnemen, registreren ook niet-letsels.Vanaf 2012 vindt jaarlijks een landelijke meting plaats bij alle SEH's die 24 uur per dag en 7 dagen per week open zijn (Gaakeer et al., 2016; Gaakeer et al., 2014). Dit zijn gegevens over ondermeer aantallen patiënten en herkomst van patiënten. Gegevens specifiek op het gebied van trauma zijn vanaf 2007 beschikbaar gekomen door de Nederlandse Trauma Registratie.

    Patiënten met acute psychische problemen meestal direct naar crisisdienst van GGZ-instelling

    Soms hebben specialismen een eigen ingang in het ziekenhuis, en komen patiënten met acute gezondheidsproblemen niet eerst op de SEH. Dergelijke specialismen zijn bijvoorbeeld oogheelkunde, verloskunde en kindergeneeskunde. Patiënten met acute psychische problemen die zorg ontvangen, krijgen die zorg over het algemeen eerst van de huisarts, die eventueel de crisisdienst van een GGZ-instelling kan inschakelen. Als opname noodzakelijk is, worden dergelijk patiënten vervoerd naar een GGZ-instelling. Alleen als er ook nog acute lichamelijke problemen zijn, bijvoorbeeld bij auto-intoxicatie, zullen patiënten eerst nog vervoerd worden naar een SEH.  

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. Letsel Informatie Systeem, LIS. zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. InEen. Benchmarkbulletin Huisartsenposten 2013. Utrecht: InEen; 2014. Bron
    2. Gaakeer MI, van den Brand L, Gips E, van Lieshout JM, Huijsman R, Veugelers R, et al. Landelijke ontwikkelingen in de Nederlandse SEH’s; aantal en herkomst van patienten in de periode 2012-2015. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. 2016. Bron
    3. Gaakeer MI, van den Brand CL, Veugelers R, Patka P. Inventarisatie van SEH-bezoeken en zelfverwijzers. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. 2014. Bron
  • Tabel: Bronnen bij de cijfers over acute zorg

    Bron

    Indicator in VZinfo

    Gepresenteerde populatie VZinfo

    Meer informatie

    Benchmark HAP Huisartsenposten en SEH's, Gebruik huisartsenposten N.v.t. InEen
    CBS Nabijheidsstatistiek Bereikbaarheid huisartsenposten N.v.t CBS StatLine
    Drive Time Matrix Reistijden  N.v.t. Geodan
    Landelijke Traumaregistratie Gebruik MMT Nederlandse bevolking Landelijk netwerk acute zorg
    Letsel Informatie Systeem Gebruik SEH Nederlandse bevolking VeiligheidNL,
    Representativiteit van de LIS steekproef
    Nivel Zorgregistraties Contacten huisartsenposten Nederlandse bevolking Nivel
    Nederlandse Zorgautoriteit Tarieven huisartsenposten N.v.t. NZa
    Sectorkompas ambulancezorg AZN Kengetallen ambulancezorg Ambulancezorg Nederland AZN
  • Locaties huisartsenposten

    Voor de huisartsenposten is gebruik gemaakt van de Benchmark-2017 (InEen, 2018) met peildatum 31 december 2017. Na deze datum zijn de volgende wijzigingen opgetreden. De wijzigingen zijn ook doorgevoerd in de kaart:

    • Sinds december 2017 is de huisartsenpost in Woerden gesloten
    • Op 2 juli 2018 is de huisarstenpost in Delfzijl verhuisd naar Huisartsenpraktijk Poseidon
    • Op 30 juni 2018 is de huisartsenpost in Winschoten verhuisd naar het ziekenhuis in Scheemda
    • Sinds april 2018 is de huisartsenpost in Winsum gesloten.

    Voor de SEH is gebruik gemaakt van de Analyse gevoelige ziekenhuizen 2018 (Kommer, 2018) met als peildatum april 2018. Na deze datum zijn de volgende wijzigingen opgetreden:

    • De SEH van Slotervaartziekenhuis in Amsterdam is gesloten
    • De SEH van IJsselmeerziekenhuis in Lelystad is gesloten
    • De SEH van het Ommelander ziekenhuis in Winschoten is verhuisd naar Scheemda

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. InEen. Benchmarkbulletin huisartsenpost 2017. Utrecht: InEen; 2018. Bron
    2. Kommer GJ. Bereikbaarheidsanalyse SEH's en acute verloskunde 2018. RIVM; 2018. Bron
  • Acute zorg: Letsel Informatie Systeem; SEH-behandelingen

    In het Letsel Informatie Systeem (LIS) van VeiligheidNL worden patiënten geregistreerd die zich melden op de afdeling Spoedeisende Hulp (SEH) van een selectie van ziekenhuizen in Nederland. In 2016 namen dertien SEH’s deel aan LIS. Alle dertien SEH’s registreren in LIS gedetailleerde informatie over acute lichamelijke letsels. Elf registreren in LIS ook bezoeken vanwege een acute ziekte of aandoening, waarvan negen onderscheid maken naar diagnosegroep. Op basis van de steekproef van ziekenhuizen is door VeiligheidNL een schatting gemaakt van het aantal SEH-behandelingen op nationaal niveau. De methode van deze extrapolatie is beschreven in een factsheet

    VeiligheidNL streeft naar een representatieve steekproef van SEH’s. Daarom zijn zowel UMC’s, een topklinisch ziekenhuis en kleinere ziekenhuizen opgenomen in de steekproef van SEH's. Desondanks is het mogelijk dat achtergrondkenmerken van de populatie in het verzorgingsgebied van de betreffende LIS-ziekenhuizen afwijken van die van niet aan LIS deelnemende ziekenhuizen. Sommige achtergrondkenmerken (demografische en sociaal-economische) hangen samen met SEH-gebruik. Een SEH in een regio met bijvoorbeeld relatief veel ouderen of personen met een lage SES heeft vaak een ander aantal en soort behandelingen dan een ‘gemiddelde’ SEH. Ook is het mogelijk dat de nabijheid van huisartsenposten, of de wijze van samenwerking met huisartsenposten, voor LIS-ziekenhuizen verschilt van ziekenhuizen die niet aan LIS deelnemen. Ten slotte kan de stedelijkheid van invloed zijn. In dunbevolkte gebieden ligt het aantal SEH-bezoeken verhoudingsgewijs lager. Mogelijk heeft dat te maken met de grotere afstand van de patiënt tot een SEH, waardoor deze minder geneigd is de SEH te bezoeken.

    Artsen registreren van patiënten die de SEH bezoeken een diagnose. Regelmatig kennen zij een diagnose uit de diagnosegroep Symptomen toe (voluit: Symptomen en onvolledig omschreven ziektebeelden). In die gevallen was er nog te veel onzekerheid om een specifieke diagnose te stellen, was de diagnostiek nog niet afgerond, of bleken de klachten (vooralsnog) mee te vallen. Symptoomdiagnosen zijn bijvoorbeeld koorts, pijn op de borst of afwijkende bevinding van onderzoek.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. Letsel Informatie Systeem, LIS. zorggegevens.nl
  • Beperkte kennis over zorggebruik door hele acute zorgketen

    Veel onderzoeken beperken zich tot het beschrijven van het zorggebruik binnen één type organisatie, terwijl we idealiter het zorggebruik van patiënten door de hele acute zorgketen zouden willen laten zien. Daartoe zouden patiënten door de keten gevolgd moeten worden, zodat inzicht ontstaat in patiëntenstromen van de thuissituatie of ongevalsplaats naar HAP, ambulance of SEH, en de daaropvolgende transities naar een of meerdere volgende zorginstellingen (andere acute zorginstelling, opname in ziekenhuis, ontslag naar huis, terugverwijzing naar huisartspraktijk). Dergelijk onderzoek is lastig en registraties in de verschillende onderdelen van de keten zijn zelden koppelbaar. Wat wel bekend is over patronen van acuut zorggebruik, is bekend uit afzonderlijke onderzoeken of registraties bij één type zorgaanbieder. Daar wordt soms geregistreerd waar patiënten vandaan kwamen en waarnaar ze worden verwezen. 

  • Acute zorg: DBC-Informatiesysteem (DIS)

    Het DIS wordt gebruikt voor het registreren van onder andere zorgtrajecten binnen de ziekenhuiszorg. Om zorg die uitgevoerd wordt op de SEH te kunnen onderscheiden, kan een selectie gemaakt worden van zorgactiviteiten met de omschrijving ‘spoedeisende hulp contact op de SEH-afdeling’. Andere relevante elementen die vastgelegd worden bij de registratie van zorgtrajecten, zijn diagnose en specialisme.

  • Nivel Zorgregistraties eerste lijn

    In 2013 zijn in het kader van NIVEL Zorgregistraties eerste lijn gegevens verzameld over 1,7 miljoen patiënten die contact hadden met huisartsenposten die onderdeel uitmaken van 28 huisartsendienstenstructuren. In totaal zijn er 54 huisartsendienstenstructuren. Het aantal inwoners in het verzorgingsgebied bedroeg 11 miljoen. De resultaten over 2012 hebben betrekking op 1,5 miljoen patiënten die contact hadden met huisartsenposten die onderdeel uitmaken van 25 huisartsendienstenstructuren. Toen had het verzorgingsgebied betrekking op 9,9 miljoen inwoners.

    Meer informatie

  • Gebruik ICPC-codering op de huisartsenpost

    Symptomen en aandoeningen van personen die gebruik maken van de huisartsenpost zijn geregistreerd met behulp van de International Classification of Primary Care (ICPC). Alleen ICPC-codes in de range 01 tot en met 29 (symptomen) en in de range 70 tot en met 99 (aandoeningen) worden beschouwd als betekenisvolle ICPC-codes. Daarnaast worden ook A44 (inenting), R44 (influenzavaccinatie) en X37 (cervix-uitstrijkje) als betekenisvolle ICPC-codes beschouwd. 

    In 2013 registreerden zorgverleners op de huisartsenpost bij gemiddeld 83% van de contacten een betekenisvolleICPC-code. Dit percentage is gestegen ten opzichte van 2012. De verschillen tussen huisartsendienstenstructuren blijven echter groot (27-99%). Het aantal contacten zonder ICPC-code is in 2013 gedaald ten opzicht van 2012 (van 20% naar 12%). Ook hierin zijn grote verschillen tussen huisartsendienstenstructuren (0-73% in 2013) (NIVEL Zorgregistraties eerstelijn).

  • RIVM Ambulanceritten per RAV-regio

    De vergunninghouders van de individuele RAV-regio's leveren hun rittendatabases aan bij het RIVM. Het RIVM berekent vervolgens de productie- en prestatiecijfers. Berekeningen zijn gebaseerd op de meetplannen, die zijn vastgesteld door het Algemeen Bestuur van Ambulancezorg Nederland. Het RIVM past de meetplannen op eenduidige en uniforme wijze voor alle regio’s toe.

    De databewerking door het RIVM verloopt in twee stappen:

    • In de eerste stap worden per regio de ritgegevens en de stamtabellen ingelezen in een database waarna productiecijfers worden geselecteerd. De selectie van de productiecijfers worden in een verslag voorgelegd aan de regio. Na goedkeuring door de regio worden de productiecijfers ingelezen in een landelijke database.
    • In de tweede stap van de databewerking wordt een analyse van de ritgegevens uitgevoerd conform de AZN-meetplannen. De resultaten hiervan worden ter goedkeuring aan de regio voorgelegd. Na goedkeuring zijn de cijfers beschikbaar.
Methoden
  • Acute zorg: DBC-Informatiesysteem (DIS)

    Het aantal SEH-zorgactiviteiten met een zorgactiviteitdatum in 2012 is geteld, die behoren bij alle actieve (lopende) DBC-subtrajecten in 2012. Met actieve DBC-subtrajecten wordt bedoeld de subtrajecten die in 2012 open hebben gestaan (geopend in 2011 en gesloten in 2012, geopend en gesloten in 2012, of geopend in 2012 en gesloten in 2013). De gebruikte zorgactiviteitencode is 190015, en is in de DIS-registratie gedefinieerd als ‘spoedeisende hulp contact op de SEH-afdeling’, met als toelichting dat het gaat om zorgvragen die zich acuut en onmiddellijk voordoen. SEH-zorgactiviteiten kunnen naast andere zorgactiviteiten worden geregistreerd. Bovendien kunnen ze bij alle diagnosen worden geregistreerd, indien er sprake is van spoedeisende zorg. Voor iedere keer dat een patiënt binnen een jaar op een SEH-afdeling wordt behandeld, wordt een SEH-zorgactiviteit geregistreerd. In het geval dat er in het DIS meer dan één SEH-zorgactiviteit op eenzelfde dag is geregistreerd binnen hetzelfde DBC-subtraject (zelfde diagnose en specialisme), is dit als één SEH-zorgactiviteit geteld.

    Voor de berekening van de cijfers voor VZinfo is uitgegaan van het peiljaar 2012. Hiervoor waren gegevens nodig van DBC-subtrajecten die in 2013 zijn afgesloten. Het RIVM heeft de methode voor het berekenen van de SEH-zorgactiviteiten op basis van het DIS opgesteld in overleg met het CBS.

  • Rijtijdenanalyse ambulances

    Begin 2016 heeft het RIVM een nieuwe versie van het rijtijdenmodel in gebruik genomen. In de periode 1 juli 2014 tot en met 30 juni 2015 heeft het RIVM nieuwe metingen van ambulancesnelheden laten uitvoeren. Hierbij zijn snelheden in heel Nederland gemeten. Uit de meetgegevens zijn gemiddelde snelheden bepaald. Er worden 11 wegtypes gehanteerd, er is onderscheid gemaakt naar regio en tijdstip op de dag en er is rekening gehouden met verschillen tussen binnen en buiten de bebouwde kom. De nieuwe gemiddelde snelheden zijn gebruikt in een routeplanner die toegesneden is op hulpdiensten. In deze routeplanner kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van busbanen die afgesloten zijn voor normaal personenautoverkeer. Ook zijn afritten van snelwegen specifiek voor hulpdiensten opgenomen in de wegenkaart van de routeplanner.

    De volgende kanttekeningen kunnen bij het rijtijdenmodel gemaakt worden:

    • Het komt voor dat ambulances onderweg zijn als ze opgeroepen worden, bijvoorbeeld op de terugreis van het ziekenhuis naar de standplaats. Ook wordt er wel voor gekozen om op drukke tijden aanwezig te zijn op of nabij de snelweg. In beide gevallen wordt gesproken van rijdende paraatheid. Met dergelijke situaties wordt in de kaarten geen rekening gehouden.
    • Een aantal grote bedrijven heeft een eigen bedrijfsambulancedienst. De bijbehorende locaties zijn niet opgenomen in de kaart. Hierdoor zal de bereikbaarheidsituatie op sommige plaatsen bijvoorbeeld op de Maasvlakte in werkelijkheid anders zijn dan in de kaart.
    • In de gemiddelde snelheden die gebruikt zijn voor deze analyse is rekening gehouden met vertraging door congestie op verschillende wegsoorten (stad, platteland, snelweg etc.).
    • In de gebruikte maat wordt geen rekening gehouden met voorwaardescheppende inzetten. Wanneer alle ambulances van een bepaalde locatie in actie zijn, verandert de bereikbaarheidssituatie in de regio op dat moment. In dergelijke gevallen wordt soms een ambulance vanuit een andere standplaats tijdelijk op een strategische plaats ergens tussen beide posten gestationeerd zodat toch nog een redelijke rijtijd gegarandeerd kan worden. Dit wordt een voorwaardescheppende inzet genoemd.
    • Er wordt in deze modelmatige weergave voorbij gegaan aan het feit dat langs de landsgrenzen bijstand vanuit het buitenland (België en Duitsland) kan worden geleverd.
  • Bereikbaarheidspercentages

    De bereikpercentages in deze kaart (Inwoners binnen bereik van een ambulancestandplaats) zijn anders dan in het Referentiekader. Dat komt omdat deze kaart uitgaat van de werkelijke spreiding van standplaatsen, terwijl het referentiekader een eigen, modelmatige, spreiding hanteert. Het referentiekader is een planninginstrument, de werkelijke spreiding kan hiervan afwijken, bijvoorbeeld om hogere bereikpercentages te realiseren.

    In bereikbaarheidsmodellen wordt uitgegaan van 3 minuten voor de ontvangst en uitvraag van de melding, verstrekking van de inzetopdracht en het uitrukken van het ambulanceteam; de netto rijtijd is 12 minuten. Ook is uitgegaan van open grenzen. Dat wil zeggen dat gebieden ook door standplaatsen van buiten de eigen regio aangereden mogen worden. Steunpunten die gebruikt worden voor voorwaardescheppende inzetten en DAM-standplaatsen (Dynamisch Ambulance Management) zijn niet meegenomen in de berekeningen. Het gehanteerde rijtijdenmodel is dezelfde als die gebruikt is in het 'Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2013' (Kommer & Zwakhals, 2013).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Kommer GJ, Zwakhals SLN. Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2013. Bilthoven: Rijksinstituur voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2013. Bron

Data en gegevensbronnen