Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

Acute zorgCijfers & ContextGebruik acute zorg

Cijfers & Context

Jaarlijks ongeveer 1,8 miljoen SEH-behandelingen

Regionaal & Internationaal

Grote verschillen in tarieven huisartsenposten

Kosten

Nog niet uitgewerkt

Zorgprestaties

Nog niet uitgewerkt

Gebruik huisartsenpost

Bijna 4 miljoen contacten tussen patiënten en HAP's

In 2014 zijn er in totaal bijna 4 miljoen verrichtingen gedeclareerd door alle HAP's (InEen, 2015). Ongeveer 15% van de Nederlandse bevolking heeft één of meerdere keren per jaar contact met de HAP (Zwaanswijk, 2014). Een HAP kan verschillende verrichtingen declareren: consulten, visites en telefonische consulten. Het merendeel van de contacten is een consult op de HAP (ruim 2 miljoen) of een telefonisch consult (ruim 1,5 miljoen). De cijfers van het aantal contacten per 1.000 inwoners afkomstig van de vereniging van eerstelijnsorganisaties InEen komen overeen met die uit de registratie van huisartsenposten door NIVEL Zorgregistraties eerstelijn.

Meer telefonische consulten bij HAP met co-locatie met SEH

Het aantal telefonische consulten in vergelijking met het aantal consulten op de HAP is sterk afhankelijk van locatie van de HAP ten opzichte van een SEH en de samenwerking tussen HAP en SEH. Als de HAP een co-locatie heeft met de SEH en zelfverwijzers eerst door personeel van de HAP worden gezien, zijn er verhoudingsgewijs meer consulten op de post en minder telefonische consulten dan wanneer de HAP de SEH van elkaar gescheiden zijn (van Uden et al., 2003).

Meeste contacten overdag in het weekend

Op de HAP is het het drukst in het begin van de avond doordeweeks en ’s morgens in het weekend. Doordeweeks tussen 18:00 en 19:59 uur vindt 12,3% van alle contacten gedurende een week plaats, in het weekend tussen 10:00 en 11:59 uur 10,1%. Hier tegenover staat een percentage van 0,85 tussen 04:00 en 05:59 in het weekend ( NIVEL Zorgregistraties eerste lijn). De HAP is alleen geopend tijdens ANW-uren. 

Experts en redactie

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. NIVEL Zorgregistraties eerste lijn, NIVEL Zorgregistraties. zorggegevens.nl

Literatuur

  1. InEen. Benchmarkbulletin Huisartsenposten 2014. Utrecht: InEen; 2015. Bron
  2. Zwaanswijk M. Algemene beschrijving huisartsenpost. Utrecht: NIVEL; 2014. Bron
  3. van Uden CJT, van Dongen AWM, Guldemond-Hecker Y, Fiolet JFBM, Winkens RAG, Crebolder HFJM. Poortwachter hersteld. Eerst naar de huisarts, dan naar de Spoedeisende Hulp. Medisch Contact. 2003;58(39): 1482-1485. Bron

Gebruik huisartsenpost naar leeftijd en geslacht

Vooral jonge kinderen en ouderen maken gebruik van de huisartsenpost

Vooral jonge kinderen en ouderen maken gebruik van de huisartsenpost. Relatief gezien zijn de meeste consulten op de huisartsenpost voor kinderen van 0 t/m 4 jaar, en de meeste visites voor ouderen vanaf 85 jaar. Telefonische consulten vinden relatief gezien vooral plaats voor jonge kinderen en ouderen (Zwaanswijk, 2014).

Vooral ouders met jonge kinderen ongerust

Uit onderzoek waarin nader is ingezoomd op frequente bezoekers (3 tot 25 keer per jaar) met laagurgente problemen, blijkt dat ouders met jonge kinderen de belangrijkste groep vormen (Giesen et al., 2010). Zij zijn van mening dat je met kinderen extra voorzichtig moet zijn en snel aan de bel moet trekken. Bovendien kunnen jonge kinderen niet precies aangeven wat er aan de hand is, waardoor ouders sneller onzeker en ongerust worden. Een andere belangrijke groep betreft mensen met een chronische ziekte of een belaste voorgeschiedenis. Zij zijn snel ongerust en angstig, en hebben behoefte aan geruststelling en duidelijkheid over wat er aan de hand is.

Meer vrouwen dan mannen op de huisartsenpost

Vrouwen (253 per 1.000 vrouwen) maken vaker gebruik van de huisartsenpost dan mannen (211 per 1.000 mannen) (Zwaanswijk, 2014). Deze aantallen zijn niet gecorrigeerd voor leeftijd, dus dit verschil kan deels verklaard worden door de gemiddeld oudere leeftijd van vrouwen in Nederland. 

Experts en redactie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Zwaanswijk M. Zorg op de huisartsenpost - aantal telefonische consulten naar leeftijd en geslacht.; 2014. Bron
  2. Giesen P, Stam D, Wensing M. Frequente bezoekers huisartsenpost vertellen over hun motieven "Je wilt de zekerheid dat het goed zit". Medisch Contact. 2010;65(37):1863-1865. GoogleScholar

Gebruik huisartsenpost naar orgaanstelsel

Deelcontacten met HAP 2013

Naar ICPC-code, als percentage van het totaal aantal deelcontacten
Hap contacten naar orgaanstelsel2013
Bewegingsapparaat16,1
Maagdarm13,8
Huid/onderhuids13,7
Ademhalingsorganen13,3
Algemeen13,0
Urinewegen6,2
Hartvaat4,5
Oor4,2
Zenuwstelsel3,6
Psychische problemen3,4
Oog3,3
Endocrien1,9
Geslachtsorganen vrouw1,1
Zwangerschap0,7
Geslachtsorganen man0,6
Bloed0,4
Sociale problemen0,3
Onbekend0,1

Deelcontact: één contact kan één of meerdere deelcontacten omvatten. Een deelcontact heeft betrekking op één gezondheidsprobleem binnen één contact. Indien een patiënt in een contact meerdere gezondheidsproblemen aan de orde stelt, bestaat dit contact uit evenveel deelcontacten.

Klachten aan bewegingsapparaat vaakst reden voor contact met HAP

Klachten waarvoor het vaakst contact is met de huisartsenpost (inclusief telefonische consulten) zijn gerelateerd aan het bewegingsapparaat. Daarnaast is er vaak contact met de HAP vanwege klachten van het maagdarmkanaal, ademhalingsorganen, huid en onderhuids bindweefel en algemene klachten (Zwaanswijk, 2014).

Meer lichamelijke letsels op HAP als deze vlak voor SEH ligt

De aard van de klachten is afhankelijk van de ligging van de HAP ten opzichte van de SEH en de wijze waarop de samenwerking met de SEH is vormgegeven; als de HAP vlak voor de SEH is gesitueerd, worden de huisartsen vaker voor lichamelijke letsels geconsulteerd (van Uden et al., 2003). Als de HAP verder van de SEH verwijderd is, gaan patiënten met dergelijke klachten blijkbaar eerder naar een SEH.
 

Meer informatie

Experts en redactie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Zwaanswijk M. Zorg op de huisartsenpost - aantal contacten naar ICPC-hoofdstuk.; 2014. Bron
  2. van Uden CJT, van Dongen AWM, Guldemond-Hecker Y, Fiolet JFBM, Winkens RAG, Crebolder HFJM. Poortwachter hersteld. Eerst naar de huisarts, dan naar de Spoedeisende Hulp. Medisch Contact. 2003;58(39): 1482-1485. Bron

Gezondheidsproblemen op de huisartsenpost

Top-10 van meest voorkomende ICPC-diagnosen op de HAP 2013

 

Afzonderlijke klachten en aandoeningen

Percentage van alle deelcontacten

1

Scheurwond/snijwond

3,6

 

Cystitis/urineweginfectie

3,6

2

Andere gegeneraliseerde/niet gespecificeerde ziekte(n)

3,1

3

Koorts

3,0

4

Acute infectie bovenste luchtwegen

2,6

5

Andere gelokaliseerde buikpijn

2,3

6

Borstkas symptomen/klachten

1,7

7

Gegeneraliseerde buikpijn/buikkrampen

1,6

6

Bezorgdheid over (bij)werking geneesmiddel

1,5

 

Veronderstelde gastro-intestinale infectie

1,5

 

Otitis media acuta/myringitis

1,5

9

Ongeval/letsel

1,3

 

Voet/teen symptomen/klachten

1,2

 

Hoesten

1,2

10

Hand/vinger symptomen/klachten

1,1

 

Dyspnoe/benauwdheid toegeschreven aan luchtwegen

1,1

 

Oorpijn

1,1

 

Diabetes mellitus

1,1

Scheur- en snijwond en acute urineweginfecties meest gestelde diagnose

Wat de afzonderlijke diagnosen betreft, blijken scheur-/snijwonden en actute urineweginfecties het vaakst voor te komen. Ook klachten over koorts en gegeneraliseerde/niet specifieke ziekten(n) komen relatief vaak voor. Deze diagnosen omvatten elk 3% van het totaal aantal deelcontacten. Per contact kunnen er meerdere ICPC-codes geregistreerd worden. De diagnosen in de tabel geven voor een deel de door patiënten gepresenteerde klachten weer en niet altijd de definitieve diagnosen, omdat soms nog nader onderzoek nodig is (bijvoorbeeld radiologisch onderzoek). In die gevallen is op het moment van registratie in het medisch dossier de uitslag van dergelijk onderzoek nog niet bekend bij de dienstdoende huisarts, zodat deze de klacht registreert en nog niet de definitieve diagnose.

Frequentie diagnose hangt af van type consult

De frequentie waarmee een bepaalde diagnose wordt gesteld, hangt samen met het type contact. De doktersassistente of huisarts handelen onder andere koorts, bezorgdheid over (bij)werkingen van geneesmiddelen en urineweginfecties vaak telefonisch af. Bij een consult op de HAP worden vaak scheur- of snijwonden, acute infecties van de bovenste luchtwegen en urineweginfecties gezien, en bij een visite gaat het vaak om het vaststellen van overlijden of om klachten vanwege longontsteking en benauwdheid (Zwaanswijk, 2014).

 

Meer informatie

Experts en redactie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Zwaanswijk M. Zorg op de huisartsenpost - aantal contacten naar ICPC-hoofdstuk.; 2014. Bron

Urgentie op de huisartsenpost naar leeftijd

Gemiddeld aantal contacten met de HAP 2013

Naar urgentiecategorie
LeeftijdscategorieU5; AdviesU4; RoutineU3; DringendU2; SpoedU1; LevensbedreigendU0; Reanimatie
0-4204,0135,6257,856,32,40,0
5-1749,744,082,813,40,50,0
18-4458,849,472,917,71,50,0
45-6443,134,058,220,54,00,0
65-7450,736,573,634,67,60,1
75-84102,058,7133,069,114,70,2
85+206,399,5248,5141,024,60,2

Urgentievedeling op basis van Nederlands Triage Systeem

Vooral veel niet-urgente contacten voor baby’s en kleine kinderen

Vooral voor kinderen van 0-4 jaar zijn er veel contacten voor niet-dringende problemen (routine U4 en advies U5). Tot 45 jaar komen contacten voor levensbedreigende problemen (U1) nauwelijks voor. Vanaf 45 jaar neemt de incidentie van U1- en U2-gezondheidsproblemen toe met de leeftijd.

Reden voor contact bij niet-urgente problemen vaak wel begrijpelijk

Dat een hulpvraag medisch gezien 'niet urgent' is, wil overigens niet zeggen dat deze ‘niet terecht’ is. Er is waarschijnlijk een grote groep patiënten die om volkomen invoelbare redenen van ongerustheid, ervaren last of gebrek aan kennis over de klacht niet wil wachten. Het behoort tot de taken van een huisartsenpost om vragen te beantwoorden van mensen die niet kunnen wachten tot zij in de eigen huisartsenpraktijk terecht kunnen (van der Werf, 2005). Uitleg geven, geruststellen en zelfzorg adviseren zijn belangrijke taken.

 

Meer informatie

Experts en redactie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. van der Werf G. Hulpvragen op de dokterspost: ongerust of urgent? Commentaar. Huisarts en wetenschap. 2005; 48(5): 206. Bron

Gebruik SEH

Aantal SEH-bezoeken 2016

Op basis van een steekproef van 14 SEH's

Behandeling

 Aantal

Percentage

Lichamelijke letsel of vergiftiging

 656.000

34

Ziekte of aandoening

 1.130.000

58

Controle

 74.200

4

Overig/ onbekend

 93.700

5

 

   

Totaal

1.960.000

100

Bron: Letsel Informatie Systeem, 2017 (bewerkt door VeiligheidNL)

In 2016 ongeveer 2 miljoen SEH-behandelingen

Op basis van het Letsel Informatie Systeem heeft VeiligheidNL berekend dat op afdelingen Spoedeisende hulp (SEH) van ziekenhuizen in 2016 ongeveer 2 miljoen bezoeken aan een afdelingen Spoedeisende hulp (SEH) van een ziekenhuis plaatsvonden. Volgens de definitie in LIS kan bij een patiënt tijdens een SEH-bezoek aan meerdere gezondheidsproblemen aandacht worden besteed. Een patiënt met zowel oogletsel als knieletsel (vanwege hetzelfde ongeval) telt dus maar één keer mee. Het aantal van 2 miljoen SEH-bezoeken komt overeen met 120 behandelingen per 1.000 personen. Deze schatting is gebaseerd op registratie door dertien SEH’s. Alle dertien SEH’s registreren in LIS gedetailleerde informatie over acute lichamelijke letsels. Elf registreren hierin ook bezoeken vanwege een acute ziekte of aandoening, waarvan negen onderscheid maken naar diagnosegroep.

Landelijke enquête ondersteunt schatting volgens  SEH-registraties 

In  de periode 2012-2015 vond een landelijke meting plaats onder alle ziekenhuizen met een SEH die 24 uur per dag en 7 dagen per week open is (Gaakeer et al., 2016). Met behulp van een enquête werd per jaar nagevraagd hoeveel SEH-behandelingen plaatsvonden. Op de 86 SEH’s die over 2015 gegevens verstrekten (respons 99%) waren 1.928.630 patiënten behandeld in 2015. Het aantal SEH-behandelingen per ziekenhuislocatie varieerde van 7.000 tot 52.000. Na correctie voor SEH's waarvan gegevens ontbraken, kwamen de onderzoekers op een schatting voor heel Nederland van 1.951.000 behandelingen (115 SEH-behandelingen per 1.000 inwoners). Dat cijfer (over 2015) kan vergeleken worden met het cijfer dat berekend werd op basis van de LIS-registratie over 2015. Dat aantal bedroeg 2.080.000 (Letsel Informatie Systeem, 2017, gegevens verkregen op verzoek), en was dus iets (6,6%) hoger.

Meer informatie

Experts en redactie

Bronnen en literatuur

Bronnen

  1. Letsel Informatie Systeem, LIS. zorggegevens.nl

Literatuur

  1. Gaakeer MI, van den Brand L, Gips E, van Lieshout JM, Huijsman R, Veugelers R, et al. Landelijke ontwikkelingen in de Nederlandse SEH’s; aantal en herkomst van patienten in de periode 2012-2015. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. 2016. Bron

Gebruik SEH naar leeftijd

SEH-bezoeken 2016

LeeftijdPer 1.000Absoluut aantal
0-4150128000
5-98276200
10-149997800
15-19100105000
20-2498104000
25-298995000
30-348485300
35-397777700
40-447685300
45-4983106000
50-5491117000
55-59100121000
60-64120125000
65-69140142000
70-74180134000
75-79220125000
80-84280109000
85-8934080000
90+37044700
Totaal1201960000

Ouderen vaker op de SEH

Het aantal SEH-bezoeken per 1.000 personen is het hoogst voor de groep van 65 jaar en ouder. Ouderen van 90 jaar en ouder komen het vaakst op de SEH, 370 bezoeken per 1.000 ouderen van 90 jaar en ouder. Als we per 10-jaarsklasse kijken welke groep absoluut gezien het vaakst de SEH bezoekt, is dat de groep 60-69 jarigen, gevolgd door de groep 70-79 jarigen, met respectievelijk 267.000 en 259.000 bezoeken. Dat komt neer op respectievelijk 14% en 13% van alle SEH-bezoeken in 2016.

Meer informatie

Gebruik SEH naar diagnose

SEH-bezoeken per diagnosegroep 2016

Letsels en vergiftigingen uitgesplitst naar lichaamsregio
Percentage
DiagnosegroepLichamelijk letsel/vergiftiging 34
DiagnosegroepHart- en vaatziekten 10
DiagnosegroepZktn maag- darmstelsel6
DiagnosegroepSymp. en onvolledig omschr.6
DiagnosegroepZktn ademhalingswegen6
DiagnosegroepZktn van de urinewegen2
DiagnosegroepInfectieuze en parasitaire zktn2
DiagnosegroepZktn van het zenuwstelsel 2
DiagnosegroepZktn van huid en subcutis 1
DiagnosegroepNeoplasmata 1
DiagnosegroepZktn v. spieren, bot, bindweefsel 1
DiagnosegroepEndocr., voedings- en stof.zktn1
DiagnosegroepZktn v. bloed en immuunsystee,1
DiagnosegroepZktn v.h. oor 1
DiagnosegroepPsychische stoornissen 1
DiagnosegroepComplicaties rond zwangerschap1
DiagnosegroepZktn v.h. oog 1
DiagnosegroepAand. ontstaan in perinatale per.1
DiagnosegroepOverige/onbekende ziekte 22
DiagnosegroepControle 4
DiagnosegroepOverig/onbekend 5
Letsel/vergiftigingSchouder/arm/hand39
Letsel/vergiftigingHeup/been/voet28
Letsel/vergiftigingHoofd/hals/nek15
Letsel/vergiftigingOverig11
Letsel/vergiftigingRomp/wervelkolom7
  • Overige/onbekende ziekte: inclusief aangeboren afwijkingen
  • Zie voor informatie over de diagnosegroep symptomen: Bronverantwoording

Meeste SEH-bezoeken vanwege lichamelijke letsels of vergiftigingen

Bij uitsplitsing van SEH-bezoeken (2 miljoen) naar belangrijkste diagnosegroep blijkt dat mensen het vaakst naar de SEH gaan vanwege acute lichamelijke letsels of vergiftigingen (656.000 behandelingen). Diagnosegroepen die ook vaak aanleiding zijn tot SEH-bezoek, zijn hart- en vaatziekten, ziekten van het maag-darmkanaal en ziekten van de longen en luchtwegen. De groep ‘overige/onbekende ziekte’ wordt vooral gevormd door niet-letsels die zijn geregistreerd in twee grote ziekenhuizen die in de aangeleverde gegevens niet een verder onderscheid maakten naar ziekte of aandoening (AMC en VUmc).

De meeste letsels op SEH aan schouder, arm of hand

De diagnosegroep lichamelijke letsels en vergiftigingen kunnen in de registratie van LIS-ziekenhuizen nog verder uitgesplitst te worden. Als we kijken naar de locatie of lichaamsregio van het letsel, blijkt dat letsels van de bovenste ledematen (schouder, arm, hand) het vaakst reden zijn voor SEH-bezoek. Specifieke diagnosen die daarbinnen het vaakst worden gesteld, zijn fracturen van pols, hand of vinger. Oppervlakkig letsel, kneuzingen en open wonden van hand of vingers komt ook frequent voor. Afzonderlijke letsels van de onderste ledematen die vaak aanleiding zijn voor een SEH-bezoek, zijn fracturen van voet of teen, enkelletsels (verdraaid of gebroken) en heupfracturen. De meest voorkomende letsels van hoofd en romp zijn licht hersenletsel, open wonden aan het hoofd, oppervlakkige letsels en  kneuzingen aan hoofd en rompen; zie tabel SEH-bezoek naar locatie en type letsel.

Botbreuk meest voorkomende type letsel

Bij uitsplitsing van de diagnosegroep lichamelijke letsels en vergiftigingen naar type letsel, blijkt dat fracturen (botbreuken) het vaakst aanleiding zijn voor een SEH-bezoek (39% van alle bezoeken). Nummer 2, 3 en 4 zijn respectievelijk oppervlakkig letsel (19%), open wond (9%) en hersenletsel (7%); zie tabel SEH-bezoek naar type letsel

Meer informatie

  • Nevenstaande figuur geeft een goed inzicht in de problematiek waarmee een SEH wordt geconfronteerd, maar geeft geen volledig beeld van alle acute gezondheidsproblemen die in algemene en psychiatrische ziekenhuizen wordt opgevangen. Zie voor meer informatie de Bronverantwoording.

Gebruik SEH naar tijdstip

Aantal SEH-bezoeken naar dagdeel en dag van binnenkomst 2016

Dag en tijdstip

Aantal

Percentage

Maandag-Vrijdag

1.390.000

71

08:00- 17:59

 926.000

47

18:00- 19:59

 131.000

7

20:00- 23:59

 202.100

10

00:00- 7:59

 112.900

6

Weekend/feestdagen

569.000

29

08:00-16:59

 338.800

16

17:00-23:59

 154.300

9

00:00-07:59

70.300

4

Onbekend

22.200

1

 

   

Totaal

1.960.000

100

Meeste SEH-behandelingen overdag en doordeweeks

Op de SEH is het aantal behandelingen overdag het hoogst. Ongeveer 54% van de behandelingen worden uitgevoerd op doordeweekse dagen tussen 08:00 en 19:59 uur. Er zijn geen grote verschillen in het aantal behandelingen tussen dagen door-de-weeks of in het weekend/feestdagen. Ongeveer 71% van de behandelingen vindt door de weeks plaats. Tegenover bijna 29% in de weekenden en op feestdagen.

Meer informatie

Experts en redactie

Gebruik SEH naar specialisme

SEH-behandelingen naar specialisme, 2012

SpecialismePercentageAbsoluut aantal SEH contacten
Heelkunde45,21011240
Inwendige geneeskunde12,5280575
Cardiologie9,2205890
Neurologie8,1180845
Orthopedie6,8151625
Longgeneeskunde4,9108555
Kindergeneeskunde4,5101725
Gastro-enterologie2,248340
Urologie1,840900
Oogheelkunde1,636280
KNO122600
Gynaecologie0,716605
Plastische chirurgie0,511385
Klinische geriatrie0,48615
Neurochirurgie0,24735
Dermatologie0,12160
Reumatologie0,12115
Consultatieve psychiatrie0,11675
Anesthesiologie0405
Cardio pulmonale chirurgie0360
Radiologie065
Radiotherapie020
Revalidatiegeneeskunde015
Allergologie010

Bron: DBC informatiesysteem bewerkt door het CBS

Meeste SEH-behandeling door specialisme heelkunde

Op de SEH worden met name lichamelijke letsels behandeld. SEH-personeel ziet ook vaak patiënten met buikpijn en hartproblemen. Dit patroon blijkt ook uit de specialismen die verantwoordelijk zijn voor veel behandelingen: heelkunde, internegeneeskunde en cardiologie. Heelkunde verzorgde in 2012 met ruim 45% het grootste deel van alle behandelingen.

Meer informatie

Herkomst patiënten op de SEH

Herkomst van patiënten op de SEH 2015

[container]
HerkomstPercentageBetrouwbaarheidsinterval
Huisarts of HAP50,3(14,0-76,5)
Zelfverwijzer17,4(2,7-58,9)
112, ambulance of MMT16(2,1-32,5)
Andere instantie14,6(0,5-46,3)
Onbekend1,7

Het betrouwbaarheidsinterval geeft de spreiding tussen SEH’s weer. De uiterste waarden zijn van de SEH met het laagste percentage en de SEH met het hoogste percentage.

Meeste mensen via huisarts of huisartsenpost op SEH

Uit de landelijke meting onder alle ziekenhuizen met een SEH die 24 uur per dag en 7 dagen per week open is, blijkt dat van de patiënten op de SEH ongeveer de helft (50,3%) doorverwezen is door de huisarts, inclusief de huisartsenpost (Gaakeer et al., 2016). Het percentage patiënten dat via de huisarts komt kent een grote variatie (14,0 – 76,5). Het percentage zelfverwijzers toont landelijk eveneens een grote variatie: van (2,7 – 58,9). Het percentage patiënten dat op eigen initiatief naar de SEH komt is landelijk 17,4%.

 

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. Gaakeer MI, van den Brand L, Gips E, van Lieshout JM, Huijsman R, Veugelers R, et al. Landelijke ontwikkelingen in de Nederlandse SEH’s; aantal en herkomst van patienten in de periode 2012-2015. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. 2016. Bron

Gebruik ambulancezorg

Ruim 1,3 miljoen ambulance-inzetten

In 2017 is in Nederland ruim 1.313.000  keer een ambulance ingezet. Dat is ruim 77 ambulance-inzetten per 1.000 inwoners (AZN, 2018).

Ruim 74% van ambulance-inzetten zijn spoedeisend

Binnen de ambulancezorg wordt onderscheid gemaakt tussen spoedeisende (A1 en A2-inzetten) en planbare (B-inzetten) ambulancezorg. Dit onderscheid heeft vooral betrekking op de mate van urgentie waarmee een ambulance naar een patiënt wordt gestuurd. Ruim 74% van de ambulancezorg was een spoedeisende inzet (AZN, 2018).


Experts en redactie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. AZN. Tabellenboek 2017. Zwolle: AZN; 2018. Bron
  2. AZN. Ambulances in-zicht 2015. Zwolle: Ambulancezorg Nederland; 2016. Bron

Gebruik ambulancezorg naar leeftijd en geslacht

Leeftijdsverdeling van patiënten behandeld ambulanceteam 2017

Leeftijdscategorie

Patiënten behandeld door het ambulanceteam (%)

Bevolking in Nederland (%)

Pasgeborenen (<30 dagen) of Zuigelingen (1 maand tot 1 jaar)

1,2

1

Kinderen (1 - 15 jaar)

4,3

16,5

Volwassenen (16-74 jaar)

60

74,6

Ouderen (75 jaar en ouder)

34,5

7,9

Behandelde patiënten relatief oud

De patiënten die behandeld worden door het ambulanceteam, zijn relatief oud. Het aandeel pasgeborenen en kinderen waarvoor de ambulance wordt ingezet, is gering. Hierbij is ook het besteld vervoer meegeteld (AZN, 2018). 

Evenveel mannen als vrouwen behandeld door ambulancezorg

In 2017 werden iets meer mannen (50,7%) dan vrouwen (49,3%) behandeld door het ambulanceteam. Dit is inclusief B-inzetten.

Experts en redactie

Datum publicatie

03-10-2018

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. AZN. Tabellenboek 2017. Zwolle: AZN; 2018. Bron

Gebruik ambulancezorg naar specialisme

Werkdiagnosen gemaakt door het ambulancepersoneel 2017

Zowel spoedeisende ambulancezorg (A1- en A2-inzetten) als besteld vervoer (B-inzetten)

Specialisme

Percentage

Voorbeelden van frequent geziene problemen

Neurologie             22,5 epilepsie, beroerte, hersenvliesontsteking, aandoeningen van ruggenmerg, duizeligheid, rugpijn

Interne geneeskunde

21,2

pijn in de buik, vergiftiging, uitdroging, diabetes, allergie, complicaties bij kanker

Cardiologie

18,6

pijn op de borst, reanimatie, hartritmestoornis

Longziekten

11,8

respiratoire insufficiëntie, COPD, longontsteking, longbloeding, longembolie, inademing van schadelijke stoffen of rook

Traumatologie/heelkunde

7,5

verwonding, verbranding, fracturen

Gynaecologie

1,2

complicaties tijdens zwangerschap of tijdens of vlak na de bevalling

Overig

17,1

andere werkdiagnosen, niet mogelijk om een diagnose te stellen, overleden patiënten

Cardiologische ziektebeelden komen het vaakst voor

De meest voorkomende werkdiagnosen die gesteld worden door het ambulancepersoneel, zijn diagnosen op het gebied van de neurologie (22,5%). Ook ziektebeelden die toegewezen worden aan het specialisme interne geneeskunde en cardiologie komen veel voor (21,2 en 18,6%). Ongeveer een op de vijf gezondheidsproblemen zijn door het ambulancepersoneel ingedeeld in de groep ‘overig’ (17,1%). Hierbij kan worden gedacht aan kinderen, maar ook aan patiënten met acute gedragsstoornissen, patiënten die met spoed naar een ander ziekenhuis worden overgeplaatst en patiënten waarbij het niet goed mogelijk is ter plaatse een werkdiagnose te stellen (AZN, 2018).

Experts en redactie

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. AZN. Tabellenboek 2017. Zwolle: AZN; 2018. Bron

Gebruik Mobiel Technisch Team (MMT)

MMT-oproepen, 2013

Soort inzet

2013

Aantal MMT-oproepen

7.570

% inzet helikopter

76

 

 

Waarvan inzetten met helikopter

       5.753

Waarvan inzetten met bus

       1.817

Ruim 7.500 MMT-oproepen

In 2013 is in Nederland 7.570 keer een Mobiel Medisch Team (MMT) ingezet in aanvulling op de reguliere ambulancezorg. Bij ongeveer 76% van de oproepen ging het om helikopterinzetten. Echter niet bij elke inzet is de plaats van het incident bereikt en hulp verleend. Sommige oproepen zijn op de grond of in de lucht gecanceld. Veel voorkomende redenen voor annulering zijn dat de patiënt stabiel wordt bevonden door het ambulancepersoneel, dat de patiënt is overleden, dat de inzet van MMT niet (meer) nodig is en dat de weersomstandigheden te slecht zijn. 

Experts en redactie

Verantwoording

Definities
  • Acute zorg

    Beleving zorgvrager staat centraal bij acute zorg

    Onder acute zorg wordt binnen VZinfo verstaan: 'Alle zorg die niet kan wachten tot de eerstvolgende mogelijkheid op werkdagen om de huisarts of hulpverlener te raadplegen'. Deze definitie wordt gehanteerd in het Nederlandse Triage Systeem (Drijver & Jochems, 2006) en is oorspronkelijk opgesteld door de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF, 2006). Het ministerie van VWS sluit bij deze definitie aan: ‘een door de zorgvrager en/of zorgverlener ervaren onvoorziene en onmiddellijke behoefte aan diagnostiek en behandeling’ (VWS, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2008). De beleving van de zorgvrager staat in deze definities centraal. Een persoon zal bij grote kans op overlijden of irreversibele gezondheidsschade zeker behoefte hebben aan acute zorg, maar ook bij hevige pijn, ernstig ongemak of ongerustheid kan een persoon dat hebben. Volgens deze definitie kan acute zorg ook bestaan uit alleen een telefonisch advies of een geruststelling.

    Begrip acute zorg hangt af van perspectief

    De definities hangen af van onder andere het gehanteerde perspectief, maar soms ook van de beroepsgroep die de definitie hanteert. Zo wordt acute zorg ook beschreven als ‘zorg in situaties waarin zonder acuut ingrijpen gevaar is voor overlijden of irreversibele gezondheidsschade’. Dan gaat de acute zorg meer om leven en dood of om (zeer) ernstig letsel met kans op blijvende gezondheidsschade (Schrijvers, 2003 , van Blerck-Woerdman et al., 2008). Deze definitie is geformuleerd vanuit het perspectief van de zorgverlener na het beoordelen van de aanvankelijke zorgvraag. Volgens deze definitie valt de hulpverlening bij ernstig ongemak of ongerustheid van een persoon niet onder de acute zorg. In deze lijn behoort het overgrote deel van de huisartsenzorg, al dan niet verleend vanuit een huisartsenpost, ook niet tot de acute zorg. Een term die in de definities van acute zorg ook voorkomt, is dringende zorg (Van Baar et al., 2007). Dringende zorg wordt omschreven als urgente zorg waarvoor de zorgverlening wel een paar uur maar niet veel langer kan wachten.

    Onderscheid tussen acute zorg in individuele gevallen en bij grote ongevallen of rampen (GHOR)

    Er wordt een onderscheid gemaakt tussen acute zorg in individuele gevallen en in het geval van een groot ongeval of een ramp. In individuele gevallen is er sprake van reguliere acute zorg. De reguliere zorg wordt bij grote ongevallen, met meer dan vijf slachtoffers, en bij rampen opgeschaald naar de Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio (GHOR). De GHOR is gericht op rampenbeheersing, rampenbestrijding en de organisatie tijdens rampen en coördineert de inzet van geneeskundige diensten tijdens rampen en grote ongevallen.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Drijver R, Jochems P. Nederlands Triage Systeem: op weg naar eenduidige triage. Utrecht: Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG); 2006. Bron
    2. NPCF. Acute Zorg Uitgangspunten en kwaliteitscriteria vanuit patiëntenperspectief . Utrecht: Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF) ; 2006. Bron
    3. VWS, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Kamerstuk: Kiezen voor bereikbaarheid en kwaliteit van zorg. Den Haag: VWS, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; 2008. Bron
    4. Schrijvers AJP. Achtergrondstudie Acute zorg. RVZ, Raad voor de Volksgezondheid en Zorg ; 2003. Bron
    5. van Blerck-Woerdman A, Bosma H, Braat D.D.M., Carter E.R., Groot W.N.J., Mackenbach JP, et al. Achtergrondstudies Schaal en zorg. Den Haag: RVZ, Raad voor de Volksgezondheid en Zorg; 2008. Bron
  • Classificatie van de urgentie van de zorgvraag naar de richtlijnen van het Nederlands Triage Systeem

     

    Urgentie klasse

    Omschrijving

    Te verlenen actie

    U0 Reanimatie Uitval van ten minste één vitale functie (ademhaling, hartslag), wat betekent dat gereanimeerd moet worden.

    U1

    Levensbedreigend

    Onmiddellijk actie, de vitale functies zijn in gevaar of uitstel van behandeling leidt tot ernstige en onherstelbare schade van de gezondheid.

    U2

    Spoed

    Vitale functies zijn (nog) niet in gevaar, maar er is een reële kans dat de toestand snel verslechtert of dat uitstel van behandeling tot ernstige en onherstelbare schade van de gezondheid leidt. Zo vlug mogelijk actie.

    U3

    Dringend

    Niet te lang uitstel, binnen enkele uren om medische en/of humane redenen.

    U4

    Niet dringend

    Er is geen tijdsdruk om medische of andere gronden. Het moment en de plaats van de afspraak worden met de aanvrager/patiënt overeengekomen.

    U5

    Advies

    Een fysieke beoordeling kan wachten tot de volgende werkdag.

    Bron: Nederlandse Triage Standaard (NTS)

Bronverantwoording
  • Steeds meer informatie beschikbaar over gebruik acute zorg

    De acute zorg was lange tijd een sector waarover relatief weinig informatie over het zorggebruik bekend was. Mogelijk had dat te maken met de spoedeisendheid van gezondheidsproblemen die zich daar voordoen, waardoor onderzoek en registratie erbij inschoot. Vanaf 2004 heeft een reeks van onderzoeken genaamd ‘meetweken spoedzorg’, uitgevoerd door het Julius Centrum, veel nieuwe informatie opgeleverd over het gebruik van acute zorg op huisartsenposten, afdelingen Spoedeisende hulp, ambulancediensten en andere zorginstellingen. In twee regio’s is recent nog gemeten. Ook de jaarlijkse sectorrapportages van Ambulancezorg Nederland (AZN), waarvan de eerste betrekking had op 2006, hebben een impuls aan de kennis gegeven. Informatie over huisartsenposten is toegenomen door de Brancherapporten van InEen (InEen, 2014) en NIVEL Zorgregistraties Eerstelijn. Gegevens over SEH-bezoek kunnen betrokken worden van het DBC-Informatiesysteem (DIS). Hierin worden  zorgactiviteiten (verrichtingen) geregistreerd, waaronder ‘spoedeisende hulp contact op de SEH-afdeling’. Het Letsel Informatie Systeem (LIS) is een bron die onder andere informatie biedt over de oorzaak van letsels van patiënten die een SEH bezoeken. Hieraan doet een steekproef van SEH’s in Nederland mee. De meeste SEH’s die aan LIS deelnemen, registreren ook niet-letsels.Vanaf 2012 vindt jaarlijks een landelijke meting plaats bij alle SEH's die 24 uur per dag en 7 dagen per week open zijn (Gaakeer et al., 2016; Gaakeer et al., 2014). Dit zijn gegevens over ondermeer aantallen patiënten en herkomst van patiënten. Gegevens specifiek op het gebied van trauma zijn vanaf 2007 beschikbaar gekomen door de Nederlandse Trauma Registratie.

    Patiënten met acute psychische problemen meestal direct naar crisisdienst van GGZ-instelling

    Soms hebben specialismen een eigen ingang in het ziekenhuis, en komen patiënten met acute gezondheidsproblemen niet eerst op de SEH. Dergelijke specialismen zijn bijvoorbeeld oogheelkunde, verloskunde en kindergeneeskunde. Patiënten met acute psychische problemen die zorg ontvangen, krijgen die zorg over het algemeen eerst van de huisarts, die eventueel de crisisdienst van een GGZ-instelling kan inschakelen. Als opname noodzakelijk is, worden dergelijk patiënten vervoerd naar een GGZ-instelling. Alleen als er ook nog acute lichamelijke problemen zijn, bijvoorbeeld bij auto-intoxicatie, zullen patiënten eerst nog vervoerd worden naar een SEH.  

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. Letsel Informatie Systeem, LIS. zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. InEen. Benchmarkbulletin Huisartsenposten 2013. Utrecht: InEen; 2014. Bron
    2. Gaakeer MI, van den Brand L, Gips E, van Lieshout JM, Huijsman R, Veugelers R, et al. Landelijke ontwikkelingen in de Nederlandse SEH’s; aantal en herkomst van patienten in de periode 2012-2015. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. 2016. Bron
    3. Gaakeer MI, van den Brand CL, Veugelers R, Patka P. Inventarisatie van SEH-bezoeken en zelfverwijzers. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. 2014. Bron
  • Tabel: Bronnen bij de cijfers over acute zorg

    Bron

    Indicator in VZinfo

    Gepresenteerde populatie VZinfo

    Meer informatie

    Benchmark HAP Huisartsenposten en SEH's, Gebruik huisartsenposten N.v.t. InEen
    CBS Nabijheidsstatistiek Bereikbaarheid huisartsenposten N.v.t CBS Statline
    Drive Time Matrix Reistijden  N.v.t. Geodan
    Landelijke Traumaregistratie Gebruik MMT Nederlandse bevolking Landelijk netwerk acute zorg
    Letsel Informatie Systeem Gebruik SEH Nederlandse bevolking VeiligheidNL,
    Representativiteit van de LIS steekproef
    Nivel Zorgregistraties Contacten huisartsenposten Nederlandse bevolking Nivel
    Nederlandse Zorgautoriteit Tarieven huisartsenposten N.v.t. NZa
    Sectorkompas ambulancezorg AZN Kengetallen ambulancezorg Ambulancezorg Nederland AZN
           
  • Locaties huisartsenposten

    Voor de huisartsenposten is gebruik gemaakt van de Benchmark-2016 (InEen, 2017) met peildatum 31 december 2016. Na deze datum zijn de volgende wijzigingen opgetreden:

    • Vanaf 1 januari 2017 maakt de huistartsenpost Oosterhout geen deel meer uit van de HDS West-Brabant.
    • Sinds 3 april 2017 is de huisarstenpost in Venray 's nachts gesloten. Alle acute zorgvragen worden vanaf deze datum behandeld vanuit de HAP in Venlo.
    • Op 24 april 2017 is de huisartsenpost Antonioshove in Leidschendam verhuisd naar Bronovo Ziekenhuis (Den Haag).
    • Eind november 2017 is de huisartsenpost op het terrein van het Martini Ziekenhuis (Groningen) geopend. De huisartsenpost op het Damsterdiep (Groningen) is vanaf die datum gesloten.

    Voor de SEH is gebruik gemaakt van de Analyse gevoelige ziekenhuizen 2017 (Kommer et al., 2017) met als peildatum april 2017. Na deze datum zijn de volgende wijzigingen opgetreden:

    • De SEH van HMC Antoniushove in Leidschendam is gesloten.
    • De SEH van het Zuwe Hofpoort ziekenhuis in Woerden is van 24/7 uur pr week teruggebracht naar dag/avond-openstelling.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. InEen. Benchmarkbulletin huisartsenposten 2016. Utrecht: Ineen; 2017. Bron
    2. Kommer GJ, Gijsen R, de Bruin-Kooistra M, Deuning CM. Aanbod en bereikbaarheid van de spoedeisende ziekenhuiszorg in Nederland 2017: Analyse gevoelige ziekenhuizen 2017. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2017. Bron | DOI
  • Acute zorg: Letsel Informatie Systeem; SEH-behandelingen

    In het Letsel Informatie Systeem (LIS) van VeiligheidNL worden patiënten geregistreerd die zich melden op de afdeling Spoedeisende Hulp (SEH) van een selectie van ziekenhuizen in Nederland. In 2016 namen dertien SEH’s deel aan LIS. Alle dertien SEH’s registreren in LIS gedetailleerde informatie over acute lichamelijke letsels. Elf registreren in LIS ook bezoeken vanwege een acute ziekte of aandoening, waarvan negen onderscheid maken naar diagnosegroep. Op basis van de steekproef van ziekenhuizen is door VeiligheidNL een schatting gemaakt van het aantal SEH-behandelingen op nationaal niveau. De methode van deze extrapolatie is beschreven in een factsheet

    VeiligheidNL streeft naar een representatieve steekproef van SEH’s. Daarom zijn zowel UMC’s, een topklinisch ziekenhuis en kleinere ziekenhuizen opgenomen in de steekproef van SEH's. Desondanks is het mogelijk dat achtergrondkenmerken van de populatie in het verzorgingsgebied van de betreffende LIS-ziekenhuizen afwijken van die van niet aan LIS deelnemende ziekenhuizen. Sommige achtergrondkenmerken (demografische en sociaal-economische) hangen samen met SEH-gebruik. Een SEH in een regio met bijvoorbeeld relatief veel ouderen of personen met een lage SES heeft vaak een ander aantal en soort behandelingen dan een ‘gemiddelde’ SEH. Ook is het mogelijk dat de nabijheid van huisartsenposten, of de wijze van samenwerking met huisartsenposten, voor LIS-ziekenhuizen verschilt van ziekenhuizen die niet aan LIS deelnemen. Ten slotte kan de stedelijkheid van invloed zijn. In dunbevolkte gebieden ligt het aantal SEH-bezoeken verhoudingsgewijs lager. Mogelijk heeft dat te maken met de grotere afstand van de patiënt tot een SEH, waardoor deze minder geneigd is de SEH te bezoeken.

    Artsen registreren van patiënten die de SEH bezoeken een diagnose. Regelmatig kennen zij een diagnose uit de diagnosegroep Symptomen toe (voluit: Symptomen en onvolledig omschreven ziektebeelden). In die gevallen was er nog te veel onzekerheid om een specifieke diagnose te stellen, was de diagnostiek nog niet afgerond, of bleken de klachten (vooralsnog) mee te vallen. Symptoomdiagnosen zijn bijvoorbeeld koorts, pijn op de borst of afwijkende bevinding van onderzoek.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. Letsel Informatie Systeem, LIS. zorggegevens.nl
  • Beperkte kennis over zorggebruik door hele acute zorgketen

    Veel onderzoeken beperken zich tot het beschrijven van het zorggebruik binnen één type organisatie, terwijl we idealiter het zorggebruik van patiënten door de hele acute zorgketen zouden willen laten zien. Daartoe zouden patiënten door de keten gevolgd moeten worden, zodat inzicht ontstaat in patiëntenstromen van de thuissituatie of ongevalsplaats naar HAP, ambulance of SEH, en de daaropvolgende transities naar een of meerdere volgende zorginstellingen (andere acute zorginstelling, opname in ziekenhuis, ontslag naar huis, terugverwijzing naar huisartspraktijk). Dergelijk onderzoek is lastig en registraties in de verschillende onderdelen van de keten zijn zelden koppelbaar. Wat wel bekend is over patronen van acuut zorggebruik, is bekend uit afzonderlijke onderzoeken of registraties bij één type zorgaanbieder. Daar wordt soms geregistreerd waar patiënten vandaan kwamen en waarnaar ze worden verwezen. 

  • Acute zorg: DBC-Informatiesysteem (DIS)

    Het DIS wordt gebruikt voor het registreren van onder andere zorgtrajecten binnen de ziekenhuiszorg. Om zorg die uitgevoerd wordt op de SEH te kunnen onderscheiden, kan een selectie gemaakt worden van zorgactiviteiten met de omschrijving ‘spoedeisende hulp contact op de SEH-afdeling’. Andere relevante elementen die vastgelegd worden bij de registratie van zorgtrajecten, zijn diagnose en specialisme.

  • NIVEL Zorgregistraties eerste lijn

    In 2013 zijn in het kader van NIVEL Zorgregistraties eerste lijn gegevens verzameld over 1,7 miljoen patiënten die contact hadden met huisartsenposten die onderdeel uitmaken van 28 huisartsendienstenstructuren. In totaal zijn er 54 huisartsendienstenstructuren. Het aantal inwoners in het verzorgingsgebied bedroeg 11 miljoen. De resultaten over 2012 hebben betrekking op 1,5 miljoen patiënten die contact hadden met huisartsenposten die onderdeel uitmaken van 25 huisartsendienstenstructuren. Toen had het verzorgingsgebied betrekking op 9,9 miljoen inwoners.

    Meer informatie

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. NIVEL Zorgregistraties eerste lijn, NIVEL Zorgregistraties. zorggegevens.nl
  • Gebruik ICPC-codering op de huisartsenpost

    Symptomen en aandoeningen van personen die gebruik maken van de huisartsenpost zijn geregistreerd met behulp van de International Classification of Primary Care (ICPC). Alleen ICPC-codes in de range 01 tot en met 29 (symptomen) en in de range 70 tot en met 99 (aandoeningen) worden beschouwd als betekenisvolle ICPC-codes. Daarnaast worden ook A44 (inenting), R44 (influenzavaccinatie) en X37 (cervix-uitstrijkje) als betekenisvolle ICPC-codes beschouwd. 

    In 2013 registreerden zorgverleners op de huisartsenpost bij gemiddeld 83% van de contacten een betekenisvolleICPC-code. Dit percentage is gestegen ten opzichte van 2012. De verschillen tussen huisartsendienstenstructuren blijven echter groot (27-99%). Het aantal contacten zonder ICPC-code is in 2013 gedaald ten opzicht van 2012 (van 20% naar 12%). Ook hierin zijn grote verschillen tussen huisartsendienstenstructuren (0-73% in 2013) (NIVEL Zorgregistraties eerstelijn).

  • RIVM Ambulanceritten per RAV-regio

    De vergunninghouders van de individuele RAV-regio's leveren hun rittendatabases aan bij het RIVM. Het RIVM berekent vervolgens de productie- en prestatiecijfers. Berekeningen zijn gebaseerd op de meetplannen, die zijn vastgesteld door het Algemeen Bestuur van Ambulancezorg Nederland. Het RIVM past de meetplannen op eenduidige en uniforme wijze voor alle regio’s toe.

    De databewerking door het RIVM verloopt in twee stappen:

    • In de eerste stap worden per regio de ritgegevens en de stamtabellen ingelezen in een database waarna productiecijfers worden geselecteerd. De selectie van de productiecijfers worden in een verslag voorgelegd aan de regio. Na goedkeuring door de regio worden de productiecijfers ingelezen in een landelijke database.
    • In de tweede stap van de databewerking wordt een analyse van de ritgegevens uitgevoerd conform de AZN-meetplannen. De resultaten hiervan worden ter goedkeuring aan de regio voorgelegd. Na goedkeuring zijn de cijfers beschikbaar.
Methoden
  • Acute zorg: DBC-Informatiesysteem (DIS)

    Het aantal SEH-zorgactiviteiten met een zorgactiviteitdatum in 2012 is geteld, die behoren bij alle actieve (lopende) DBC-subtrajecten in 2012. Met actieve DBC-subtrajecten wordt bedoeld de subtrajecten die in 2012 open hebben gestaan (geopend in 2011 en gesloten in 2012, geopend en gesloten in 2012, of geopend in 2012 en gesloten in 2013). De gebruikte zorgactiviteitencode is 190015, en is in de DIS-registratie gedefinieerd als ‘spoedeisende hulp contact op de SEH-afdeling’, met als toelichting dat het gaat om zorgvragen die zich acuut en onmiddellijk voordoen. SEH-zorgactiviteiten kunnen naast andere zorgactiviteiten worden geregistreerd. Bovendien kunnen ze bij alle diagnosen worden geregistreerd, indien er sprake is van spoedeisende zorg. Voor iedere keer dat een patiënt binnen een jaar op een SEH-afdeling wordt behandeld, wordt een SEH-zorgactiviteit geregistreerd. In het geval dat er in het DIS meer dan één SEH-zorgactiviteit op eenzelfde dag is geregistreerd binnen hetzelfde DBC-subtraject (zelfde diagnose en specialisme), is dit als één SEH-zorgactiviteit geteld.

    Voor de berekening van de cijfers voor VZinfo is uitgegaan van het peiljaar 2012. Hiervoor waren gegevens nodig van DBC-subtrajecten die in 2013 zijn afgesloten. Het RIVM heeft de methode voor het berekenen van de SEH-zorgactiviteiten op basis van het DIS opgesteld in overleg met het CBS.

  • Rijtijdenanalyse ambulances

    Begin 2016 heeft het RIVM een nieuwe versie van het rijtijdenmodel in gebruik genomen. In de periode 1 juli 2014 tot en met 30 juni 2015 heeft het RIVM nieuwe metingen van ambulancesnelheden laten uitvoeren. Hierbij zijn snelheden in heel Nederland gemeten. Uit de meetgegevens zijn gemiddelde snelheden bepaald. Er worden 11 wegtypes gehanteerd, er is onderscheid gemaakt naar regio en tijdstip op de dag en er is rekening gehouden met verschillen tussen binnen en buiten de bebouwde kom. De nieuwe gemiddelde snelheden zijn gebruikt in een routeplanner die toegesneden is op hulpdiensten. In deze routeplanner kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van busbanen die afgesloten zijn voor normaal personenautoverkeer. Ook zijn afritten van snelwegen specifiek voor hulpdiensten opgenomen in de wegenkaart van de routeplanner.

    De volgende kanttekeningen kunnen bij het rijtijdenmodel gemaakt worden:

    • Het komt voor dat ambulances onderweg zijn als ze opgeroepen worden, bijvoorbeeld op de terugreis van het ziekenhuis naar de standplaats. Ook wordt er wel voor gekozen om op drukke tijden aanwezig te zijn op of nabij de snelweg. In beide gevallen wordt gesproken van rijdende paraatheid. Met dergelijke situaties wordt in de kaarten geen rekening gehouden.
    • Een aantal grote bedrijven heeft een eigen bedrijfsambulancedienst. De bijbehorende locaties zijn niet opgenomen in de kaart. Hierdoor zal de bereikbaarheidsituatie op sommige plaatsen bijvoorbeeld op de Maasvlakte in werkelijkheid anders zijn dan in de kaart.
    • In de gemiddelde snelheden die gebruikt zijn voor deze analyse is rekening gehouden met vertraging door congestie op verschillende wegsoorten (stad, platteland, snelweg etc.).
    • In de gebruikte maat wordt geen rekening gehouden met voorwaardescheppende inzetten. Wanneer alle ambulances van een bepaalde locatie in actie zijn, verandert de bereikbaarheidssituatie in de regio op dat moment. In dergelijke gevallen wordt soms een ambulance vanuit een andere standplaats tijdelijk op een strategische plaats ergens tussen beide posten gestationeerd zodat toch nog een redelijke rijtijd gegarandeerd kan worden. Dit wordt een voorwaardescheppende inzet genoemd.
    • Er wordt in deze modelmatige weergave voorbij gegaan aan het feit dat langs de landsgrenzen bijstand vanuit het buitenland (België en Duitsland) kan worden geleverd.
  • Bereikbaarheidspercentages

    De bereikpercentages in deze kaart (Inwoners binnen bereik van een ambulancestandplaats) zijn anders dan in het Referentiekader. Dat komt omdat deze kaart uitgaat van de werkelijke spreiding van standplaatsen, terwijl het referentiekader een eigen, modelmatige, spreiding hanteert. Het referentiekader is een planninginstrument, de werkelijke spreiding kan hiervan afwijken, bijvoorbeeld om hogere bereikpercentages te realiseren.

    In bereikbaarheidsmodellen wordt uitgegaan van 3 minuten voor de ontvangst en uitvraag van de melding, verstrekking van de inzetopdracht en het uitrukken van het ambulanceteam; de netto rijtijd is 12 minuten. Ook is uitgegaan van open grenzen. Dat wil zeggen dat gebieden ook door standplaatsen van buiten de eigen regio aangereden mogen worden. Steunpunten die gebruikt worden voor voorwaardescheppende inzetten en DAM-standplaatsen (Dynamisch Ambulance Management) zijn niet meegenomen in de berekeningen. Het gehanteerde rijtijdenmodel is dezelfde als die gebruikt is in het 'Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2013' (Kommer & Zwakhals, 2013).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Kommer GJ, Zwakhals SLN. Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2013. Bilthoven: Rijksinstituur voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2013. Bron

Data en gegevensbronnen