Volksgezondheidenzorg.info

Zoekveld

Acute zorgCijfers & ContextAanbod acute zorg

Cijfers & Context

Jaarlijks ongeveer 1,8 miljoen SEH-behandelingen

Regionaal & Internationaal

Hoogste aantal A1-inzetten in Amsterdam/Waterland

Kosten

Nog niet uitgewerkt

Zorgprestaties

Nog niet uitgewerkt

Aantal huisartsenposten en SEH's

Aantal huisartsenposten en samenwerking met SEH's 2020

Type locatie

Aantal locaties

Peiljaar

Huisartsenposten

113

2020

Totaal aantal afdelingen Spoedeisende Hulp:

  • SEH's met 24/7 uurs openstelling (80)
  • SEH's met dag/avond openstelling (3)

83
 

2020

Bron: Gebaseerd op Benchmark huisartsenposten 2019 (InEen, 2020); bewerkt door RIVM; RIVM, 2020

113 huisartsenposten

Rond 2000 ontstonden in veel regio’s in Nederland huisartsenposten. In 2020 (peildatum oktober) waren er 113 HAP's die georganiseerd waren in 55 huisartsendienstenstructuren (HDS’en). Bij een huisartsenpost werken gemiddeld 70 huisartsen en 22 triagisten.

80 ziekenhuislocaties met een SEH-afdeling

Volgens de Analyse gevoelige ziekenhuizen 2020 zijn er in totaal 83 ziekenhuislocaties met een SEH. Hiervan zijn 80 locaties 24/7 uur geopend, 3 SEH’s zijn overdag en ’s avonds geopend en zijn ’s nachts gesloten.

Meer informatie

Experts en redactie

Datum publicatie

11-01-2021

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. RIVM. Bereikbaarheidsanalyse SEH’s en acute verloskunde 2020 (Analyse gevoelige ziekenhuizen). Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu; 2020. Bron

Samenwerking SEH's en huisartsenposten

SEH’s en HAP’s naar de mate van samenwerking, 2020

SEH's met HAP op het ziekenhuisterrein

Aantal

HAP is in het ziekenhuisgebouw gevestigd en heeft een gezamenlijke ingang met de SEH.

59

HAP is in het ziekenhuisgebouw gevestigd, maar er is niet een gezamenlijke ingang met de SEH.

12

HAP is niet in het ziekenhuisgebouw gevestigd.

1

Totaal SEH’s met HAP op het ziekenhuisterrein

72

 

 

Samenwerkingsvorm

Aantal

Alle zelfverwijzers gaan naar de SEH en worden daar getrieerd, met terugverwijzing naar de HAP als dat gepast is.

6

Parallel: zelfverwijzers kunnen vrij kiezen uit HAP of SEH. HAP en SEH triëren hun eigen zelfverwijzers.

7

Serieel: alle zelfverwijzers gaan naar de HAP en worden daar getrieerd (eventueel met uitzondering van enkele patiëntgroepen, zoals ABCD-instabiele patiënten, specifieke klachten).

39

Volledige integratie: HAP en SEH hebben een gezamenlijk loket voor triage

20

 

72

Bron: RIVM, inventarisatie ten behoeve van Bereikbaarheidsanalyse 2020 (RIVM, 2020)

Grootste deel SEH’s heeft een HAP op het ziekenhuisterrein

Van de 80 SEH’s met 24/7 openstelling hebben 72 een HAP op het ziekenhuisterrein gevestigd. Die vestiging kan op een ander deel van het ziekenhuisterrein zijn, in het gebouw van het ziekenhuis maar zonder gezamenlijke ingang, in het gebouw met een gezamenlijke ingang (59 SEH’s) of er is een andersoortige locatie. Van de 72 HAP’s zijn er 8 ’s nachts gesloten. Vaak gaat het om steden met meerdere HAP-locaties, die ’s nachts samenwerken op minder locaties.

Een kwart van de SEH's en HAP hebben een een gezamelijk triageloket

Er bestaan verschillende vormen van samenwerking tussen de SEH en HAP's. Tussen meer dan de helft van de SEH’s en HAP’s (39) vindt seriele samenwerking plaatst. Dit houdt in dat alle zelfverwijzers eerst naar de HAP gaan. Op de HAP vindt de triage plaats. Bij 20 ziekenhuizen hebben de HAP en SEH een gezamenlijk loket voor triage waar onder meer bepaald wordt of zelfverwijzers door een huisarts of een SEH-arts worden gezien.

Meer informatie

Datum publicatie

01-03-2021

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. RIVM. Bereikbaarheidsanalyse SEH’s en acute verloskunde 2020 (Analyse gevoelige ziekenhuizen). Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu; 2020. Bron

Ambulancezorg

Kengetallen ambulancezorg 2019

Categorie

2017

2018

2019

Ambulances

790

813

832

RAV-regio’s

25

25

25

Ambulancestandplaatsen

231

238

241

Medewerkers

 

 

 

Ambulanceverpleegkundigen

2.284

2.343

2.356

Ambulancechauffeurs

2.046

2.087

2.135

Zorgambulancebegeleiding

235

286

308

Zorgambulancechauffeur

101

125

185

Verpleegkundige centralisten

443

442

451

Niet-verpleegkundige centralisten

45

46

50

Overig

771

816

828

Totaal

5.925

6.174

6.353

Het aantal ambulances betreft het totaal aantal vergunningen en niet het aantal daadwerkelijke ambulances. Dit is inclusief vergunningen voor reservecapaciteit (onderhoud en opschaling).

Ambulancezorg vanuit 25 RAV’s

In Nederland wordt de ambulancezorg verzorgd vanuit 25 Regionale Ambulancevoorzieningen (RAV-en). In 2019 zijn er in Nederland 241 (vaste) ambulancestandplaatsen die of overdag of 24 uur per dag operationeel zijn. Het aantal standplaatsen varieert per regio. In het Landelijk Referentiekader Spreiding & Beschikbaarheid is berekend wat in theorie de optimale spreiding van standplaatsen is om te kunnen voldoen aan het uitgangspunt dat onder normale omstandigheden in geval van spoed 95% van de bevolking binnen vijftien minuten na de start van de melding bij de meldkamer ambulancezorg bereikt kan worden. 

De 25 RAV'en beschikken in 2019 over 832 ambulances. Niet al deze ambulances rijden dagelijks tegelijkertijd op de weg. Een deel dient als reservecapaciteit en wordt ingezet tijdens onderhoud van de andere voertuigen of in geval van grootschalige rampen en calamiteiten. Er werken 6.353 mensen in de ambulancezorg, waarvan 4.942 (ongeveer 78%) in de drie primaire functies ambulanceverpleegkundige, ambulancechauffeur en verpleegkundig centralist (AZN, 2020).

In sommige regio's worden rapid responders ingezet

In sommige regio’s worden sinds enige jaren rapid responders ingezet. Een rapid responder is een ambulanceverpleegkundige die ter plaatse geheel zelfstandig handelt. Ze maken gebruik van een fiets-, motor- of solo-ambulance. Solo-ambulances zijn kleinere ambulance-auto’s. Hiermee is geen patiëntenvervoer mogelijk. Indien noodzakelijk wordt de inzet van een rapid responder gevolgd door een ambulance.

Verschil in definitie

Het aantal standplaatsen dat Ambulancezorg Nederland noemt in het Sectorkompas kan door definitieverschillen afwijken van het aantal standplaatsen onder Regionaal.

Datum publicatie

09-02-2021

Bronnen en literatuur

Literatuur

  1. AZN. Sectorkompas Ambulancezorg tabellenboek 2019. Zwolle: Ambulancezorg Nederland; 2020. Bron

Traumacentra en medisch mobiele teams

Traumacentra Nederland 2015

Traumacentra

Standplaats traumahelikopter

Amsterdam; VUmc

Amsterdam; Vumc

Amsterdam; AMC

 

Rotterdam ; Erasmus MC

Vliegveld Rotterdam

Tilburg; St. Elisabeth ziekenhuis

 

Utrecht; Universitair Medisch Centrum

 

Nijmegen; Radboud MC

Vliegbasis Volkel

Leiden; LUMC

 

Maastricht; UMC+

 

Groningen; UMCG

Groningen; UMCG

Zwolle; Isala klinieken

 

Enschede; Medisch Spectrum Twente

 

Nederland heeft elf traumacentra

In Nederland zijn sinds 1 januari 2008 elf ziekenhuizen aangewezen als traumacentrum. Deze centra leveren traumazorg. Dit is complexe medisch-specialistische acute zorg, vooral aan ernstige ongevalslachtoffers. Voor deze patiënten biedt de gemiddelde SEH-afdeling onvoldoende mogelijkheden voor diagnostiek en behandeling. De traumacentra beschikken 24 uur per dag over spoedeisende hulp, intensive care en een aantal specialismen.

Mobiele teams voor specialistische hulp ter plaatse

Elk van de traumacentra beschikt over een mobiel medisch team (MMT). Mobiele medische teams verlenen medisch-specialistische hulp ter plaatse van het incident in aanvulling op ambulancezorg, bijvoorbeeld bij een groot en gecompliceerd ongeval met meerdere en zwaargewonde patiënten. Het MMT bestaat uit een speciaal opgeleide (trauma-)arts, een gespecialiseerde verpleegkundige en een chauffeur of piloot. Voor het vervoer maken ze gebruik van een speciaal ingericht voertuig of een traumahelikopter. In Nederland beschikken vier traumacentra over een traumahelikopter namelijk die van Nijmegen, Groningen, Rotterdam en Amsterdam. Deze MMT's zijn in parate dienst, dat wil zeggen dat deze gereed staan voor een inzet. De MMT's van de traumacentra van Utrecht en Enschede zijn in beschikbare dienst. Dat houdt in dat de mensen van deze MMT's werkzaam zijn in het traumacentrum en een langere uitruktijd hebben dan een paraat MMT. De beschikbare MMT's worden bij een opschaling bij grote incidentem of rampen ingezet.

 

Experts en redactie

Verantwoording

Definities
  • Acute zorg

    Beleving zorgvrager staat centraal bij acute zorg

    Onder acute zorg wordt binnen VZinfo verstaan: 'Alle zorg die niet kan wachten tot de eerstvolgende mogelijkheid op werkdagen om de huisarts of hulpverlener te raadplegen'. Deze definitie wordt gehanteerd in het Nederlandse Triage Systeem (Drijver & Jochems, 2006) en is oorspronkelijk opgesteld door de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF, 2006). Het ministerie van VWS sluit bij deze definitie aan: ‘een door de zorgvrager en/of zorgverlener ervaren onvoorziene en onmiddellijke behoefte aan diagnostiek en behandeling’ (VWS, 2008). De beleving van de zorgvrager staat in deze definities centraal. Een persoon zal bij grote kans op overlijden of irreversibele gezondheidsschade zeker behoefte hebben aan acute zorg, maar ook bij hevige pijn, ernstig ongemak of ongerustheid kan een persoon dat hebben. Volgens deze definitie kan acute zorg ook bestaan uit alleen een telefonisch advies of een geruststelling.

    Begrip acute zorg hangt af van perspectief

    De definities hangen af van onder andere het gehanteerde perspectief, maar soms ook van de beroepsgroep die de definitie hanteert. Zo wordt acute zorg ook beschreven als ‘zorg in situaties waarin zonder acuut ingrijpen gevaar is voor overlijden of irreversibele gezondheidsschade’. Dan gaat de acute zorg meer om leven en dood of om (zeer) ernstig letsel met kans op blijvende gezondheidsschade (Schrijvers, 2003 , van Blerck-Woerdman et al., 2008). Deze definitie is geformuleerd vanuit het perspectief van de zorgverlener na het beoordelen van de aanvankelijke zorgvraag. Volgens deze definitie valt de hulpverlening bij ernstig ongemak of ongerustheid van een persoon niet onder de acute zorg. In deze lijn behoort het overgrote deel van de huisartsenzorg, al dan niet verleend vanuit een huisartsenpost, ook niet tot de acute zorg. Een term die in de definities van acute zorg ook voorkomt, is dringende zorg (Van Baar et al., 2007). Dringende zorg wordt omschreven als urgente zorg waarvoor de zorgverlening wel een paar uur maar niet veel langer kan wachten.

    Onderscheid tussen acute zorg in individuele gevallen en bij grote ongevallen of rampen (GHOR)

    Er wordt een onderscheid gemaakt tussen acute zorg in individuele gevallen en in het geval van een groot ongeval of een ramp. In individuele gevallen is er sprake van reguliere acute zorg. De reguliere zorg wordt bij grote ongevallen, met meer dan vijf slachtoffers, en bij rampen opgeschaald naar de Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio (GHOR). De GHOR is gericht op rampenbeheersing, rampenbestrijding en de organisatie tijdens rampen en coördineert de inzet van geneeskundige diensten tijdens rampen en grote ongevallen.

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Drijver R, Jochems P. Nederlands Triage Systeem: op weg naar eenduidige triage. Utrecht: Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG); 2006. Bron
    2. NPCF. Acute Zorg Uitgangspunten en kwaliteitscriteria vanuit patiëntenperspectief . Utrecht: Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF) ; 2006. Bron
    3. VWS. Kamerstuk: Kiezen voor bereikbaarheid en kwaliteit van zorg. Den Haag: VWS, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; 2008. Bron
    4. Schrijvers AJP. Achtergrondstudie Acute zorg. RVZ, Raad voor de Volksgezondheid en Zorg ; 2003. Bron
    5. van Blerck-Woerdman A, Bosma H, Braat DDM, Carter ER, Groot WNJ, Mackenbach JP, et al. Achtergrondstudies Schaal en zorg. Den Haag: RVZ, Raad voor de Volksgezondheid en Zorg; 2008. Bron
  • Classificatie van de urgentie van de zorgvraag naar de richtlijnen van het Nederlands Triage Systeem

     

    Urgentie klasse

    Omschrijving

    Te verlenen actie

    U0 Reanimatie Uitval van ten minste één vitale functie (ademhaling, hartslag), wat betekent dat gereanimeerd moet worden.

    U1

    Levensbedreigend

    Onmiddellijk actie, de vitale functies zijn in gevaar of uitstel van behandeling leidt tot ernstige en onherstelbare schade van de gezondheid.

    U2

    Spoed

    Vitale functies zijn (nog) niet in gevaar, maar er is een reële kans dat de toestand snel verslechtert of dat uitstel van behandeling tot ernstige en onherstelbare schade van de gezondheid leidt. Zo vlug mogelijk actie.

    U3

    Dringend

    Niet te lang uitstel, binnen enkele uren om medische en/of humane redenen.

    U4

    Niet dringend

    Er is geen tijdsdruk om medische of andere gronden. Het moment en de plaats van de afspraak worden met de aanvrager/patiënt overeengekomen.

    U5

    Advies

    Een fysieke beoordeling kan wachten tot de volgende werkdag.

    Bron: Nederlandse Triage Standaard (NTS)

  • Basis SEH en acute verloskunde

    In de bereikbaarheidsanalyse wordt uitgegaan van ziekenhuizen die een basisniveau voor SEH’s aanbieden, zoals beschreven in het eindrapport van de Werkgroep Kwaliteitsindeling Spoedeisende Hulp. Om vast te stellen of een ziekenhuislocatie het basisniveau SEH heeft en/of de specialistische zorgfunctie acute verloskunde aanbiedt, is voor elke ziekenhuislocatie nagegaan of deze over een combinatie van kenmerken beschikt.

     

    Voor de basisniveau SEH zijn de volgende vier kenmerken gehanteerd:

    1. tijdens openingstijden van de SEH is 1) een gediplomeerde SEH-verpleegkundige aanwezig;
    2. een gediplomeerde SEH-verpleegkundige met specifieke training in de opvang van traumapatiënten aanwezig;
    3. een gediplomeerde SEH-verpleegkundige met specifieke training in de opvang van ernstig zieke kinderen aanwezig, en
    4. een SEH-arts (KNMG-geregistreerd), een arts-assistent (aios, anios) of medisch specialist op de SEH.

    Kenmerken acute verloskunde zijn de volgende kenmerken gehanteerd:

    1. acute verloskunde wordt 24/7 aangeboden;
    2. er is altijd een klinisch verloskundige of a(n)ios gynaecologie of gynaecoloog aanwezig, en
    3. een gynaecoloog, kinderarts, anesthesioloog, anesthesiemedewerker en OK-ruimte zijn allemaal binnen 30 minuten beschikbaar.
Bronverantwoording
  • Tabel: Bronnen bij de cijfers over acute zorg

    Bron

    Indicator in VZinfo

    Gepresenteerde populatie VZinfo

    Meer informatie

    Benchmark HAP Huisartsenposten en SEH's, Gebruik huisartsenposten N.v.t. InEen
    CBS Nabijheidsstatistiek Bereikbaarheid huisartsenposten N.v.t CBS StatLine
    Drive Time Matrix Reistijden  N.v.t. Geodan
    Landelijke Traumaregistratie Gebruik MMT Nederlandse bevolking Landelijk netwerk acute zorg
    Letsel Informatie Systeem Gebruik SEH Nederlandse bevolking VeiligheidNL,
    Representativiteit van de LIS steekproef
    Nivel Zorgregistraties Contacten huisartsenposten Nederlandse bevolking Nivel
    Sectorkompas ambulancezorg AZN Kengetallen ambulancezorg Ambulancezorg Nederland AZN
  • Steeds meer informatie beschikbaar over gebruik acute zorg

    De acute zorg was lange tijd een sector waarover relatief weinig informatie over het zorggebruik bekend was. Mogelijk had dat te maken met de spoedeisendheid van gezondheidsproblemen die zich daar voordoen, waardoor onderzoek en registratie erbij inschoot. Vanaf 2004 heeft een reeks van onderzoeken genaamd ‘meetweken spoedzorg’, uitgevoerd door het Julius Centrum, veel nieuwe informatie opgeleverd over het gebruik van acute zorg op huisartsenposten, afdelingen Spoedeisende hulp, ambulancediensten en andere zorginstellingen. In twee regio’s is recent nog gemeten. Ook de jaarlijkse sectorrapportages van Ambulancezorg Nederland (AZN), waarvan de eerste betrekking had op 2006, hebben een impuls aan de kennis gegeven. Informatie over huisartsenposten is toegenomen door de Brancherapporten van InEen (InEen, 2014) en Nivel Zorgregistraties Eerstelijn. Gegevens over SEH-bezoek kunnen betrokken worden van het DBC-Informatiesysteem (DIS). Hierin worden  zorgactiviteiten (verrichtingen) geregistreerd, waaronder ‘spoedeisende hulp contact op de SEH-afdeling’. Het Letsel Informatie Systeem (LIS) is een bron die onder andere informatie biedt over de oorzaak van letsels van patiënten die een SEH bezoeken. Hieraan doet een steekproef van SEH’s in Nederland mee. De meeste SEH’s die aan LIS deelnemen, registreren ook niet-letsels.Vanaf 2012 vindt jaarlijks een landelijke meting plaats bij alle SEH's die 24 uur per dag en 7 dagen per week open zijn (Gaakeer et al., 2016; Gaakeer et al., 2014). Dit zijn gegevens over ondermeer aantallen patiënten en herkomst van patiënten. Gegevens specifiek op het gebied van trauma zijn vanaf 2007 beschikbaar gekomen door de Nederlandse Trauma Registratie.

    Patiënten met acute psychische problemen meestal direct naar crisisdienst van GGZ-instelling

    Soms hebben specialismen een eigen ingang in het ziekenhuis, en komen patiënten met acute gezondheidsproblemen niet eerst op de SEH. Dergelijke specialismen zijn bijvoorbeeld oogheelkunde, verloskunde en kindergeneeskunde. Patiënten met acute psychische problemen die zorg ontvangen, krijgen die zorg over het algemeen eerst van de huisarts, die eventueel de crisisdienst van een GGZ-instelling kan inschakelen. Als opname noodzakelijk is, worden dergelijk patiënten vervoerd naar een GGZ-instelling. Alleen als er ook nog acute lichamelijke problemen zijn, bijvoorbeeld bij auto-intoxicatie, zullen patiënten eerst nog vervoerd worden naar een SEH.  

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. Letsel Informatie Systeem, LIS. zorggegevens.nl

    Literatuur

    1. InEen. Benchmarkbulletin Huisartsenposten 2013. Utrecht: InEen; 2014. Bron
    2. Gaakeer MI, van den Brand L, Gips E, van Lieshout JM, Huijsman R, Veugelers R, et al. Landelijke ontwikkelingen in de Nederlandse SEH’s; aantal en herkomst van patienten in de periode 2012-2015. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. 2016. Bron
    3. Gaakeer MI, van den Brand CL, Veugelers R, Patka P. Inventarisatie van SEH-bezoeken en zelfverwijzers. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. 2014. Bron
  • Locaties huisartsenposten

    Voor de huisartsenposten is gebruik gemaakt van de Benchmark huisartsenposten 2019 (Ineen, 2020) met peildatum 31 december 2019. Na deze datum zijn de volgende wijzigingen opgetreden. De wijzigingen zijn ook doorgevoerd in de kaart:

    • Op 6 januari 2020 is de Spoedpost in Oldenzaal gesloten.
    • Per januari 2020 zijn de huisartsenposten in Deurne, Bladel, Eersel en Valkenswaard gesloten (Stichting Huisarts Organisatie Kempen en Omstreken (SHoKo))
    • Per september 2020 is de huisartsenpost in Hardenberg verhuisd.

    Voor de SEH is gebruik gemaakt van de Bereikbaarheidsanalyse SEHs en acute verloskunde 2020 (RIVM, 2020) met als peildatum juni 2020. 

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. RIVM. Bereikbaarheidsanalyse SEH’s en acute verloskunde 2020 (Analyse gevoelige ziekenhuizen). Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu; 2020. Bron
  • Acute zorg: Letsel Informatie Systeem; SEH-behandelingen

    In het Letsel Informatie Systeem (LIS) van VeiligheidNL worden patiënten geregistreerd die zich melden op de afdeling Spoedeisende Hulp (SEH) van een selectie van ziekenhuizen in Nederland. In 2016 namen dertien SEH’s deel aan LIS. Alle dertien SEH’s registreren in LIS gedetailleerde informatie over acute lichamelijke letsels. Elf registreren in LIS ook bezoeken vanwege een acute ziekte of aandoening, waarvan negen onderscheid maken naar diagnosegroep. Op basis van de steekproef van ziekenhuizen is door VeiligheidNL een schatting gemaakt van het aantal SEH-behandelingen op nationaal niveau. De methode van deze extrapolatie is beschreven in een factsheet

    VeiligheidNL streeft naar een representatieve steekproef van SEH’s. Daarom zijn zowel UMC’s, een topklinisch ziekenhuis en kleinere ziekenhuizen opgenomen in de steekproef van SEH's. Desondanks is het mogelijk dat achtergrondkenmerken van de populatie in het verzorgingsgebied van de betreffende LIS-ziekenhuizen afwijken van die van niet aan LIS deelnemende ziekenhuizen. Sommige achtergrondkenmerken (demografische en sociaal-economische) hangen samen met SEH-gebruik. Een SEH in een regio met bijvoorbeeld relatief veel ouderen of personen met een lage SES heeft vaak een ander aantal en soort behandelingen dan een ‘gemiddelde’ SEH. Ook is het mogelijk dat de nabijheid van huisartsenposten, of de wijze van samenwerking met huisartsenposten, voor LIS-ziekenhuizen verschilt van ziekenhuizen die niet aan LIS deelnemen. Ten slotte kan de stedelijkheid van invloed zijn. In dunbevolkte gebieden ligt het aantal SEH-bezoeken verhoudingsgewijs lager. Mogelijk heeft dat te maken met de grotere afstand van de patiënt tot een SEH, waardoor deze minder geneigd is de SEH te bezoeken.

    Artsen registreren van patiënten die de SEH bezoeken een diagnose. Regelmatig kennen zij een diagnose uit de diagnosegroep Symptomen toe (voluit: Symptomen en onvolledig omschreven ziektebeelden). In die gevallen was er nog te veel onzekerheid om een specifieke diagnose te stellen, was de diagnostiek nog niet afgerond, of bleken de klachten (vooralsnog) mee te vallen. Symptoomdiagnosen zijn bijvoorbeeld koorts, pijn op de borst of afwijkende bevinding van onderzoek.

    Bronnen en literatuur

    Bronnen

    1. Letsel Informatie Systeem, LIS. zorggegevens.nl
  • Beperkte kennis over zorggebruik door hele acute zorgketen

    Veel onderzoeken beperken zich tot het beschrijven van het zorggebruik binnen één type organisatie, terwijl we idealiter het zorggebruik van patiënten door de hele acute zorgketen zouden willen laten zien. Daartoe zouden patiënten door de keten gevolgd moeten worden, zodat inzicht ontstaat in patiëntenstromen van de thuissituatie of ongevalsplaats naar HAP, ambulance of SEH, en de daaropvolgende transities naar een of meerdere volgende zorginstellingen (andere acute zorginstelling, opname in ziekenhuis, ontslag naar huis, terugverwijzing naar huisartspraktijk). Dergelijk onderzoek is lastig en registraties in de verschillende onderdelen van de keten zijn zelden koppelbaar. Wat wel bekend is over patronen van acuut zorggebruik, is bekend uit afzonderlijke onderzoeken of registraties bij één type zorgaanbieder. Daar wordt soms geregistreerd waar patiënten vandaan kwamen en waarnaar ze worden verwezen. 

  • Acute zorg: DBC-Informatiesysteem (DIS)

    Het DIS wordt gebruikt voor het registreren van onder andere zorgtrajecten binnen de ziekenhuiszorg. Om zorg die uitgevoerd wordt op de SEH te kunnen onderscheiden, kan een selectie gemaakt worden van zorgactiviteiten met de omschrijving ‘spoedeisende hulp contact op de SEH-afdeling’. Andere relevante elementen die vastgelegd worden bij de registratie van zorgtrajecten, zijn diagnose en specialisme.

  • Nivel Zorgregistraties eerste lijn

    In 2013 zijn in het kader van NIVEL Zorgregistraties eerste lijn gegevens verzameld over 1,7 miljoen patiënten die contact hadden met huisartsenposten die onderdeel uitmaken van 28 huisartsendienstenstructuren. In totaal zijn er 54 huisartsendienstenstructuren. Het aantal inwoners in het verzorgingsgebied bedroeg 11 miljoen. De resultaten over 2012 hebben betrekking op 1,5 miljoen patiënten die contact hadden met huisartsenposten die onderdeel uitmaken van 25 huisartsendienstenstructuren. Toen had het verzorgingsgebied betrekking op 9,9 miljoen inwoners.

    Meer informatie

  • Gebruik ICPC-codering op de huisartsenpost

    Symptomen en aandoeningen van personen die gebruik maken van de huisartsenpost zijn geregistreerd met behulp van de International Classification of Primary Care (ICPC). Alleen ICPC-codes in de range 01 tot en met 29 (symptomen) en in de range 70 tot en met 99 (aandoeningen) worden beschouwd als betekenisvolle ICPC-codes. Daarnaast worden ook A44 (inenting), R44 (influenzavaccinatie) en X37 (cervix-uitstrijkje) als betekenisvolle ICPC-codes beschouwd. 

    Cijfers over gepresenteerde gezondheidsproblemen zijn gebaseerd op gegevens van huisartsendienstenstructuren waarvan bij minimaal 70% van de contacten een betekenisvolle ICPC-code geregistreerd is (27 HDSen in 2019). In 2019 registreerden zorgverleners op de huisartsenpost bij gemiddeld 95% van de contacten een betekenisvolle ICPC-code. Dat is beter dan in 2018. Ook de verschillen tussen HDSen zijn kleiner geworden (range 73,5%-98,9% in 2019). Het percentage contacten zonder ICPC-code is in 2019 gedaald ten opzichte van 2018 (van 6,0% naar 4,0%). Ook hierin zijn grote verschillen tussen HDSen (range 0,03%-44,8% in 2019) (Nivel Zorgregistraties eerstelijn).

  • RIVM Ambulanceritten per RAV-regio

    De vergunninghouders van de individuele RAV-regio's leveren hun rittendatabases aan bij het RIVM. Het RIVM berekent vervolgens de productie- en prestatiecijfers. Berekeningen zijn gebaseerd op de meetplannen, die zijn vastgesteld door het Algemeen Bestuur van Ambulancezorg Nederland. Het RIVM past de meetplannen op eenduidige en uniforme wijze voor alle regio’s toe.

    De databewerking door het RIVM verloopt in twee stappen:

    • In de eerste stap worden per regio de ritgegevens en de stamtabellen ingelezen in een database waarna productiecijfers worden geselecteerd. De selectie van de productiecijfers worden in een verslag voorgelegd aan de regio. Na goedkeuring door de regio worden de productiecijfers ingelezen in een landelijke database.
    • In de tweede stap van de databewerking wordt een analyse van de ritgegevens uitgevoerd conform de AZN-meetplannen. De resultaten hiervan worden ter goedkeuring aan de regio voorgelegd. Na goedkeuring zijn de cijfers beschikbaar.
Methoden
  • Acute zorg: DBC-Informatiesysteem (DIS)

    Het aantal SEH-zorgactiviteiten met een zorgactiviteitdatum in 2012 is geteld, die behoren bij alle actieve (lopende) DBC-subtrajecten in 2012. Met actieve DBC-subtrajecten wordt bedoeld de subtrajecten die in 2012 open hebben gestaan (geopend in 2011 en gesloten in 2012, geopend en gesloten in 2012, of geopend in 2012 en gesloten in 2013). De gebruikte zorgactiviteitencode is 190015, en is in de DIS-registratie gedefinieerd als ‘spoedeisende hulp contact op de SEH-afdeling’, met als toelichting dat het gaat om zorgvragen die zich acuut en onmiddellijk voordoen. SEH-zorgactiviteiten kunnen naast andere zorgactiviteiten worden geregistreerd. Bovendien kunnen ze bij alle diagnosen worden geregistreerd, indien er sprake is van spoedeisende zorg. Voor iedere keer dat een patiënt binnen een jaar op een SEH-afdeling wordt behandeld, wordt een SEH-zorgactiviteit geregistreerd. In het geval dat er in het DIS meer dan één SEH-zorgactiviteit op eenzelfde dag is geregistreerd binnen hetzelfde DBC-subtraject (zelfde diagnose en specialisme), is dit als één SEH-zorgactiviteit geteld.

    Voor de berekening van de cijfers voor VZinfo is uitgegaan van het peiljaar 2012. Hiervoor waren gegevens nodig van DBC-subtrajecten die in 2013 zijn afgesloten. Het RIVM heeft de methode voor het berekenen van de SEH-zorgactiviteiten op basis van het DIS opgesteld in overleg met het CBS.

  • Rijtijdenanalyse ambulances

    Begin 2016 heeft het RIVM een nieuwe versie van het rijtijdenmodel in gebruik genomen. In de periode 1 juli 2014 tot en met 30 juni 2015 heeft het RIVM nieuwe metingen van ambulancesnelheden laten uitvoeren. Hierbij zijn snelheden in heel Nederland gemeten. Uit de meetgegevens zijn gemiddelde snelheden bepaald. Er worden 11 wegtypes gehanteerd, er is onderscheid gemaakt naar regio en tijdstip op de dag en er is rekening gehouden met verschillen tussen binnen en buiten de bebouwde kom. De nieuwe gemiddelde snelheden zijn gebruikt in een routeplanner die toegesneden is op hulpdiensten. In deze routeplanner kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van busbanen die afgesloten zijn voor normaal personenautoverkeer. Ook zijn afritten van snelwegen specifiek voor hulpdiensten opgenomen in de wegenkaart van de routeplanner.

    De volgende kanttekeningen kunnen bij het rijtijdenmodel gemaakt worden:

    • Het komt voor dat ambulances onderweg zijn als ze opgeroepen worden, bijvoorbeeld op de terugreis van het ziekenhuis naar de standplaats. Ook wordt er wel voor gekozen om op drukke tijden aanwezig te zijn op of nabij de snelweg. In beide gevallen wordt gesproken van rijdende paraatheid. Met dergelijke situaties wordt in de kaarten geen rekening gehouden.
    • Een aantal grote bedrijven heeft een eigen bedrijfsambulancedienst. De bijbehorende locaties zijn niet opgenomen in de kaart. Hierdoor zal de bereikbaarheidsituatie op sommige plaatsen bijvoorbeeld op de Maasvlakte in werkelijkheid anders zijn dan in de kaart.
    • In de gemiddelde snelheden die gebruikt zijn voor deze analyse is rekening gehouden met vertraging door congestie op verschillende wegsoorten (stad, platteland, snelweg etc.).
    • In de gebruikte maat wordt geen rekening gehouden met voorwaardescheppende inzetten. Wanneer alle ambulances van een bepaalde locatie in actie zijn, verandert de bereikbaarheidssituatie in de regio op dat moment. In dergelijke gevallen wordt soms een ambulance vanuit een andere standplaats tijdelijk op een strategische plaats ergens tussen beide posten gestationeerd zodat toch nog een redelijke rijtijd gegarandeerd kan worden. Dit wordt een voorwaardescheppende inzet genoemd.
    • Er wordt in deze modelmatige weergave voorbij gegaan aan het feit dat langs de landsgrenzen bijstand vanuit het buitenland (België en Duitsland) kan worden geleverd.
  • Bereikbaarheidspercentages

    De bereikpercentages in deze kaart (Inwoners binnen bereik van een ambulancestandplaats) zijn anders dan in het Referentiekader. Dat komt omdat deze kaart uitgaat van de werkelijke spreiding van standplaatsen, terwijl het referentiekader een eigen, modelmatige, spreiding hanteert. Het referentiekader is een planninginstrument, de werkelijke spreiding kan hiervan afwijken, bijvoorbeeld om hogere bereikpercentages te realiseren.

    In bereikbaarheidsmodellen wordt uitgegaan van 3 minuten voor de ontvangst en uitvraag van de melding, verstrekking van de inzetopdracht en het uitrukken van het ambulanceteam; de netto rijtijd is 12 minuten. Ook is uitgegaan van open grenzen. Dat wil zeggen dat gebieden ook door standplaatsen van buiten de eigen regio aangereden mogen worden. Steunpunten die gebruikt worden voor voorwaardescheppende inzetten en DAM-standplaatsen (Dynamisch Ambulance Management) zijn niet meegenomen in de berekeningen. Het gehanteerde rijtijdenmodel is dezelfde als die gebruikt is in het 'Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2013' (Kommer & Zwakhals, 2013).

    Bronnen en literatuur

    Literatuur

    1. Kommer GJ, Zwakhals L. Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2013. Bilthoven: Rijksinstituur voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2013. Bron

Data en gegevensbronnen